Personages op zoek naar hun verhaal

Drie zeer uiteenlopende verhalenbundels laten de specifieke kenmerken van het korte verhaal zien. En de oude Tsjechov, nog altijd de meester van het genre, laat zien dat het best zonder plot kan.

A.P. Tsjechov, Verzamelde verhalen. Verhalen 1894-1903. Vertaald door Aai Prins, Anne Stoffel en Tom Eekman, € 34,-

Thijs de Boer, Vogels die vlees eten. € 16,50

Anatoli Gavrilov, En de zon komt op en 53 andere verhalen. Vertaald door Arie van der Ent, € 18,50

Je zou april de maand van het korte verhaal kunnen noemen. Deze maand komt literair tijdschrift Tirade met een special die gewijd is aan dit genre, ligt het eerste nummer van het literaire tijdschrift KortVerhaal in de winkel, en organiseert schrijver Sanneke van Hassel een driedaags festival met korteverhalenschrijvers uit Europa. Tel daarbij op dat twee zeer interessante debuutbundels deze maand het licht zien: Vogels die vlees eten (Thijs de Boer) en En de zon komt op en 53 andere verhalen (Anatoli Gavrilov), en dat de nieuwe vertaling van Tsjechovs Verzamelde verhalen deel 5 nog maar net is verschenen.
Al die belangstelling zou bijna doen vergeten dat het genre van het korte verhaal last heeft van een hardnekkig misverstand waardoor het vaak niet op waarde wordt geschat. Een misverstand dat er misschien voor zorgt dat al dat moois deze maand toch niet de bijval krijgt die het verdient. In een kort verhaal zou de schrijver naar een plot toe moeten werken, een plot waarvan je verzucht: dat zit knap in elkaar, wat kunstig. Je zou het idee-fixe dat een kort verhaal niet zonder sterke plot kan, kunnen vergelijken met de misvatting dat een gedicht per se moet rijmen omdat het anders geen gedicht is. Het misverstand laat zich demonstreren aan de hand van enkele verhalen van Tsjechov. De verhalen die pas in een nieuwe vertaling verschenen werden geschreven tussen 1895 en 1903, jaren die worden beschouwd als Tsjechovs rijpere periode; hij wist er een groot publiek mee te bereiken.

