Profiel Woody Allen

Pessimistisch, Europees

Woody Allen is de meest gelauwerde Amerikaanse regisseur van zijn generatie, maar hij is ook al honderden keren dood verklaard. Met Match Point helpt hij de mythe uit de wereld dat hij na zijn grote films uit de jaren zeventig en tachtig niets meer te vertellen had.

Het belangrijkste mentaliteits verschil tussen Amerikanen en Europeanen zou liggen in hun beider opvattingen over de rol die toeval speelt in onze levens. Amerikanen geloven dat de mens door eigen initiatief, inventiviteit en hard werk de vader is van zijn geluk. De Europeaan gelooft dat hij is overgeleverd aan de onbeïnvloedbare tweestrijd tussen Mazzel en Pech. Zou het toeval zijn dat de zeventigjarige Woody Allen, nu hij voor het eerst een film maakt in Europa, juist de rol die geluk speelt in onze levens tot onderwerp van zijn film maakt?

Allens positie is strikt Europees. De eerste scène in zijn nieuwe film Match Point zet de toon. Boven een tennisnet zien we ballen heen en weer schieten, tot er plots één op de bovenkant van het net stuitert. Dan staat de film enige seconden stil, en wordt ons de vraag voorgeworpen welke rol geluk in ons leven speelt. Allens filosofische, pessimistische instelling («Not only is there no God, but try getting a plumber on weekends!») is niet het enige Europese aspect aan zijn films. Hij heeft nooit een geheim gemaakt van zijn liefde voor de Europese cinema. Fellini en Bergman zijn zijn grote helden. Hij werkte jarenlang met Europese cameramannen (Carlo diPalma en Sven Nyquist), en huurt met regelmaat Europese acteurs in (Michael Caine, Kenneth Branagh, Helena Bonham-Carter, Famke Jansen, Charlotte Rampling, Max von Sydow, om er enkelen te noemen). Tegelijk is Allen volledig doordrongen van Amerikaanse cultuur. Jazzmuziek, baseball, musicals en stand-up comedy vormen de ware achtergrond van zijn artistieke universum.

Het begin van zijn loopbaan was nederig: hij begon met het schrijven van oneliners en grappen voor roddelrubrieken in de krant en televisie programma’s als de Ed Sullivan Show en, echt waar, Candid Camera. Hij werd een beroemdheid door zijn optreden als stand-up comedian, waarin hij zijn natuurlijke verlegenheid uitbuitte als zijn belangrijkste komische handelsmerk. Weinigen konden toen vermoeden dat onder de sullige grappenmaker zich een kunstenaar met grootse artistieke ambities aan het ontwikkelen was. Op het toppunt van zijn roem als conferencier, begin jaren zeventig, toen hij in Cesar’s Palace in Las Vegas meer dan veertigduizend dollar per week verdiende, schreef hij in afzondering op zijn hotelkamer het toneelstuk Death, een van zijn eerste pogingen om tot een serieus filosofisch geïnspireerd dramatisch werk te komen. Delen van dit toneelstuk werden later gebruikt voor zowel Crimes and Misdemeanors (1989) als Shadows and Fog (1992).

De evolutie van Allens werk is een soort ver innerlijkte versie van de American Dream. Met de artistieke slums van het stand-up comedy-circuit op zijn schouders betrad hij de upper-class-salon van het grote negentiende-eeuwse relatiedrama à la Tsjechov en Strindberg, en forceerde daarmee haar metamorfose. Een metamorfose die je uiteindelijk niet anders dan Amerikaans kunt noemen. Je kunt zeggen dat in Allens films Amerikaanse levenslust en optimisme in aanvaring komen met Europese realiteitszin en fatalisme. Of zoals hij zelf zegt: «Al mijn films gaan in meer of mindere mate over de botsing tussen fantasie en realiteit.»

