Tijdschrift Bzzlletin

Pessoa’s Hollandse reputatie

Bzzlletin, dubbelnummer 278

Uitg. BZZTôH, ƒ17,50

Als August Willemsen in een themanummer over Fernando Pessoa (1888-1935) ontbreekt, vraag je je onwillekeurig af waarom. Had hij geen zin of is hij niet gevraagd? Wilde de redactie van Bzzlletin de handen vrij houden om eens een kritische noot te laten horen over Willemsens vertaalproject van de complete Pessoa-bibliotheek waar hij voor De Arbeiderspers aan werkt? Of ging het erom duidelijk te maken dat Pessoa in Nederland niet alleen van Willemsen is?

Wat de reden ook moge zijn, het laatste wordt in dit nummer van Bzzlletin in ieder geval duidelijk. Zo schrijven Cyrille Offermans en Harrie Lemmens beiden een doorwrocht essay over Het boek der rusteloosheid — Lemmens vertaalde het zelfs. Door de lange passages die geciteerd worden, verbaas je je er weer over hoe wonderbaarlijk het is dat een schrijver die honderden bladzijden lang existentiële eenzaamheid analyseert, zo fascinerend kan blijven. Heeft iemand ooit «zijnsweerzin», «lijden zonder leed» of «honger zonder zin in eten» hartgrondiger, onvermoeibaarder en subtieler onder woorden gebracht?

De dagboekaantekeningen in Het boek der rusteloosheid, waaraan Pessoa van 1913 tot zijn dood heeft gewerkt, werden zogenaamd door Bernardo Soares opgeschreven. Pessoa verzon afsplitsingen van zichzelf om zijn gedachtewereld te ordenen. Zogenoemde heteroniemen waren in het tweede decennium in Portugese avant-gardistische tijdschriften in de mode, maar Pessoa is er het meest beroemd mee geworden. Zijn «schimmen» zoals hij ze ook wel noemde, hadden een eigen naam, oeuvre en leven. Bernardo Soares wordt altijd als een semi-heteroniem omschreven, omdat hij zoveel overeenkomsten met Pessoa vertoont dat de dagboekaantekeningen bijna autobiografisch geïnterpreteerd kunnen worden. Aan de andere kant is Soares weer meer een literair personage dan heteroniemen als Alvara de Campos, Alberto Cairo of Ricardo Reis, om de bekendste dichters maar te noemen waaronder Pessoa zijn verbeelding verdeelde.

Over de vele manieren waarop Pessoa veinsde te bestaan, gaat het eerste essay van Hester Eymers. Zij baseert zich hoofdzakelijk op Angel Crespo’s Het meervoudig leven van Fernando Pessoa en het kortgeleden verschenen essay van August Willemsen: Fernado Pessoa: Het ik als vreemde. Daarin plaatst ook hij de heteronymie in een breder cultureel kader. Eymers is het niet eens met Willemsens conclusie dat het heteroniemenproject voor Pessoa persoonlijk een mislukking was omdat de drang tot zelfvernietiging er niet minder door werd. Zij vindt het onnodig het werk van de auteur aan zijn psyche te koppelen. Hierdoor steekt er vanaf het eerste artikel in Bzzlletin een mild polemisch briesje op dat voorzichtig («Het is niet gebruikelijk kritiek te uiten op de, inderdaad voortreffelijke Pessoa-vertalingen van August Willemsen, maar…») voelbaar blijft alvorens het ten slotte flink wordt aangeblazen door August Hans den Boef.

Den Boef noemt Willemsens veelgeroemde voor- en nawoorden «overenthousiast» en twijfelt onomwonden aan het belang van het ambitieuze vertaalproject van De Arbeiderspers. Maar Den Boef is duidelijk geen echte Pessoa-liefhebber. Want wie de bespiegelingen in Het boek der rusteloosheid afdoet als «sneu gedoe en gezever» mag eigenlijk niet meedoen. Even eigenaardig is zijn opmerking dat hij «de enorme hoeveelheid anekdotiek» zo storend vond bij zijn kennismaking met Pessoa. Als er iets aan het leven van Pessoa ontbreekt, net als aan zijn geschriften, is het wel anekdotiek. Als hij niet op zijn saaie kantoor zat, bestond zijn leven uit het onafgebroken werken aan een oeuvre dat van hem internationaal de beroemdste schrijver van Portugal moest maken.

