Christopher Hitchens mengt het politieke en het persoonlijke

Pestkop pur sang

Criticasters krijgen geen vat op de Britse atheïst en beroepsprovocateur Christopher Hitchens. Hij schopt overal tegenaan en bindt zich nergens aan vast. Hitch-22, Hitchens’ memoires, maakt geen einde aan de verwarring.

‘ALS GOD ZO NU en dan intervenieert in de wereld door een atheïst te vellen - om te laten zien wie de baas is, of simpelweg om zich even af te reageren - dan is het niet meer dan logisch voor Hem om op de slokdarm te mikken.’
Zo begint het artikel van Carlin Romano in The Chronicle of Higher Education, als reactie op het nieuws dat Christopher Hitchens, die samen met bioloog Richard Dawkins, filosoof Daniel Dennett en schrijver Sam Harris wordt gezien als de 'four horsemen’ van het 'new atheism’, getroffen is door kanker in zijn slokdarm, het orgaan dat ons in staat stelt te spreken. Hoogst symbolisch, schrijft Romano, die de rest van zijn toch sympathieke essay beredeneert of we wel of niet voor Hitchens’ gezondheid moeten bidden. Doe het als je wilt, maar verwacht niet dat 'Hitch’ je er dankbaar voor zal zijn.
Romano komt tot de conclusie dat Hitchens het beste en slechtste heeft van dichters en denkers: passie, humor, eruditie, vingervlugheid, de onverdiende zelfverzekerdheid, vrijheid van geest, de onverbloemde agressie naar heilige boontjes. Het is onwaarschijnlijk, schrijft Romano, dat zijn ziekte hem eronder krijgt. Hitchens noemde zijn eerste bundeling artikelen Prepared for the Worst, reken maar dat hij dat nu ook is.
Het wringt, ziekte associeer je niet met Hitchens. Hij is een aanwezige verschijning, een beroepscharmeur. Hij ziet eruit als de foute professor van de faculteit. Buikje, shirt één knoopje te veel open, quasi-bohémien lang haar, meestal met een borrel of een sigaret in zijn hand. Ik ontmoette hem één keer en toen hij afscheid nam zei hij: 'Keep it real, brother.’
Het nieuws van Hitchens’ keelkanker komt een paar weken na het verschijnen van zijn memoires, Hitch-22, waar de Angelsaksische literaire bijlagen en blogs vol van staan. Het opmerkelijke is dat in Romano’s artikel een volkomen andere Hitchens verschijnt dan in, bijvoorbeeld, het lange artikel van Michael Weiss, in The New Criterion, of dat van Ian Buruma in The New York Review of Books. Voor de een is hij een verrader van de Linkse zaak en liep hij over naar het bellicose kamp van Bush, voor de ander diskwalificeert hij zijn intellectuele status door volkomen niet-empathisch te schrijven over religieuze mensen, voor weer een ander is hij de auteur van doordachte portretten van George Orwell, Thomas Paine en Thomas Jefferson. Iedereen heeft zijn eigen versie van Hitchens, en met zijn Hitch-22 lijkt de provocateur niet van plan één versie van zichzelf te maken.

