Ik denk dat het Renate Dorrestein was die ik een keer hoorde zeggen dat je pas na zo’n vijftig bladzijden weet of je iets aan het schrijven bent dat levensvatbaar is.

Vijftig bladzijden, dacht ik. Dat is een half leven.

De eerste dag dat ik op een nieuwe werkplek arriveerde, werd ik door het gebouw rondgeleid. Ik schudde zo’n dertig handen, zag ongeveer evenveel gezichten, hoorde namen. Iedereen leek op elkaar, het duurde denk ik drie maanden voordat ik een vermoeden kreeg bij wie ik waarvoor moest zijn, en dan nog. Wie ik wel meteen onthield was de vrouw die in het archief werkte. Ik weet niet of ik haar ernaar vroeg – ik kan het me niet voorstellen, in mijn herinnering had ik een roze coltrui aan waaruit een blozend hoofd stak dat geen enkel geluid voortbracht – maar ze vertelde me dat ze hier negen jaar werkte.

Negen jaar, dacht ik. Dat is je leven.

Soms vraagt een collega aan me hoeveel woorden ik ‘al’ heb. Soms is best vaak. Ik zeg driehonderd, of twaalfhonderd. O, zegt hij. Dan ben je er al bijna.

Hij zegt het om de dingen kleiner te maken. Op te splitsen in aantallen woorden. Ik vind het lastig niet te denken in mensenlevens.

Hoelang werk je hier? vraagt een stagiaire. Eigenlijk vraagt ze: hoelang werk je hier al?

Ik zeg: mijn hele leven.

Als iemand anders dit zo zou schrijven, zou ik denken: smeer maar in je haar. Maar ik ben het

Of ik zeg: ik werk hier korter dan je denkt.

Ik zeg niets van dat al. Staar lachend uit het raam. Ik hoef niets te zien om te weten wat zich daar ontrolt. Ik ga hardop rekenen, en eindig met een vraagteken. Je hoeft niet alles precies te weten. Bijna niks eigenlijk.

Ik was onlangs een tijdje in een huis met een badkamer waarvan de ene muur in beslag werd genomen door een spiegel. Het was een kast die je kon openen als een harmonica. De spiegel was daarmee iets geworden als in een sprookje. Ik kon kiezen wie me daar ’s ochtends aanblikte: een skinny legend of een melting candle. En alles daartussenin.

Wat ik ook dacht bij die vijftig bladzijden van Renate Dorrestein: je moet ze dan ook maar weg durven gooien.

Op weg naar dat huis met die spiegel sleepte ik een koffer achter me aan die ik met moeite had dicht gekregen. Ik wist niet of het koud zou worden, of warm zou blijven. Misschien ging het wel regenen. Kijk op de weersvoorspelling, zeggen ze dan. Maar ik doe niet aan realitychecks. Ik doe aan smoesjes. Mijn koffer puilde uit elkaar van het papier. Ik moest hem op de band zien te plaatsen bij het inchecken. Hij zat een halve kilo onder het maximaal toegestane gewicht.

Vijftig bladzijden, dat is niks.

Renate Dorrestein zei wel meer dingen die ik heb onthouden. Dat in Nederland schrijvers het zich konden veroorloven om over niks te schrijven. Ik denk dat ze boos was toen ze dit zei. Ik ben van de school dat je over alles moet durven schrijven. Ik lees liever geen boeken die ergens over gaan. Ik denk dat wat het belangrijkste is zich stil houdt en zich vermomt als niks. Als iemand anders dit zo zou schrijven, zou ik denken: smeer maar in je haar. Maar ik ben het.

Ook zoiets, in dat huis met die spiegel. De eerste dagen dacht ik dat het er stil en donker was. Het duurde een paar dagen voordat ik vogels hoorde, een meertje beneden in het dal ontdekte. Dat er een sterrenhemel was. Ik las wat iedereen leest: Sally Rooney, Prachtige wereld, waar ben je. De helft van de roman bestaat uit een mailwisseling tussen twee vriendinnen. Die dingen aan elkaar schrijven als: ‘Had ik je al verteld dat ik geen eigentijdse romans meer kan lezen? Ik denk dat dat komt doordat ik te veel auteurs persoonlijk ken.’ Om uit te barsten in een aanklacht tegen schrijvers die zogenaamd over het normale leven schrijven, maar eigenlijk geen idee hebben. En ik dacht: stel dat iemand die ik ken dit geschreven zou hebben. Ik zou alles anders lezen, als ik het al zou lezen.