Een tevergeefs leven, vindt Den Boef, omdat Pessoa nooit iets afmaakte. «Hij was gewoon zo gek als een ui.» Het is jammer dat Den Boef zich in dit soort ontsierende termen uitlaat, maar een tegenstem kan nooit kwaad bij de grote hoeveelheid adoratie die Pessoa in Nederland ten deel is gevallen sinds het uitkomen van Gedichten in 1978. En op een aantal punten heeft Den Boef beslist gelijk. Het stadsgidsje dat Pessoa schreef over Lissabon, Wat de toerist moet zien, had onvertaald kunnen blijven. Al was het ironisch bedoeld, het blijft stomvervelend en oninteressant. Ook heeft Den Boef gelijk dat het te ver voert om Pessoa anno 2001 nog altijd «Portugals enige en gehele bijdrage tot de grote Europese literatuur» te noemen, zoals Willemsen doet. «Want de grootste Portugese schrijver van de twintigste eeuw is, gezien vanuit ons huidige perspectief, natuurlijk José Saramago.» Een vertegenwoordiger van het door Pessoa zo gehate socialisme en communisme, voegt Den Boef daaraan toe. «Maar dat is een ander verhaal.»

Dat verhaal wordt door Yves van Kempen uit de doeken gedaan, alhoewel Saramago in bijna elke bijdrage aan Bzzlletin wordt genoemd, omdat hij de roman Het jaar van de dood van Ricardo Reis schreef, over een van Pessoa’s heteroniemen. Het knappe van deze onwaarschijnlijk prachtige Saramago-roman is dat er ondanks de onverholen kritiek nergens op het bijzondere dichterschap van Pessoa wordt afgedongen. Integendeel, voor degenen die zijn werk niet kennen zou het weleens een heel bijzondere kennismaking met Pessoa kunnen zijn. Maar door het beschrijven van de sociaal-historische context waarin dat werk gestalte kreeg, ga je de gedichten vanzelf anders beoordelen dan alleen op esthetische gronden. Saramago toont als geen ander Pessoa’s sociale onbewogenheid en zijn onvermogen zich met iemand anders dan zichzelf bezig te houden.

Zelfs als je niet bij voorkeur in wedstrijd termen over literatuur denkt, lijkt Saramago zijn landgenoot in alle opzichten te overstemmen: als literator en chroniqueur van zijn land, als «stadsgids» van Lissabon, maar ook als mens en dromer. Yves van Kempen onderstreept dat Saramago nog steeds het communisme is toegedaan, «dat hij overigens altijd als een geëngageerde levenshouding is blijven benoemen». Hij neemt aan dat die vasthoudendheid het gevolg is van zijn solidariteit met het lijden van het gewone volk, waar Saramago zelf uit voortkomt.

Nu er steeds meer uit Pessoa’s nalatenschap gepubliceerd wordt, blijkt dat de schrijver er wel degelijk bepaalde politieke ideeën op nahield. Tenzij ook die weer deel uitmaakten van een pose, net als de stoïcijnse houding van heteroniem Ricardo Reis. Bij het nawoord van De stoïcijn (2000) — dit manuscript is door het heteroniem Baron van Teive geschreven — gooit August Willemsen alle plaatsvervangers van Pessoa op een hoop door te stellen dat al die heteroniemen gaandeweg steeds meer op elkaar en op hun maker gingen lijken. Willemsen meent dat de baron nauwelijks meer een vermomming is. Niet alleen via de baron, maar ook in andere, onuitgegeven manuscripten blijkt zijn meer dan normale fascinatie voor de adel en aristocratie, die zich uitte in het opsporen van een eigen adellijke afkomst en een gedetailleerde beschrijving van zijn familiewapen. Aan zijn monarchistische sympathieën valt inmiddels niet meer te twijfelen. Hij was bovendien een verdediger van de militaire dictatuur en sympathiseerde aanvankelijk zelfs met Salazar, een niets en niemand ontziende potentaat onder wie José Saramago opgroeide.

Al die vertalingen doen Pessoa’s reputatie helemaal niet goed. Zelfs de opgetogenheid van de Nederlandse Pessoa-protagonist bij uitstek, August Willemsen, lijkt tanende, afgaande op een stukje dat hij in de meest recente Tirade (nr. 391) publiceerde ter gelegenheid van het verschijnen van Boodschap, het enige dichtwerk van Pessoa dat tijdens zijn leven in boekvorm verscheen. Willemsen heeft weinig affiniteit met dit «mystiek-nationalistische» dichtwerk. Hoe nu verder, als Pessoa’s boodschap zelfs bij hem niet meer aankomt?