Ger Groot

Perzische drank

Een jongensdroom. «Ik maakte mij klaar, als een trouwe dienaar,/ en bond de strijd met de tovenaars aan./ Ik wendde de teugels, ik velde paarden,/ ik zwaaide mijn knots als geen ridder ooit deed.» Van de hele middeleeuwse literatuur zijn de ridderromans nog het meest recycleerbaar gebleken. Wie wilde als kind geen Ivanhoe zijn?

Toegegeven, Ivanhoe was een negentiende-eeuwse uitvinding, maar zelfs Nietzsche liet zich door de quasi-historiciteit ervan niet storen. Tijdens migraineaanvallen liet hij zich graag voorlezen uit Walter Scott, «waardoor alles om mij heen zo ganz Nietzschisch en bijzonder rustig wordt», zoals hij aan zijn vriend Gersdorff schreef. Zijn Übermensch leek naar het voorbeeld van die ridderlijke houwdegens geschapen.

Toch is niet Ivanhoe in dit citaat aan het woord, noch Arthur of de Elegast. Het is de held Saam uit het Perzische Boek van de koningen dat door Ferdousi van Toes rond het jaar 1000 moet zijn geschreven. Stukken daarvan staan in de bloemlezing Een karavaan uit Perzië die door Bulaaq schitterend is uitgegeven: voorbeeldig formaat, prachtig gebonden, klassieke bladspiegel, twee leeslinten.

In het Boek van de koningen beschreef Ferdousi de hele Perzische geschiedenis tot zijn eigen dagen. Vijftigduizend dubbelverzen vol mythische vorsten, reuzen, helden en draken in een wereld waarin alles groter was: het formaat van de monsters, de moed van de ridders, de uitdagingen en de spierkracht.

Bekend terrein dus voor de Ivanhoe-lezer. Wat in deze bloemlezing opvalt is de volledige afwezigheid van exotisme, al duikt er in deze verzen af en toe een olifant of een polostick op. Deze realiteit is de onze niet, maar ze lijkt wel heel erg op de wereld die de onze is gewéést — en op haar literatuur. Alles heeft zich alleen een paar honderd jaar eerder afgespeeld. In die tijd lag de islamitische cultuur nog merkbaar op de West-Europese voor.

Neem de prachtige liefdesregels van Aboe Saliek uit de negende eeuw: «Je wimpers hebben mijn hart geroofd./ Je mond spreekt recht, maar je wimpers stelen./ Beloning eis je nu voor wat je stal;/ wat vreemd: ik, de bestolene, moet helen?» Daaraan kon zelfs de Occitaanse hoofse poëzie niet tippen, en voor het verfijnde spel met de economische metaforen van bezitsrecht en diefstal zou het nog eeuwen wachten blijven op Quevedo.

De liefdespoëzie behoort tot de aanminnigste in deze bundel, al onderscheidt de homo-erotiek deze gedichten van het middeleeuwse Westen. «Mijn oog verdrinkt in tranen, niet in dromen,/ zozeer verlangt het dat jij weer zult komen./ ‹Slaap in,› zegt men, ‹de droom zal hem je tonen.›/ Ze weten niet dat slaap mij is ontnomen.» Dat dichtte, iets meer dan een eeuw later, Aboe Sa’ied-e Aboe’l-Cheir.

Maar ook hier sloeg de godsdienst genadeloos toe. De aardse minnepoëzie werd een vehikel voor mystieke ontboezemingen, niet anders dan bij Teresa van Ávila of Angela de Foligno. Verrassend genoeg mag ook drankpoëzie die taak vervullen. «Daarna liet hij mij drinken van die drab./ Het denken stokte; weg was alle onzin./ Ik raakte los van heel mijn oude wezen/ en sloeg de weg naar de Beminde in.»

In dat gedicht vertelt Attaar, aan het begin van de dertiende eeuw, hoe een pilaarbijter door een dronkeman de mantel wordt uitgeveegd («Jij dorre kwezel!/ Als ik een druppel droesem op je hoofd giet,/ verzaak je de moskee en je gefezel») en de «drab» krijgt voorgezet die hem tot religieuze vervoering brengt. Van zelfbenoemde heiligen moet het gedicht even weinig hebben als van het islamitische alcoholverbod.

Er wordt heel wat af gedronken in de klassieke Perzische poëzie, zoals dat in de moslimlanden binnenskamers nog altijd gebeurt. De katholieke ontspannenheid waarmee van oudsher de islamitische regels zijn gevolgd, mag onder de protestantse strengheid van moellahs en ayatollahs dan onzichtbaar geworden zijn, ze behoort kennelijk tot het hart van de islam.

Zelfs daarbij is er tussen Oost en West weinig verschil. Ook hier kon in de jaren twintig alleen een protestantse yankee de prohibition bedenken. En wanneer het leven weer eens sterker blijkt dan de leer omarmt onze calvinistische natie een katholiek gedoogbeleid — en is daar trots op. Zo zal het met de islam ook wel gaan. «De dronken wetsgeleerde deed de uitspraak gisteren/ dat wijn verboden is», schreef de dichter Havez zeshonderd vijftig jaar geleden.