INTERVIEW MET PETER TE BOS

‘Persoonlijkheid, daar gaat het om’

Peter te Bos en John Cameron zijn al 25 jaar de spil van Claw Boys Claw. Begin dit jaar verscheen hun nieuwe album Pajama Day. Een tournee kreeg een bekroning met een optreden op Lowlands. Te Bos, behalve zanger ook vormgever, werkt op intuïtie en gevoel. ‘Wat heeft het voor zin om iets te maken dat er al is?’

ALS JE DE UITDRUKKINGEN ‘al doende leert men’ en ‘oefening baart kunst’ samentrekt, krijg je zoiets als ‘al doende ontstaat kunst’. Dat lijkt de basis voor de werkwijze van Peter te Bos (57) en Claw Boys Claw. In zijn verschijning is Te Bos bijna de tegenpool van John Cameron (46), die bij het eerste deel van het gesprek aanwezig is. We zitten bij Te Bos thuis aan de lange houten eettafel. Te Bos, bijna twee meter lang, is beweeglijk, zet druk gebarend zijn betoog kracht bij en laat daarbij vaak zijn grote ogen van achter zijn nonchalante sluike haren spreken. Cameron, gemiddelde lengte, slank postuur, zit met zijn lange krullende haardos ontspannen achterover in zijn stoel en vertelt rustig.
Het nieuwe album Pajama Day heeft de band na elf jaar afwezigheid weer op de kaart gezet; hun drie vorige albums worden opnieuw uitgegeven bij EMI en maatschappij Pias brengt de rest van hun discografie in 2009 uit op cd. De titel, Pajama Day, vraagt om uitleg, maar er zit geen groot idee achter, zegt Peter te Bos: ‘Dat ontstaat gewoon. Eens zag ik John met zijn zoontje de woonkamer in komen lopen, in dezelfde pyjama. Later ontdekte ik het fenomeen “pyjamadag”: eens in de zoveel tijd blijken mensen in Amerika en Zweden in pyjama naar school of kantoor te komen. Een manier om de sleur te doorbreken en mensen anders tegen elkaar aan te laten kijken. Dat is het, dacht ik toen.’
Pajama Day heeft volgens Cameron betrekking op hun eigen situatie: ‘We waren na Will-o’-the Wisp uit 1997 de vaste cyclus van elke twee jaar opnemen en toeren even zat en zetten Claw Boys Claw op een laag pitje. Zo’n vijf jaar geleden begon het weer te kriebelen en zijn we weer nummers gaan maken. Deze keer pakten we het anders aan. Niet al jammend met de band in een studio, maar gewoon thuis met ons tweeën, op de bank met een gitaar.’
Dat is terug te horen op Pajama Day. De voor de band kenmerkende spanning en energie zijn vaak onderhuids aanwezig. Dat het minder ruig klinkt dan het vroegere werk heeft niets met leeftijd te maken, meent Cameron: ‘Het komt door de manier van werken. Achter die titel moet je verder ook niets zoeken. We zijn geen band die op de kansel staat.’ Te Bos vult aan: ‘Maar het zou natuurlijk wel leuk zijn als het college van Amsterdam een keer in pyjama naar het stadhuis komt. Dan krijgen ze ook niet van die belachelijke ideeën om de Wallen te sluiten.’
Veel dingen ontstaan volgens Te Bos ‘per ongeluk’. Als muzikant, ontwerper en art director van het Lowlands-festival werkt hij puur op intuïtie en gevoel. ‘Dat begint letterlijk blanco, op een wit vel papier, en na veel proberen – cadeautjes krijg je niet vaak – is er dan ineens iets.’ Zo kwam hij ook ‘zomaar’ bij Claw Boys Claw terecht. ‘In mijn jeugd was ik zanger bij een mannenkoor en later bij schoolband De Cornetto’s. Daar ben ik toen uitgezet, omdat ik alleen I’m Down van de Beatles goed kon zingen.’
Begin jaren tachtig leerde hij Beryl kennen, de zus van Cameron. Peter te Bos: ‘Ik heb toen aan John gevraagd of ik een keertje in zijn bandje mocht zingen.’
Cameron herinnert het zich anders: ‘Mijn zus vertelde dat ze een nieuw vriendje had dat zo mooi onder de douche kon zingen.’
Te Bos, verrast: ‘O ja, John? Goh, wist ik helemaal niet.’