Allens films steunen economisch sterk op het Europese filmpubliek. Hij beklaagt zich al jaren over de lage bezoekcijfers en de matige kritieken die zijn films in Amerika halen. De lastige relatie die Allen heeft met zijn moederland kent echter ook een andere zijde. Geen Amerikaanse filmmaker is vaker genomineerd voor een Academy Award (twintig maal om precies te zijn, in de categorieën beste regie, beste scenario en beste acteur), en hij zou die Oscar zeker vaker hebben gekregen (hij kreeg hem twee maal) als hij niet in ieder interview opnieuw zijn diepe minachting voor het Oscar-spektakel kenbaar maakte. Op de avond dat Annie Hall – zijn grote artistieke doorbraak – drie Oscars kreeg (waarvan twee voor Allen persoonlijk) speelde hij zoals iedere maandagavond in Michael’s Pub in New York met zijn jazzband. Ook zijn tweede Oscar (voor Hannah and her Sisters) weigerde hij op te halen. Voor Amerikaanse acteurs en actrices is een bijrol in een Allen-film nog steeds een benijdenswaardig kleinood. Demi Moore, John Malkovich, Madonna, Leonardo DiCaprio, Jodie Foster, Julia Roberts, Drew Barrymore, Goldie Hawn, Uma Thurman, Danny DeVito, Paul Simon, Christopher Walken, Meryl Streep – allemaal speelden zij eens of vaker in een film van Allen, altijd voor een fractie van hun normale gage.

Ondanks zijn positie kreeg Woody Allen steeds meer moeite om zijn films in de Verenigde Staten gefinancierd te krijgen. Bovendien eisen financiers daar steeds grotere invloed op het eindproduct. Nu is Allen allergisch voor enige vorm van verandering. Hij werkt al tientallen jaren vrijwel alleen op Manhattan en verliet dat eiland slechts voor het hoogst noodzakelijke. Hij werkt al jaren met een zeer hechte groep getrouwen, die alleen vervangen werden als ze stierven of naar Californië verhuisden. «Change is death», zegt Allen. «Change equals ageing, change equals the progression of time.» Toch twijfelde hij niet lang toen de BBC hem voorstelde om zijn nieuwe film te financieren, met volledige artistieke vrijheid, al moest die dan in het Ver enigd Koninkrijk opgenomen worden, wat Allen verplichtte om voor het eerst sinds Love and Death (1975) een film op te nemen buiten zijn geboorteland. Het resultaat hiervan, Match Point, bewijst dat verandering niet alleen afbraak maar ook groei kan betekenen.

In zijn laatste film richt Allen zijn aandacht niet zoals gewoonlijk op de oudere middle-class New Yorkse intellectuelen, maar op jonge twintigers uit de Britse upper-class, die verwoede pogingen doen om hun volwassen leven basis en vorm te geven. Dit doen ze zelfzuchtig en meedogenloos.

De plot van de film doet denken aan achttiende-eeuwse Engelse romans als die van Fielding of Thackeray. Een jonge Ierse tennisleraar van arme komaf werkt zich op in een zeer gefortuneerde oude Engelse familie door de dochter des huizes te verleiden en in de gunst te komen van haar vader. Hij speelt het zeer geraffineerd en lijkt iedere keer verbaasd als hij weer een stap op de ladder stijgt. Van huisvriend en verloofde wordt hij vervolgens echtgenoot en partner in de zaak van papá. Ondertussen is hij de perfecte manipulator van zijn eigen gevoelens. Toch is het, natuurlijk, de blinde passie die hem in een crisis stort. De korte scène, vroeg in de film, waarin hij het object van die passie voor het eerst ontmoet is nu al klassiek. Staand aan de pingpongtafel ziet hij de verloofde van zijn aanstaande zwager, en kan het niet laten direct een versierpoging te wagen, al brengt hij daarmee zijn juist verworven positie op een vreselijke manier in gevaar. De seksuele magie tussen de twee acteurs, Scarlet Johansson en Jonathan Rhys-Meyers, is onweerstaanbaar en confronterend. De motor daarvan is zonder twijfel Jo hansson, die een vat van nauwelijks in te tomen sensualiteit en drift is, en iedere seconde dat ze in beeld is zwaarte, kracht en agressie geeft aan de film. Johansson (die negentien was toen de opnamen plaatsvonden) en haar bijna vijftig jaar oudere regisseur vonden, lijkt het, direct een gemeenschappelijke taal. Muze en mentor besloten hun samenwerking direct voort te zetten: in Allens volgende film, Scoop, volgend jaar in de bioscoop, speelt Johansson opnieuw mee.

