Persoonlijke omstandigheid

In Alkmaar heeft de arrondissementsrechtbank op 11 januari uitspraak gedaan in een kort geding dat was aangespannen tegen de Stichting Centraal Personeels Instituut (CPI) door drie werknemers. Het ging om Josee Driessen, die werkt bij het Anti Discriminatie Buro, Lidwien Divendal van de stichting Platform Migranten en Joris-Jan de Vries van de Stichting Bewoners Ondersteuning Alkmaar. Deze drie weigeraars van de identificatieplicht verwijten het CPI dat het niet is tegemoetgekomen aan hun gewetensbezwaren noch een oplossing heeft gezocht voor de ernstige financiele problemen waar zij in geraken door het ‘anoniementarief’ voor de belastingen.

In het vonnis erkende de rechter dat twee van de eisers een zodanige professionele achtergrond hebben dat hun bezwaren niet als een botte weigering dienen te worden opgevat en dat een goede werkgever de problemen met hen persoonlijk had moeten bespreken. De door het CPI gevolgde procedure verdient ‘geen schoonheidsprijs’ en de Alkmaarse rechter heeft begrip voor de bezwaren van de weigeraars, maar kan het CPI niet dwingen anders te handelen. De eis werd dus afgewezen, maar wel bepaalde de rechter dat de twee partijen elk de eigen kosten moesten dragen.
Tijdens het geding had de rechter het CPI de vraag gesteld of het financieel in staat was aan het bezwaar van zijn personeel tegemoet te komen en een voorschot te verlenen. Het antwoord was bevestigend, maar het CPI vindt dat het zich uit principe aan de wet moet houden. De mogelijkheid dat een werkgever wel bereid is financieel in te springen bleef dus open.
Precies dat is wat door de Rijksuniversiteit Wageningen wordt gedaan voor in elk geval vijf werknemers, die persoonlijk te maken hebben gehad met de Tweede Wereldoorlog. Voor hen draagt de universiteit de financiele consequenties, zo meldt het Wagenings Universiteitsblad van 21 december 1995.
Al eerder bleek dat de afdeling personeelszaken van de Wageningse Universiteit grote moeite had met de uitvoering van de wet. Fanny Heymann schreef in juli een brief aan de directeur personeelszaken, waarin zij uitlegde dat zij als dochter van joodse vluchtelingen, die in 1942 in Amsterdam is geboren en daarna gedeporteerd, grote moeite had met dit 'registreren om het registreren’, want: 'Een humaan mensenrechtenbeleid krijgen wij niet door deze onzinnige wet. Die is meer de uiting van een machteloze overheid.’
De directeur personeel en arbeidsomstandigheden, drs. J. E. van Kamp schreef haar terug dat hij haar persoonlijke standpunt zeer begrijpelijk vond: 'Ik neem op mij te voorkomen dat u zich moet “identificeren”. In uw dossier zal ik een verklaring deponeren dat ik, gezien uw persoonlijke omstandigheden, u niet heb gehouden aan de identificatieplicht.’
Fanny Heymann werd niet gekort - nu pas begrijpt zij door het bericht dat de universiteit voorlopig haar salaris en dat van vier andere gewetensbezwaarden aanvult.