De kwaliteitsjournalistiek in Amerika gaat ten onder

Persvrijheid zonder pers

Alleen publieke financiering kan de Amerikaanse journalistiek van de ondergang redden, betogen de schrijvers van The Death and Life of American Journalism. ‘We hebben nog wel nieuws, maar nauwelijks nog journalistiek.’

TER ILLUSTRATIE van de neergang van de Amerikaanse journalistiek wijzen critici graag op het diepromantische graafwerk van Washington Post-journalisten Bob Woodward en Carl Bernstein dat leidde tot het Watergate-schandaal en het aftreden, in 1973, van president Nixon - om dat dan af te zetten tegen, pak ’m beet, de wijze waarop de Amerikaanse pers verslag deed van de hertellingen in Florida in 2000 (Bush vs Gore), de achteraf loze claims dat Irak in 2003 massavernietigingswapens bezat of de financiële crisis die bijna geen journalist zag aankomen.
Maar je kunt ook naar de cijfers kijken. In 2009 sloten 142 Amerikaanse kranten. Sinds 2008 verloren meer dan dertigduizend journalisten hun baan. Naar schatting zijn er nog slechts 46.000 journalisten met een vaste dienstbetrekking - niet veel op een bevolking van meer dan driehonderd miljoen. Bijna geen media-organisatie heeft nog een eigen bureau in Washington DC, waardoor de controle op de federale overheid aan steeds minder journalisten wordt overgelaten. In Bagdad heeft van alle nieuwsorganisaties alleen The New York Times nog een eigen bureau.
Op lokaal niveau is het minstens zo beroerd. Het Pew Center onderzocht onlangs hoe de pers functioneert in Baltimore, een stad aan de noordoostkust die in grootte vergelijkbaar is met Amsterdam. The Baltimore Sun publiceert tegenwoordig 73 procent minder originele verhalen dan twintig jaar geleden. En van die originele verhalen was maar liefst 86 procent op enigerlei wijze geïnitieerd door de pr-branche - in opdracht van bedrijven of de overheid. Kortom, slechts veertien procent van de nieuwsfeiten was het gevolg van een journalist die op eigen houtje op onderzoek ging. ‘We zijn op doodeng terrein beland’, zegt John Nichols, Washington-correspondent voor het weekblad The Nation. 'Op elke journalist heb je vier pr-mensen.’
Nichols en zijn kompaan Robert McChesney, hoogleraar communicatie en journalistiek aan de Universiteit van Illinois, maken zich al decennia zorgen over de ontwikkelingen in de Amerikaanse journalistiek, die in tegenstelling tot die in de meeste West-Europese landen zo goed als geheel op basis van vrijemarktprincipes bedreven wordt. Behalve de semi-publieke zenders Public Broadcasting Station (PBS) en National Public Radio (NPR) streven alle bestaande Amerikaanse media naar winstmaximalisatie. Om de alarmerende erosie van de Amerikaanse journalistiek onder de publieke aandacht te brengen heeft het duo in 2002 de mediaorganisatie Free Press opgericht.
John Nichols: 'De Amerikaanse grondwet garandeert persvrijheid, daarover bestaat geen twijfel. Dat grondrecht wordt echter alleen beschermd door censuur te verbieden. Maar als je een vrije pers hebt, zonder echte pers, en daar gaan we naartoe, wat betekent persvrijheid dan nog? Het is een hol recht.’
Robert McChesney voegt toe: 'Het is de plicht van de staat om ervoor te zorgen dat er een vrije pers is. Die plicht veronachtzaamt ze momenteel.’
Nichols: 'Als we de vrije pers aan de markt laten, dan krijg je altijd een product dat gericht is op commercie en vermaak. Zo houd je geen werkbare democratie in stand. Wij denken dat slim overheidsingrijpen, zoals bijvoorbeeld in Nederland of Scandinavië, dus met respect voor persvrijheid en zonder dat de overheid zich uitspreekt voor een bepaalde ideologie, een kwalitatief sterke journalistiek kan terugbrengen.’
Die gedachte werkten Nichols en McChesney in 2010 uit in hun boek The Death and Life of American Journalism: The Media Revolution that Will Begin the World Again. In vier hoofdstukken beargumenteren de twee dat de journalistiek moet worden beschouwd als een publiek goed dat van dezelfde orde is als het onderwijs of het leger, en dat van de ondergang moet worden gered met publiek geld. Daarbij voeren ze aan dat overheidssubsidies voor de journalistiek een lang verleden hebben in Amerika - een verleden dat teruggaat tot de oprichting van het land, toen de eerste kranten enorme subsidies voor hun druk- en zendkosten kregen.
De oorzaken van de malaise liggen volgens Nichols en McChesney niet alleen bij internet of de huidige recessie. Voor het begin van de problemen moeten we terug naar de jaren tachtig, toen grote mediabedrijven voor enorme bedragen kranten, radiostations en tv-zenders door het hele land begonnen op te kopen. 'De aldus ontstane mediaconglomeraten hadden daarvoor flinke schulden gemaakt die ze wilden terugverdienen door de gebruikelijke operationele jaarwinsten van kranten, zeven à acht procent, op te krikken tot twintig, dertig procent’, zegt Nichols. 'Dus begonnen ze journalisten te ontslaan. Die ontwikkeling houdt aan tot op de dag van vandaag. Gevolg is dat we nog wel nieuws hebben, maar nauwelijks nog journalistiek. En dat nieuws is voornamelijk door de elites verpakte informatie, verspreid door de pr-machines.’