De opwinding die gepaard gaat met de scènes tussen Rhys-Meyers en Johansson maakte het Allen mogelijk om, als contrast, de gebeurtenissen in het Engelse upper-class-gezin met een koude, onnadrukkelijke, maar scherpe blik te analyseren. Tijdens de scènes op het landgoed van de Britse familie houdt de camera altijd afstand, zijn de takes langer en lijken de dialogen alledaags. In het contrast tussen deze twee verhaallijnen zie je de ervaring die Allen met zich meedraagt. Hij laat de film vertragen en de kijker afstand nemen en juist als het saai begint te worden, laat hij het vuur weer oplaaien. De plot is elegant en ge raffi neerd en blijkt een perfecte illustratie van de thematiek van de film. De literaire verwijzingen naar Tolstoj, Sophocles en vooral Dostojevski, soms expliciet, soms verborgen, geven de film voortdurend extra betekenis. «Life doesn’t imitate art, it imitates bad television», zegt actrice Juliette Lewis in Husbands and Wives. Maar in Match Point imiteert het leven wel de kunst, om precies te zijn Dostojevski’s Misdaad en straf. Lees na het zien van de film nog maar eens het hoofdstuk waarin Raskolnikov de oude woekeraarster vermoordt, dan begin je te begrijpen hoe nauwkeurig en ingewikkeld Allen zijn verhaal heeft opgezet.

Maar het meest verbijsterende is wel dat dit alles, de precieuze afwikkeling van de plot (die prachtig parallel loopt met de ontwikkeling van de thematiek), de steeds weer opdoemende filosofische en literaire terzijdes, zo onnadrukkelijk en snel verlopen dat je nauwelijks tijd hebt om ze op te merken en het soms lijkt of je naar een gewone romantische thriller zit te kijken. Pas lang nadat je de bioscoop hebt verlaten lijkt de wrede boodschap van deze film tot je door te dringen.

Match Point kan eens en voor altijd de mythe uit de wereld helpen dat Woody Allen na zijn grote films uit de jaren zeventig en tachtig niets meer te vertellen had of op z’n best zichzelf herhaalde. Laat niemand zich bedriegen door de ogenschijnlijke eenvormigheid van zijn oeuvre: de acteurs, de muziek, de aftiteling, de decors van zijn films zijn vaak hetzelfde, maar de behandeling van de thema’s krijgt steeds een andere vorm, en onderzoekt steeds nieuwe nuances. Husbands and Wives uit 1993 is een verbijsterende deconstructie van het moderne huwelijksleven. Deconstructing Harry (1997) is een bittere en geestige ontleding van de mythe van het kunstenaarschap, net zoals Sweet and Lowdown (1999) trouwens, de briljante komedie met een ontketende Sean Penn in de hoofdrol, waarmee Allen de jaren negentig afsloot. Zelfs het vrijwel overal afgekraakte Celebrity (1998), met een droomcast van onder anderen Leonardo DiCaprio, Kenneth Branagh, Joe Mantegna, Melanie Griffith, Winona Ryder, Famke Jansen en Charlize Theron, blijkt iedere keer dat je hem ziet aan kracht en betekenis te winnen.

Match Point is een beperktere film dan Allens grote meesterwerk Crimes and Misdemeanors, waar hij in enkele opzichten veel op lijkt. Maar hij is ook onontkoombaarder, preciezer en meedogenlozer. In Match Point laat Allen niets aan het toeval over. Iedere seconde van deze film is gewijd aan de verkondiging van dat ene, bittere geloof: dat het blinde noodlot onze levens regeert.

Match Point, vanaf 19 januari te zien. Voor dit stuk is gebruik gemaakt van Woody Allen on Woody Allen, interviews door Stig Björkman (Londen 2004)