Te Bos’ eerste beroep was huisschilder. ‘Dat heb ik na de lts in Alkmaar anderhalf jaar gedaan. Vervolgens werd ik decorateur voor twee bioscopen. Grote reclames maken voor films als King Kong en Ben Hur. Ik vond het geweldig en kreeg steeds meer interesse om van niets iets te maken.’ Hij vertrok naar Amsterdam om de grafische avondschool te volgen en daarna de Rietveld Academie. In de praktijk leerde hij als assistent-ontwerper het vak van Anthon Beeke bij Total Design. Te Bos: ‘Niet alleen het knippen en plakken, maar vooral het dóen. Niet mateloos plannen schrijven, die mooi verwoorden en dan denken: het zit wel goed. Nee, het gaat erom dat je echt iets dóet, op je eigen manier. Het is ook pas iets van de laatste tijd dat ik andere mensen als een voorbeeld kan zien. In vormgeving is dat mijn oude leermeester Anthon. In de beeldende kunst is dat Paul Rothko met zijn intense schilderijen waar ik uren voor wil blijven hangen en in kan verdwijnen. Verder ben ik een bewonderaar van de geweldige pianomuziek van Rachmaninov. Dat zet ik ’s nachts vaak thuis op na een optreden. In de populaire muziek gaat het voor mij om mensen als Gershwin, Dylan en Cash. Allemaal personen die eigenzinnig zijn en hun eigen weg hebben bewandeld. Het nummer Seven Fools van de nieuwe plaat gaat erover. “Here I am, I walk with you.”
Ja, ik sluit me graag aan bij het kleine groepje dat zo gek is om zijn eigen gang te gaan. In mijn creatieve visie betekent dat: vanuit jezelf werken en niet bang zijn om te laten zien wie je bent. Blijf dus altijd ver bij mensen vandaan die zeggen dat ze weten hoe het hoort. Die belerende toon, luister daar toch alsjeblieft niet naar. Je kunt iets wel volgens bepaalde regels doen, maar dat hóeft toch niet? Als er maar beleving van uitgaat.’
Het stoort Te Bos ook dat zo weinig mensen opkomen voor hun eigen idealen en overal maar mee akkoord gaan: ‘Ik ben opgegroeid in een tijd waarin mensen nog met borden de straat op gingen. We lijken nu wel 24 uur per dag in de slaapstand te staan. We laten alles maar over ons heen komen.’ Zelf steunt hij bijvoorbeeld de protesten tegen de plannen voor de Amsterdamse Wallen. Het roept het strijdbare in hem naar boven: ‘Die verkleutering hier. We zijn bezig om van Amsterdam een groot woonerf te maken. Gelukkig staan er nog steeds mensen op die zeggen: hier ben ik het niet mee eens en daar gaan we wat aan doen.’

Te Bos laat zich niet graag vastpinnen op één ding. Een voorkeur voor ontwerpen of muziek maken heeft hij ook niet: ‘Muziek maken geeft wel meer een gevoel van autonomie. Er is geen andere manier waarop je zo direct je emotie kunt uiten. Je kunt echt meteen je ziel de lucht in sturen. Bovendien vertelt niemand mij hoe we muziek moeten maken. Als vormgever heb je soms te maken met tegenwind.’ Hij hekelt de bekrompenheid in de opvattingen over vormgeving in Nederland: ‘We lijden hier aan een syndroom. Als je vertelt dat je ook covertjes doet van Danielle Steel of andere chicklit halen die jongens van de Beroepsorganisatie Nederlandse Ontwerpers daar hun neus voor op.’ Gespeeld geaffecteerd: ‘Ja maar heur eens, dat heeft toch níks met vormgeving te maken?’
In Engeland, waar hij een paar jaar werkte bij Pentagram Design, heeft hij gezien hoe het anders kan: ‘Die zijn totaal niet bang om in reclame serieus met goede vormgeving bezig te zijn. Als je dat op een smaakvolle manier doet, levert dat prachtige dingen op.’
In zijn eigen werk vindt hij het belangrijk dat er een bepaalde eigenwijsheid in zit. Hij is bijvoorbeeld erg trots op het Lowlands-logo: ‘Het past erg bij het unieke karakter van het festival. Voor de Claw had ik al wat artwork gedaan en dat was elk album anders. Ik kreeg toen ineens het idee om een logo te maken dat je elk jaar kunt aanpassen. Lowlands heeft trouwens niet één logo, maar een heel arsenaal van opvallende figuren, zoals stofzuigers en augurken. Met dit concept kan de vormgeving eindeloos meegaan met de ontwikkeling van het festival.’
Om lang mee te blijven draaien heb je volgens Te Bos meer lef nodig dan talent: ‘Claw Boys Claw heeft aangetoond dat je niet briljant hoeft te zijn om geweldige muziek te maken. John is bijvoorbeeld geen Steve Vai, die achthonderd noten in een halve seconde speelt. Die mensen hebben gewoon te veel tijd om te oefenen, denk ik dan. Wat John wél heeft, is een eigen karakter en geluid waarmee hij kan beroeren. Of neem mezelf. Ik ben niet de meest begaafde zanger in de wereld, maar door mijn stem en performance kan ik wel bevlogenheid en persoonlijkheid overbrengen. Die is van Peter te Bos en van niemand anders. Daar doe je het toch voor? Wat heeft het nou voor zin om iets te maken wat er al is? Dat is nutteloos. Ik ben die en die en ik doe mezelf na. Voor mij is dat de essentie.’
Te Bos is dit jaar ook weer gaan optreden met de band. ‘Eerst zag ik daar wel tegenop. De files, de lauwe bami en ik wist ook niet of ik het fysiek wel zou volhouden. Maar alles valt honderd procent mee. Bovendien is voor mij de interactie met het publiek heel belangrijk. De “kick” van creativiteit bestaat uit twee stappen. Eerst door het ontdekken van jezelf. Daarna door je zichtbaar te maken en reacties van anderen te krijgen. Met alle respect, maar een medewerker van ABN Amro krijgt toch nooit te horen: dank u wel, wat legt u dat geld mooi voor mij neer? Ik ben een gezegend man, in deze.’

Claw Boys Claw, Pajama Day, Shocking Shades (Pias) en $uga®, Nipple, Will-o’-the Wisp (EMI).
Claw Boys Claw is deze maand te zien op het Izegem Festival (België, 23 augustus), het Booch Festival (Heerlen, 24 augustus) en Westerpop, Delft (30 augustus). www.clawboysclaw.nl