De neoliberale acquisitiedrift van de jaren tachtig was overigens slechts de accentuering van de ware oorzaak, stelt McChesney: 'De illusie die Amerikanen de afgelopen eeuw hadden, en vaak nog steeds hebben, was dat de markt ons voldoende kwantiteit aan journalistiek zou bieden en dat we konden kibbelen over de kwaliteit ervan. Maar zonder de reclame, die goed was voor zestig tot honderd procent van de inkomsten, hadden we geen fatsoenlijke journalistiek kunnen hebben. En de relatie van de reclame met de journalistiek was altijd opportunistisch: het had er geen werkelijke belangstelling voor. Adverteerders zijn uiteindelijk alleen geïnteresseerd in hun commerciële doelen. Nu adverteerders meer dan ooit ook buiten de journalistiek hun doelen kunnen verwezenlijken, vertrekken ze. In 2008 was minder dan de helft van de omzet van The New York Times afkomstig van advertenties. Dat zou tien jaar geleden ondenkbaar zijn geweest.’
Voor alle duidelijkheid: Nichols en McChesney hebben niets tegen commerciële journalistiek. In hun boek roemen ze uitvoerig het niveau van gerenommeerde publicaties als The New Yorker, The Atlantic of The Wall Street Journal. Die wensen ze een prachtige toekomst toe. Het gaat hun echter om het totaalbeeld, waaruit ze concluderen dat het commerciële model domweg niet de journalistiek kan garanderen die een grote democratie als de VS nodig heeft. 'Het geld is er gewoon niet, en zal er ook niet meer komen’, zegt McChesney. 'Microbetalingen, betaalmuren, het is allemaal kruimelwerk.’
In een dergelijk klimaat kunnen alleen de grootste nieuwsorganisaties overleven, vreest McChesney. Dat lijkt momenteel The New York Times te bewijzen. Die krant wierp eind maart een nieuwe betaalmuur op voor zijn website, na een eerder mislukt experiment met microbetalingen in 2005 (Times Select, betaling per artikel voor niet-abonnees). In het nieuwe betaalsysteem mogen bezoekers van de website nog twintig stukken per maand gratis lezen, waarna ze verzocht worden voor toegang te betalen. De resultaten daarvan zijn, tot nu toe althans, bemoedigend. Het aantal bezoekers nam weliswaar met twintig procent af, zo erkende moedermaatschappij The Times Company, maar dit werd meer dan gecompenseerd door de ruim honderdduizend nieuw afgesloten digitale abonnementen. Ook de toch al winstgevende papieren editie profiteert van de online betaalmuur, vermoedelijk krachtens de redenering: 'Als ik online moet gaan betalen, kan ik net zo goed een compleet abonnement nemen.’
Mocht straks inderdaad blijken dat The New York Times met deze nieuwe strategie eindelijk een winstgevend online verdienmodel heeft omarmd, dan betekent dit volgens McChesney nog niet dat 'kleinere, regionale publicaties zonder de landelijke en internationale aantrekkingskracht van de grote merken het gaan redden’ - denk aan die eerder aangehaalde Baltimore Sun.
Om de crisis in de Amerikaanse journalistiek aan te pakken stellen McChesney en Nichols voor om noodlijdende nieuwsorganisaties tot gesubsidieerde non-profits, low-profits of coöperaties te transformeren, die al hun content gratis publiceren. Ook willen ze de uitgaven aan de semi-publieke zenders PBS en NPR verdubbelen, waarmee die uitgaven naar verhouding nog altijd een fractie zijn van wat bijvoorbeeld de BBC en het Nederlandse omroepbestel ontvangen, en een programma subsidiëren dat jaarlijks 25.000 jonge journalisten betaalt. Verder zou iedere belastingbetaler elk jaar een voucher (soort tegoedbon) van tweehonderd dollar moeten krijgen die hij naar eigen goeddunken aan journalistieke non-profits kan doneren. Vooral van dat laatste voorstel hebben de twee grote verwachtingen. Nichols: 'Zo bepalen de mensen zelf waar het geld naartoe gaat. En de voucher bevordert concurrentie - niet in commerciële zin, maar op het gebied van kwaliteit. Onze voorstellen zijn trouwens niet gericht op print. Dat gaat namelijk dood. De toekomst is digitaal, tv en radio.’
Het geld voor deze programma’s moet deels uit het economische stimuleringsplan van president Obama komen (waarvan inmiddels de laatste miljarden de Amerikaanse economie binnendruppelen), deels uit belastingen op advertenties en elektronische applicaties.
In de nieuwe essaybundel Will the Last Reporter Please Turn Out the Lights, samengesteld door McChesney en media-analist Victor Pickard, sluiten 32 meer en minder gerenommeerde denkers, onder wie Thomas Frank (What’s the Matter with Kansas?), Chris Hedges (The Death of the Liberal Class) en Clay Shirky (Here Comes Everybody) zich bij Nichols en McChesney aan. De gedeelde conclusie: de Amerikaanse journalistiek bevindt zich in een crisis waarvoor de markt geen oplossing kan en zal bieden.

