Perspectief

Schrijvers leren van andere schrijvers, niet van theorieën, zegt Janet Malcolm, die wordt geïnterviewd in het lentenummer van Paris Review. Ik had erg uitgekeken naar dit interview.

Malcolms boeken liggen bij mij altijd binnen handbereik. Haar boek over Sylvia Plath en Ted Hughes, The Silent Woman, was een eye-opener. Dit was de hogere biografiekunst, waarin compassie en kwaadaardigheid naadloos in elkaar overgaan. Een soort Frans Bromet eigenlijk, van wiens gefilmde portretten ik ook geen genoeg kan krijgen.
‘Vader was een beetje een dwingeland begrijp ik?’ Altijd die zuigende insinuaties terwijl een huis wordt onttakeld, de ouderlijke spullen verdeeld moeten worden, iedereen op z'n kwetsbaarst is. Ongekend emotionerend drama levert het op.
Malcolm weet haar informanten op vergelijkbare wijze te bespelen. In The Silent Woman voert ze zichzelf op als de speurneus die, ploeterend door de sneeuw, in alle uithoeken van Engeland de getuigen en belanghebbenden van weleer opzoekt. Gastvrij wordt ze onthaald, met een copieus diner of een take-away pizza.
Zelf kijkt Malcolm wel drie keer uit voordat ze iemand toelaat in haar keuken. Teleurstellend genoeg blijkt het Paris Review-interview naar haar uitdrukkelijke wens, zeg maar gewoon orders, per e-mail te hebben plaatsgevonden. Zelfs de vraagstelling werd door haar geredigeerd. Ik zit te turen naar de begeleidende foto’s, als mijn overbuurvrouw belt.
Met de telefoon in de hand loop ik naar het raam, en zie haar vanachter háár raam naar me zwaaien met een groot pakket. ‘Lees jij de briefjes van de postbode niet meer?’ schettert ze door de telefoon. Ze is de negentig gepasseerd, wat je niet zou zeggen. Ze weet eerder dan ik wie er bij mij voor de deur staat. Soms hebben we een akkefietje, wat iets hoopgevends heeft. Ook op haar leeftijd kun je nog beledigen en beledigd worden.
‘O sorry’, zeg ik. ‘Heeft u een boek voor mij aangenomen?’ Ze heeft al drie boeken voor me klaarliggen. Ik kijk op mijn horloge en zucht. ‘Ik kom eraan.’
En halve minuut later zit ik tegenover haar en de kanariepiet. In de keuken staan de pannetjes op het vuur, ik ruik suddervlees. Soms kan ik er niet tegen dat ze zo trots is dat ze al zo oud en toch nog zo vief is. Waarom zit mijn moeder er niet zo bij? ‘Komt omdat u harteloos bent’, zei ik een tijdje geleden tegen haar. ‘Alles glijdt van u af.’ Sindsdien ben ik bezig het weer goed te maken, en houdt zij niet meer op met het leveren van tegenbewijzen. Triomfantelijk houdt ze een mok omhoog. ‘Voor de liefste buurvrouw’ staat erop. Gekregen van het bovenbuurmeisje.
‘Zó lief.’
‘Heel lief’, zeg ik.
Ze vertelt over haar trouwe kleinzonen en hun trouweloze vriendinnen.
‘Nu is ze dus doodleuk zonder hem op vakantie gegaan.’
Onrecht jegens het mannelijk nageslacht gaat tot in de derde generatie door, vanuit (groot)moeders optiek.
‘En hij doet álles voor haar.’
Mijn blik dwaalt af naar buiten. De man van even verderop fietst voorbij, een zijige vent met baard. Een halve minuut later loopt er een hard huilend kind in joggingpak op straat, blootsvoets. Misschien is het bij nader inzien wel een pyjamaatje dat hij aanheeft. Opeens herinner ik me de vrouw die bij mij aanbelde, jaren geleden, mijn zoon in haar kielzog. Ze had hem opgepikt in het park, waar hij blootsvoets, en in pyjama, rondliep. Ik haatte die vrouw, haar triomf dat ze mijn kind, dat ik nog niet eens gemist had, gevonden had. Maar dit is een ander drama. De zijige buurman keert bij het luide geschrei terug, omvat zijn huilende kind vanaf zijn fiets, fluistert in zijn oor dat het terug moet gaan naar zijn harteloze moeder, dat hij hem op een dag voorgoed zal redden.
‘Wat heeft u veel bloemen staan’, zeg ik. Ben ik haar verjaardag vergeten?
De kanariepiet fluit zich een ongeluk, blij met bezoek.
De meest recente foto van Janet Malcolm laat een keurige, bebrilde dame van 77 zien. Ze lacht haar tanden bloot. Onder de foto staat: ‘Ik ben niet bepaald de eerste schrijver die de niet-aardigheid van journalisten opmerkt.’ Alle literaire journalistiek is gebouwd op een grote hoeveelheid impertinentie en de eerste valkuil waar je als schrijver in valt is het verhullen daarvan, is Malcolms stelregel. De mensen bij wie zij over de vloer komt, voelen zich achteraf nogal eens door haar genaaid. Haar beroemde boek over het gemarchandeer met de nalatenschap van Freud, In the Freud Archives, leverde haar een slepende rechtszaak op met een van de geportretteerden. Het is de prijs die zij bereid is te betalen voor haar boeken die even inzichtelijk als nietsontziend zijn.
Ik zucht.
‘Moet u nog niet eten?’ vraag ik, en sta op.
Op de eettafel is het tafelkleed tot voor de helft uitgevouwen, zoals mijn moeder dat ook deed. Eén bord, mes en vork keurig in gelid ernaast. Vanuit hier is het dezelfde straat, maar in een ander perspectief. Mijn eigen huis, bastion van vertrouwdheid, ziet er verwilderd uit, met een uit z'n krachten gegroeide boom in de voortuin, wrakkige fietsen tegen het hek.