Kruisbessen is geen verhaal met een knappe of in het oog springende constructie en er gebeurt nauwelijks iets. Ondanks dat, of misschien wel dankzij dat, weet het de lezer te raken. Je zou kunnen zeggen dat dit verhaal een emotie oproept die het juist niet beschrijft. Veearts Ivan Ivanytsj vertelt aan twee vrienden over zijn broer Nicolaj, die vanaf zijn negentiende op een belastingkantoor heeft gewerkt en sindsdien vrekkig heeft geleefd om zich later een landgoed met een kruisbes te kunnen veroorloven. ‘Hij kon zich geen landgoed, geen poëtisch plekje voorstellen zonder kruisbes. “Het plattelandsleven heeft zijn gemakken”, placht hij te zeggen. “Je zit op je balkon, drinkt thee, in de vijver zwemmen je eendjes, het ruikt zo fijn en… en de kruisbes wordt steeds groter.”’ Tegen het eind van zijn leven kan hij eindelijk op zo'n landgoed zijn intrek nemen. Ivan Ivanytsj is bij hem op bezoek geweest en heeft uiteraard kruisbessen met hem gegeten en daarbij kreeg hij visioenen over wat geluk en ongeluk daadwerkelijk inhouden. Nu doet hij een poging zijn vrienden daar verslag van te doen. Maar dat verslag boeit hen niet. 'Ze hadden het maar saai gevonden (…) te moeten luisteren naar het verhaal over de arme ambtenaar die kruisbessen at. Om een of andere reden wilden ze praten en horen over elegante mensen, over vrouwen.’
En daarmee eindigt dit korte verhaal van Tsjechov - geen spanning, geen clou, alleen de constatering dat het verhaal wat tegenvalt. Maar toch, tussen de regels door weet Tsjechov ons iets essentieels over het leven mee te geven. Wat is een leven anders dan een aandoenlijke poging er een verhaal in te zien? Tsjechov thematiseert hier dat verlangen. Mensen en personages zoeken een verhaal en de schrijver vertelt niet dat verhaal, nee, hij doet verslag van die zoektocht.
En Tsjechov doet het vaker: zijn personages laten zoeken naar een niet te benoemen essentie. 'Alsjeblieft, geef ons een kader, een vertelling!’ lijken ze te roepen. 'We zullen alles doen wat je wil, als je ons maar een verhaal geeft.’
Alweer valt er een vergelijking met poëzie te maken. Zoals er veel gedichten zijn die indirect gaan over poëzie of ten minste over taal, zo gaan er veel verhalen over het vormen van een verhaal of op z'n minst over wat mensen elkaar en zichzelf wijsmaken.
Ook in Een schatje gaat het daarom. In dit verhaal maken we kennis met de goeiige Olenka. Avond na avond hoort ze de impresario en uitbater Koekin zijn beklag doen over het slechte weer, dat het publiek bij zijn voorstellingen weghoudt. 'Ten slotte raakte ze zo door Koekins tegenslagen aangedaan dat ze verliefd op hem werd.’ Na de bruiloft (ja, het gaat inderdaad snel, het is een kort verhaal en Tsjechov weet er de vaart in te houden) vertelt ze haar kennissen 'dat theater het allerbijzonderste, allerbelangrijkste en noodzakelijkste op aarde was, en dat je alleen in het theater echt kon genieten en een beschaafd en humaan mens kon worden’. Als Koekin verongelukt, trouwt ze met Poestovalov, die beheerder is in het houtdepot. Vanaf nu vertelt ze een heel ander verhaal: 'Hout gaat tegenwoordig met twintig procent per jaar omhoog (…) We hebben geen tijd om theaters af te lopen. Wij zijn arbeidzame mensen, ons hoofd staat niet naar niemendalletjes. Wat is er zo goed aan die theaters?’ En het laat zich raden dat als ook Poestovalov komt te overlijden en ze bevriend raakt met een veearts, het zíjn verhaal is dat ze vertelt - al stelt hij dat niet echt op prijs. 'Als de gasten vertrokken waren nam hij haar bij haar arm en siste boos: “Ik had je toch gevraagd niet te praten over dingen waar je geen verstand van hebt. Als wij veeartsen onderling praten, bemoei je er dan alsjeblieft niet mee. Ik heb er echt genoeg van.”’ En als de veearts teruggaat naar zijn wettige echtgenote neemt Olenka zijn zoon Sasja als pleegzoon onder haar hoede. 'En ze begint te praten over de leraren, over de lessen, de schoolboeken - precies wat Sasja erover vertelt.’
Dit verhaal staat, anders dan Kruisbessen, vol gebeurtenissen: twee bruiloften, twee mannen die komen te overlijden, een overspelige man die uiteindelijk terugkeert naar zijn vrouw, en een soort adoptie. Maar het zijn niet de gebeurtenissen waar het accent op ligt. Tsjechov gebruikt ze slechts als middel om Olenka te laten zoeken naar een identiteit, naar een verhaal. Als ze ook haar laatste partner en daarmee de zin van haar bestaan kwijt is, tekent Tsjechov op: 'En wat nog het allerergste was - ze had geen meningen meer. Ze zag de voorwerpen om zich heen en begreep alles wat er om haar heen gebeurde, maar ze kon zich nergens een mening over vormen en wist niet waarover ze moest praten. En wat is het vreselijk om helemaal geen mening te hebben! Je ziet bijvoorbeeld een fles staan, of het regent, of er rijdt een boer op een kar langs, maar waar die fles of die regen of die boer toe dienen, wat ze betekenen, dat kun je niet zeggen.’
Dit onderstreept nog eens dat het in Een schatje net als in Kruisbessen niet om een plot gaat maar om een betekenis die zich achter het verhaal bevindt - een betekenis die zich niet laat meedelen. Beschouw Tsjechov hiermee gerust als de grondlegger van het moderne korte verhaal.