DE OMSTANDIGHEDEN lijken niet bepaald op de hand van de ideeën van Nichols, McChesney en consorten. Amerikanen geven in peilingen aan juist minder overheidsbemoeienis te willen en het land kampt met een enorme staatsschuld en een structureel begrotingstekort. Nichols is zich ervan bewust: 'Dertig, veertig jaar geleden hadden liberals nog stevige kritiek op de markt, maar nu hebben ook zij het vrijemarktdenken omarmd. Terwijl conservatieven verder naar rechts zijn geschoven. En dat is nog maar het verzet van de publieke opinie. Ook de grote mediabedrijven zullen er alles aan doen om hun monopolieposities te behouden.’
Terwijl publieke financiering alleen maar goed zal zijn voor de commerciële journalistiek, betoogt Nichols: 'De Engelse krant The Guardian wint elk jaar alle journalistieke prijzen. Ik vroeg hun hoofdredacteur wat zijn geheim is. “Wij zijn zo goed omdat we moeten concurreren met de BBC”, was zijn antwoord.’
Tegelijkertijd put Nichols hoop uit de reacties van lezers en mensen die zijn lezingen bezoeken. 'Mensen zijn de mainstream media meer dan zat - niet alleen linkse intellectuelen zeggen dat, ook bijvoorbeeld Tea Party-activisten. Die zien hun lokale kranten verdwijnen en er nauwelijks iets voor in de plaats komen. Ja, de blogosfeer. En op de kabel wordt alleen maar naar elkaar geschreeuwd.’
De uitdaging is om de mensen aan het verstand te brengen dat het ook anders kan, besluit Nichols: 'Veel Amerikanen hebben geen idee hoe goed publieke journalistiek kan zijn. Dit grote en rijke land verdient een pers met verschillende platforms - niet alleen conservatief en liberal, maar ook socialistisch, libertijns, katholiek, islamitisch of lesbisch. Sommige zullen commercieel zijn, andere publiek, andere een mengvorm. Het wordt geweldig.’

Robert McChesney & John Nichols, The Death and Life of American Journalism: The Media Revolution that Will Begin the World Again (2010), The Nation Books, 334 blz., $ 17.50
Robert McChesney & Victor Packard: Will the Last Reporter Please Turn Out the Lights: The Collapse of Journalism and What Can Be Done about It (april 2011), The New Press, 372 blz., $ 19.95