Ik wil zijn naam hier niet noemen, de naam van de jongen die een afscheidsbriefje schreef ‘te mooi om waar te zijn’. Ik kende de jongen helemaal niet, wat zou ik zijn naam hier ijdel gebruiken. Maar hij zou dus gepest zijn, en daarom zelfmoord hebben gepleegd. Alleen blijken er geen bewijzen voor dat pesten te vinden.

Wat zou een goed bewijs zijn, voor je jarenlang getreiterd en genegeerd te hebben gevoeld? Het gekke is dat het ten tijde ván wel vaak op iemands voorhoofd geschreven lijkt: ik ben er om gepest te worden. En het pijnlijke is dat achteraf alleen de gepeste het zich nog herinnert. De pesters leven onbelast verder, kunnen zich vaak degene die ooit het object was niet eens herinneren. Dat blijkt ook uit het televisieprogramma Gepest, waarin dader en slachtoffer met elkaar worden geconfronteerd.

‘Weet je wie dit is?’ vraagt de presentator, en houdt een stel vroegere pestkoppen de klassenfoto van weleer voor. Degene die hij aanwijst staat ondertussen trillend en getraumatiseerd om de hoek te wachten, klaar voor closure.

‘Eh…’, wordt er wat onduidelijk gebromd. ‘Is dat misschien eh…’

Als Gepest iets laat zien, is het de onmogelijkheid genoegdoening te krijgen. Alleen in boeken worden de pesters gestraft, of krijgen ze berouw, in ieder geval wel in de boeken die ik vroeger las. Arie van den Dominee heb ik denk ik zo’n dertig keer gelezen, mijn vader had het gekregen op zondagsschool, en nog steeds als ik de openingszinnen lees – zoals nu – krijg ik pijn in m’n buik. Arie Goelema wordt wakker en het blijkt te hebben gesneeuwd die nacht. Sneeuw, dat betekent maar één ding: straks op het schoolplein geduwd en uitgelachen te worden omdat hij niet durft te ‘glijden’. Hè, kon hij maar thuisblijven, denkt Arie.

Pippi Langkous was niet bepaald aan mij besteed. Ik hield heel erg van boeken waarin de kinderen thuis wilden blijven. Kokkie uit het Steegje was ook zo’n boek, maar helaas kan ik dat niet meer terugvinden in m’n boekenkast. Kokkie was de dochter van de scharenslijper. Zij wordt ook wakker met maar één prangende gedachte: alsjeblieft niet naar school te hoeven. Ik weet niet meer goed of het met zoveel woorden wordt gezegd, maar het lijkt erop dat zij er ook een beetje uit ligt op school: armoedige kleren, en een troeperig huishouden zonder moeder. Haar vader is toegeeflijk. Op de eerste bladzijden wordt puur geluk beschreven: Kokkie luistert vanuit het alkoof waarin haar bed is gemaakt naar het gerommel van haar vader in de keuken. Wat is er heerlijker dan dat?

Ik wilde trouwens wel altijd graag naar school. Mijn moeder vertelde vroeger hoe opgelucht ze was dat ik van meet af aan huppelend naar binnen ging. De broer boven mij kon ze alleen naar school krijgen als ze beloofde dat hij ’s middags thuis mocht blijven. Hij werd niet gepest, en als dat al het geval was zal hij het niet in de gaten hebben gehad. Hij zocht geen aansluiting, hij was gewoon liever alleen. Nog op de middelbare school kwam hij ieder vrij tussen­uurtje naar huis gesjeesd op zijn Zundapp. Hij heeft zich overigens ontwikkeld tot een van de meest sociale figuren die ik ken.

Ik was op school een enorme streber en een niemand ontziende baas. Mijn eerste herinnering aan het schoolplein was dat Margootje bepaalde of er werd touwtje gesprongen of gehinkeld, en dat me dat helemaal niet zinde. Ik weigerde me aan haar nukken te onder­werpen, en stond eindeloos met kaatsenballen te oefenen tegen de muur. Ik kan het nog steeds met vier en ook onder m’n benen door.

Gelukkig vertrok Margootje al gauw naar Rotterdam, en kon ik de zaak overnemen. Vanaf dat moment bepaalde ik wat er gebeurde en wie er wel en niet mocht meedoen. Toen ik tien was, verhuisden we naar Zaandam en werd mijn speelveld uitgebreid met jongens (daarvoor zat ik op een meisjesschool in Amsterdam). Het werd er des te makkelijker op.

Ik pestte niet, al is dat een gevaarlijke uitspraak. Zoals ik net al zei: pesters hebben geen geheugen. Pesten is een te ongenuanceerde benaming voor waarin ik excelleerde. Wat ik me herinner is dat ik mijn gunsten verdeelde, en dat het voor de betrokkenen niet altijd duidelijk moet zijn geweest wanneer zij in of uit de gratie waren. En waarom. Ik was vooral altijd helemaal dol op iemand, wilde een totale symbiose dan met die ander, voortdurend hand in hand, zij aan zij lopen. Degene op wie ik mijn oog had laten vallen overstelpte ik met aandacht. Gewoon, omdat hij zulke lieve flaporen had, of omdat zijn bril zo ontroerend vast zat met een elastiekje. Omdat er een grote moedervlek op haar wang zat, of omdat ze een beetje scheel keek. En dan op een dag was het over, opeens, telkens weer. Alsof de ijstijd zijn intrede had gedaan.

Denk ik aan mijn schooltijd, dan zie ik stomverbaasde blikken op rij. Toen ik veertien werd, en de hormonen hun werk begonnen te doen, was het trouwens afgelopen met mijn regeer­periode. Ik werd gewoon een meisje, heerszuchtig in stilte.