Inmiddels zijn we ruim een eeuw verder, een eeuw waarin dankzij film een steeds snellere montage zijn intrede deed, een eeuw ook die ons Freud en stream of consciousness bracht. En niet te vergeten: de pil en nieuwe man-vrouwverhoudingen en een leven dat we zelf blijken vorm te moeten geven. Allemaal elementen die we terugvinden in een even fraai als aangrijpend debuut dat deze maand verschijnt: Vogels die vlees eten van Thijs de Boer. Net als bij Tsjechov zijn de personages van De Boer op zoek naar een verhaal en treffen we vertellingen aan die het niet van een plot hoeven te hebben. Maar dan wel anno 2010.
In het openingsverhaal Loopdrang zit de hoofdpersoon in een inrichting. Er worden hem vragen gesteld. 'Zie je vaak iets vanuit je ooghoek dat er later niet blijkt te zijn? (…) Kun je nog huilen? (…) Zou je nu, in dezelfde situatie, weer hetzelfde doen?’ De therapeuten zijn op zoek naar het verhaal van de hoofdpersoon, naar wat hem drijft. Maar het verhaal dat de hoofdpersoon ons vertelt, ontwijkt al die vragen. Hij vertelt over zijn medepatiënten, over de vorige bewoners, over een hond die dagelijks op bezoek komt.
Iets gebeuren doet er niet echt. Het verhaal brengt vooral een gevoel over, iets onbenoembaars, iets wat zich alleen tussen de regels laat lezen. 'En hier ben ik, tussen al deze gekken. En het enige wat we allemaal met elkaar gemeen hebben, is dat we willen vergeten.’ Deze vertelling die de essentie bewust ontwijkt, is voor de hoofdpersoon nodig om zijn daadwerkelijke verhaal te verdringen, om niet gek te worden, om te overleven.
Ook Schoon, verreweg het langste van de tien verhalen in deze bundel, brengt vooral een gevoel over. Het laat zich niet navertellen, of je zou het onrecht aandoen. De vertelling heeft iets te maken met de worsteling van het hoofdpersonage - een worsteling met zichzelf, met zijn vader, met zijn psychiater, met zijn medicijnen, met vrouwen.
'En ik begin: “Waarom heb je mij afgestaan toen ik nog een baby was? Waarom heb je dat gedaan? Waarom heb je niet geprobeerd me zelf op te voeden?” En hij zegt: “Wát? Wát zeg je nou?” En ik heb het gevoel dat ik begin te zweven. En dat alleen nog mijn hoofd bestaat. Ik zeg: “Nadat mama dood was gegaan, waarom heb je me afgestaan?” En hij zegt: “Waar heb je het over? Ik heb je nooit afgestaan.” Hij zegt: “En met mama is alles goed.”’ Hier hebben we een hoofdpersoon die zichzelf iets wijs probeert te maken. Naar het waarom daarvan kunnen we alleen maar gissen - we zijn slechts getuige van een personage dat in een baan om zichzelf draait, we komen niet tot zijn kern. Maar dat draaien suggereert wel dat er een kern is, en dat is genoeg - het levert een hoop moois op: 'Ik ben niet speciaal. Ik verzin verhalen zodat ik kan denken dat ik het ben. Maar ik ben het niet.’ En ook: 'Het is niet dat ik de weg kwijt ben. Het is meer dat ik in de verkeerde doolhof zit.’
Vogels die vlees eten is een bundel waar je eindeloos uit wil citeren. Maar het zijn niet zomaar mooie citaten. Ze passen precies binnen het verhaal, ze zijn de dichtst mogelijke benadering van de kern. De Boer reikt zijn personages geen afgerond verhaal aan, hij geeft ze slechts fragmenten, en tezamen vormen die fragmenten een doolhof waarin ze het zelf maar moeten uitzoeken.

Een al even interessante verhalenbundel die deze maand uitkomt, is En de zon komt op en 53 andere verhalen. De auteur ervan, Anatoli Gavrilov (Oekraïne, 1946), wordt sinds 1989 gepubliceerd in eigen land. Nu verschijnt zijn werk voor het eerst in Nederlandse vertaling, als deel 4 van de reeks Nieuwe Russen bij uitgeverij Douane.
Als je de bundel begint te lezen, weet je niet wat je overkomt. Je moet er echt aan wennen, zoals ogen aan het donker. Gavrilov weigert een duidelijk verhaal te vertellen. We volgen de blik van het personage, en dat waar zijn blik op valt, dat krijgen wij lezers te zien, soms met wat commentaar erbij, maar dat is vooral te begrijpen als je het verhaal kent dat het personage aan het vormen is, en dat kennen we juist nog niet. Maar beetje bij beetje komen we via het waargenomene iets te weten over degene die waarneemt, over zijn verhaal.
Een kort citaat, om van de stijl te proeven: 'Daar is de markt. Tijd om uit te stappen. Ik koop straks vet spek - en ga naar huis. Er is op aarde geen geluk, wel rust en spek. Het woord dan? Ja, het woord, maar na het spek.’ (Uit het verhaal Filosofie.)
Gavrilovs vertellingen zijn zeer kort, meestal twee pagina’s, en ze zijn, meer dan die van De Boer, in zichzelf gekeerd. Omdat er veel in wordt weggelaten en overgangen niet of nauwelijks worden gemarkeerd, moet je ze langzaam lezen, herlezen, op je hoede zijn - als bij sommige poëzie. Dan laten ze uiteindelijk het eenvoudige verhaal zien waar het om gaat, zonder het raadsel ervan op te lossen.
Het is niet voor niets dat Gavrilov door zijn Russische collega’s een writer’s writer wordt genoemd.
Misschien is dit een goede volgorde om de bundels te lezen: eerst Tsjechov, dan De Boer, dan Gavrilov. Niet omdat er een volgorde in zou zitten van minder goed naar goed, want verhalen schrijven kunnen ze alledrie, om het met een understatement te zeggen. Maar het is een prima volgorde om ingewijd te worden in de wereld van het korte verhaal: steeds een tandje zwaarder, steeds minder plot, steeds minder houvast.

Anton Tsjechov
Verzamelde verhalen 5
Vertaald door T. Eekman, A. Prins en A. Stoffel,
Van Oorschot, 634 blz., € 34,-

Zowel Anatoli Gavrilov als Thijs de Boer is te gast in Hotel van Hassel, een lang weekend korte verhalen: Europees festival, 16 t/m 18 april, De Balie, Amsterdam (020-5535151).
Ton Rozeman is schrijver van korte verhalen, onder meer Intiemer dan sex (2001) en Misschien maar beter ook (2004)