Economie

Pest

‘Armageddon…!’ Vijf paar ogen kijken verschrikt op van het ganzenbordspel op het formica campingtafeltje. Kon het einde van Jehova’s rustdag, waarvan de bijbel de eerste vijfduizend jaar had geboekstaafd, eindelijk zijn aangebroken? Stond in Openbaringen niet hoe het Einde der Tijden gepaard zou gaan met pestilentiën, klimaatrampen, vuur en zwavel?

Dus waarom zou het salvo aan ontploffingen dat plotseling, in de zomer dat Nederland van Duitsland verloor, de stille avond aan flarden reet niet het eindspel van die chiliastische strijd tussen Michaël en Satan aankondigen?

1975 zong als grove schatting van einde en begin al geruime tijd rond op de vergaderingen en congressen van de dertigduizend Jehova’s Getuigen die Nederland telde. En ook al raadde de Wachttoren het nadrukkelijk af om jaartallen te noemen, massa’s Getuigen verkochten die jaren hun huis, namen afscheid van ongelovige familie, zegden vakanties af en bekommerden zich niet meer om de schoolprestaties van hun kinderen.

Geschrokken en uitgelaten – eindelijk was het moment van de ultieme beproeving (en van beloning: eeuwig leven in het Aardse paradijs) aangebroken! – begaf het vijftal, waaronder moeder (37), zuslief (9) en ondergetekende (11), zich naar de plek des onheils. Geen Armageddon – nog niet. Het was de schuur van de campinghouder die tot de nok toe met gasflessen was gevuld die in lichterlaaie stond.

In de familie Engelen wordt nog altijd getwist of moeders bekering nou oorzaak of gevolg was van de scheiding. Feit is dat wij ons twee jaar later terugvonden in een sjofel huurhuis, een mindere wijk, op een mindere school en in een bestaan dat gehoorzaamde aan de meedogenloze logica van het jehovadom. Dinsdags twee uur thuisstudie, donderdags twee uur velddienstvoorbereiding, zondags twee uur koninkrijkszaal en tussendoor gebed, zelfstudie, voorbereiding en van deur tot deur om Wachttorens, Ontwaakts, boeken en pamfletten te slijten. Vaak – o drama – in buurten waar je schoolvriendjes vermoedde. En dat alles, geënt op de prestatiemeting van het taylorisme als het van origine Amerikaanse bijbelgenootschap nou eenmaal is, minutieus geboekstaafd, zodat ouderlingen precies in de smiezen hadden hoeveel productie de broeders en zusters, gemeentes en kringen hebben gedraaid.

Het Genootschap ontleent zijn greep over zijn schare aan drie eigenschappen. Ten eerste beschouwen de Getuigen zich als de ware erfgenamen van het authentieke christendom. Net als toen gaan zij van deur tot deur. Net als toen staat individuele studie centraal. Net als toen is sprake van wereldverzaking: geef de Keizer wat des Keizers is maar laat je niet in met zaken die van het ware geloof afleiden. En net als toen gaat het om een betrekkelijk kleine groep die maatschappelijke afwijzing ziet als teken van uitverkiezing: wij zijn ‘in de waarheid’, de rest is ‘werelds’ en dus tot sterven gedoemd.

Ten tweede is het tijdsbeslag dermate groot dat de Getuigen geen tijd rest voor een normaal sociaal leven. Dat heeft als voordeel dat geloofsgemeenschap en vriendschapsnetwerken sterk overlappen waardoor apostasie zeldzaam is: wie het genootschap verzaakt, verliest immers ook zijn vrienden.

Ten derde is er een uitgekiend systeem van sociale controle en sanctionering. Wie een of meer vergaderingen mist, krijgt onherroepelijk een ouderling op bezoek. Wie rookt, gokt, vloekt, onaneert of anderszins zondigt tegen bijbelse voorschriften loopt gerede kans er door een medegelovige te worden bijgelapt. Iedereen heeft namelijk de plicht de ander tegen zijn zondige zelf in bescherming te nemen. Op herhaalde overtreding staat voor gedoopten uitsluiting: de publieke, complete en definitieve verwijdering uit het lichaam van de gemeente. Daarna mag geen enkele Getuige contact met hem of haar onderhouden, of het nou familie is of niet.

Door seks, drugs en rock-’n-roll ben ik bijtijds aan het sinistere Genootschap ontkomen. Mijn zus niet. Op haar zestiende heeft zij zich – dom gansje – met een stel vriendinnen laten dopen. Vier jaar later was de vriendinnengroep niet meer en werd zij verliefd op een ongelovige, ‘wereldse’ buurjongen. Weer vier jaar later is ze met hem getrouwd. Ondertussen was ze wel uitgesloten. Iemand had verklikt dat ze ongetrouwd samenwoonde, een doodzonde.

Inmiddels is moeder 76 en zuster 48. Twee weken geleden liet moeder weten geen contact met haar dochter meer te willen hebben. Reden? Omdat ze was uitgesloten. Waarom nu? God mag het weten.

Natuurlijk heb ik haar gebeld. Natuurlijk heb ik haar liefdeloosheid verweten. Natuurlijk heb ik op haar gemoed gespeeld. Natuurlijk heb ik haar Jezus’ voorbeeld van liefde en vergeving voorgehouden. Natuurlijk heb ik gedreigd haar niet meer te willen zien. Vergeefs.

En, o ja, het was moeder zelf die had geklikt; zo hoopte ze zuslief terug ‘de waarheid’ in te jagen.

Godsdienst – wat een pest!