Personages als zetstukken

Tom Lanoye situeert zijn romans graag in of rond de actualiteit. In Het derde huwelijk (2006) introduceerde hij ons in de wereld van het schijnhuwelijk. Een tamelijk onnozele ‘held’ trouwt op verzoek van een vriend met een Afrikaanse vrouw, en wat er dan gebeurt. Allerlei ook destijds actuele kwesties (aids, asielzoekers, consumentisme) passeerden de revue in een zowel sentimenteel als laconiek en geestig boek. In Gelukkige slaven (2013) liet hij twee (anti)helden zich een weg banen in de luxe wereld van het overconsumentisme en de illegale wildhandel. Twee mannen met veel ambitie spelen de hoofdrol, allebei met een grote mond, allebei op weg naar de onvermijdelijke ondergang. In de nieuwe roman Zuivering zet hij dit spel opnieuw op de wagen. Hoe red je je in de wereld die vals is, bol staat van onrecht, niet te verbeteren valt en waarin idealisme ver te zoeken is.

Het verhaal van de dood van het haantje greep me naar de keel omdat er geheimen in rondzweven, verlangens

Aan het woord is Gideon Rottier, man met een spraakgebrek die zijn memoires schrijft, de lezer moet zelf oordelen wat hij van zijn daden vindt. Hij wil zich zo veel mogelijk terugtrekken uit de wereld, hij is een dromer en een zelfverklaarde loser, veellezer en halve filosoof, treedt in dienst van een bedrijf (‘Extreme Cleaning’) dat huizen en gebouwen opruimt (zuivert) na grote rampen. Overstroming, ontploffing, brand, terroristische aanslagen – het personeel ruimt de boel op, stopt menselijke resten in plastic zakken en als het even mee zit verkoopt men bruikbare spullen aan opkopers. ‘Ik zat wat men noemt in de zuiveringsindustrie.’

Deze opzet geeft Lanoye de kans zijn niet geringe beschrijvingskunst los te laten met veel sprekende voorbeelden en gruwelijke details. IJzersterk is bijvoorbeeld zijn beschrijving van een pand waarin de bewoner zich tientallen jaren heeft verschanst te midden van nooit opgeruimde aankopen of gevonden voorwerpen. ‘Kartonnen dozen vol prullen, lekkende zakken vol prut, plastic wegwerptasjes vol lege whiskyflessen, jute balen vol gistend tuinafval, vunzig wasgoed in vuile samengeknoopte lakens, gezinsflessen voor frisdrank gevuld met oude frituurolie, platgetrapte conservenblikken.’ De schrijver laat opnieuw zijn voorkeur zien voor de stijl van het groteske en de bravoure. De ik haat de wereld, hij geeft aan die haat toe in hyperbolische beschrijvingen en hij overschreeuwt zijn in de grond kleine hartje door de uitservering van allerlei wijsheden over wereld en maatschappij: ‘Geweld is besmettelijk.’ ‘Het is de context die de monsters kweekt.’

Small lanoye tom c stephan vanfleteren
Wilde Tom Lanoye het debat over inburgering aan de orde stellen? © Stephan Vanfleteren

Dan neemt hij een vluchtelingenfamilie bij zich in huis. Eerst de man, een collega van het bedrijf, daarna diens vrouw en twee kinderen, die uit Syrië overkomen. De problemen beginnen de held boven het hoofd te groeien. En zelf kreeg ik er ook last van omdat Lanoye’s ikfiguur zich uitvoerig uitput in verklaringen voor het gedrag van deze huisgenoten. Hoe kan het allemaal? Hij doet toch zo zijn best? Ze misdragen zich, ze stellen zich aan, ze houden zich niet aan afspraken, ze ruimen de boel niet op. Het scheelt niet erg veel of literaire ‘vluchtelingenkitsch’, zoals ik het nu maar even noem, over leed, misverstanden en wederzijds onbegrip, begint de roman stevig in zijn greep te krijgen. Helemaal wanneer de man plotseling afreist en niet meer terugkomt. Aanpassingsproblemen, inburgering, emancipatie, ik begon steeds vaker aan dit soort begrippen uit de vluchtelingenhulpeconomie te denken. Ging het Lanoye daarom? Moest ik aan het denken worden gezet over kwesties waarover ik het al lang met hem eens ben? Kwesties die me ook zonder romans al machteloos in mijn stoel gekluisterd houden omdat zelfs ik niet weet hoe je daar uit moet komen. Wil ik romans lezen omdat ik daarin mijn maatschappelijke ideeën op min of meer correcte wijze zie weergegeven? Om mijn gelijk te kunnen halen?

Maar dat heb ik al. In romans hoop ik altijd op rare invallen, een krankzinnig idee, een overdreven visie die nergens op slaat, een verwoestende blik of, wat ik het liefste lees, iets oneindig onbegrijpelijks of sentimenteels, een foute liefde bijvoorbeeld, die toch goed afloopt. Of een wanhoopskreet. Ik hoop op romans waarin het erom gaat om ongelijk te krijgen. Maar nee, de ikfiguur en de bijfiguren werden steeds meer zetstukken in een maatschappelijk debat. Steeds minder romanfiguren met onbewuste drijfveren en met onduidelijke verlangens. De dochter ontpopt zich uiteraard tot een fundamentalistisch gelovige moslima, de zoon begeeft zich in kringen van verkeerde vrienden met radicale gedachten. Wilde Lanoye het debat over inburgering in deze roman aan de orde stellen? Wilde hij me ergens bewust van maken? Maar dat was ik al. Wilde hij gelijk van me krijgen? Maar dat had hij al.

De roman start met een fraai statement: ‘Schoonheid hoort toe te slaan zoals een sluipschutter in een burgeroorlog.’ En die schoonheid dringt de roman binnen in de gedaante van een haantje dat zich in het huis van de verteller nestelt. Lanoye put zich uit in sentimentele en liefdevolle beschrijvingen van dit meesterlijke dier. De moeder van het vluchtelingengezin vermoordt hem en stopt hem in haar vleespot terwijl ze goed weet dat hij de lieveling is van haar huisbaas, nee, niet alleen van hem, van de lezer. Van mij. Het is niet duidelijk waarom ze dit haantje om het leven brengt. Ook de ikverteller weet het niet te verklaren, hij betrapte haar al eerder toen ze het dier in een fraaie scène met een hark achterna zat. Ze vermoordt hem uit wanhoop, uit jaloezie, uit… ja, waarom? Dit verhaal van de dood van het haantje greep me naar de keel omdat er geheimen in rondzweven, raadsels, verlangens. Omdat verklaringen achterwege blijven.