HET IS NIET gemakkelijk uit te leggen wat voor intellectueel Christopher Hitchens nu precies is en wat hem beweegt. Hij is niet op één wereldverklaring vast te pinnen. Hij schreef polemische pamfletten tegen mensen uit het hele spectrum, van Henry Kissinger (oorlogscrimineel) tot Bill Clinton (aanrander) en Moeder Theresa (vriend van despoten). Het geeft Hitch-22 ook iets onmogelijks; zodra je denkt vanuit een standpunt een volgend standpunt te kunnen verklaren, zit je mis. Na Khomeini’s fatwa tegen Salman Rushdie, die daarna regelmatig bij Hitchens onderdook, begon Hitchens zijn kruistocht tegen alles wat met georganiseerde religie te maken had (wat uitmondde in zijn bestseller God Is Not Great, 2008). De kern van zijn redeneertrant: 'Noem een goede daad die een gelovige zou doen, die een niet-gelovige niet zou doen. En bedenk dan eens alle slechte daden die in naam van geloof zijn begaan.’ Maar tegelijk met dit boek ging hij in zee met het buitenlandbeleid van de regering-Bush die, wat de president zelf toegaf, uit Bush’ christelijke vorming voortkwam. Zijn leven lang fulmineerde Hitchens tegen het martelen van politieke gevangenen - hij onderging het waterboarden zelf en schreef er een berucht stuk over in Vanity Fair - en tegelijk is hij persoonlijk bevriend met Rumsfelds voormalige staatssecretaris Paul Wolfowitz, een van de meest onscrupuleuze aanstichters van de Irakoorlog.
Dat onvoorspelbare schuiven tussen uitersten is iets wat Hitchens al sinds zijn eerste dagen aan Oxford doet, toen hij lid werd van de trotskistische Internationale Socialisten. En het is waarschijnlijk de reden van zijn aantrekkingskracht: het is goed mogelijk om hem het ene jaar vreselijk te vinden en het jaar daarna als voorvechter te treffen van jouw eigen idealen. De meeste mensen lezen Hitchens niet, ze volgen hem. Twee jaar terug was hij in Nederland om God Is Not Great te promoten; wie hem zag debatteren zag zijn talent. Het ene moment is hij een en al charme, zelfverzekerd grappig, met een rustige, parodiërend heroïsche manier van spreken - 'I beg to differ’, of: 'Well then, allow me to retort’ -, het andere moment klapt hij die charme als een valluik weg en is hij fel en onmogelijk principieel. Hij kan dit twee, drie keer doen in een tijdsbestek van een paar minuten zonder ongeloofwaardig te worden, de reden dat hij het op tv zo goed doet. Of je het nu met hem eens bent of niet, hij blijft een attractie. Of zoals The New Yorker opmerkte in een profiel van 2006: 'Het is alsof hij permanent aan het solliciteren is naar de rol van ceremoniemeester.’
HITCH-22 BEGINT met het huwelijk van zijn ouders, waarin zo ongeveer het hele kleinburgerlijke drama van het naoorlogse Engeland ligt opgesloten. Christopher was het eerste kind, geboren in 1949, van moeder Yvonne en vader Eric Hitchens, die even liefdevol als ironisch The Commander werd genoemd. Vader Hitchens had in de Tweede Wereldoorlog gediend als marineofficier en had in 1943 het nazi-schip de Scharnhorst tot zinken gebracht - 'a better’s day work than I ever had one’. De oorlog was het hoogtepunt van zijn leven, het enige moment dat hij wist wat hij aan het doen was, verzuchtte vader later in een spaarzaam moment van openhartigheid. Maar de naoorlogse tijd liet de belofte van het winnen van de oorlog onvervuld: het Britse empire ging teloor, de rol van de ooit glorieuze marine werd kleiner (tegen zijn zin werd The Commander door de marine wegbezuinigd).'We won the war - or did we?’ was zijn dooddoener over de toestand van Engeland. De zwijgzame Commander vulde zijn werkdagen met boekhoudkundige klusjes en half verborgen alcoholisme.
Tegenover zijn vaders conservatieve wrok stond het kansloze optimisme van Hitchens’ moeder, die hoopte op een life less ordinary. Wat Yvonne wilde was de metropolis, cocktailfeestjes met vrienden, naar het theater, mode en 'witty conversation’, maar wat ze kreeg was een leven in provinciedorpjes in de buurt van marinekazernes. Ze probeerde een paar keer enigszins hippe modeboetiekjes te openen, maar deze gingen al snel over de kop omdat er te weinig hippe mensen in de dorpjes woonden. De enige keer dat Yvonne de auto kreeg om wat tijd voor zichzelf te nemen, na afloop van een vakantie in Devonshire, werd ze prompt aangereden en zat ze een dag later met een nek-brace om weer thuis.
De hoofdstukken over Hitchens’ ouders zijn de mooiste in het boek, al is het alleen maar vanwege de invoelendheid waarmee Hitchens beschrijft hoe hartverscheurend het is om het leven van je ouders te zien mislukken. Tegelijk vormt het drama van zijn ouders het fundament van zijn latere politieke gevechten: van zijn vader leerde hij hoe hardnekkig ressentiment in elkaar zit, van zijn moeder hoe gevaarlijk de wanhoop van de petit bourgeois is. Want uiteindelijk probeerde Yvonne zich vrij te maken, met alle gevolgen van dien. Christopher liep haar tegen het lijf in Oxford, tijdens het winkelen, met een wat fondante meneer die haar tassen vasthield. Haar minnaar. Ze had The Commander verlaten en was gevallen voor een voormalige dominee, meneer Bryan, die nu een devoot volgeling was van Maharishi Mahesh Yogi. Tijdens een lunch vroeg Yvonne ijverig Christophers goedkeuring, die hij - dit waren de non-judgmental seventies - gaf. Hij pestte haar wat, of ze ook mediteerde, of ze een mantra had. Ze moesten er allebei om lachen. Kort daarna werd hij opgebeld door een ex-vriendin met het bericht dat de BBC meldde dat ene meneer Bryan en ene mevrouw Hitchens dood gevonden waren in een hotelkamer in Athene.
De manier waarop Hitchens zijn reis naar Athene beschrijft, om zijn moeders lichaam op te halen, illustreert waarom hij vandaag de dag een intellectuele superster is: een perfecte combinatie van journalistieke observatie en persoonlijke betrokkenheid. Hij registreert de dictatoriale uitwassen van Griekenland in die tijd, ziet de door de VS aangeleverde grauwe tanks staan, bezoekt studenten met kogelwonden die niet naar het ziekenhuis durven te gaan omdat ze daar gearresteerd zouden worden. Hij beschrijft de absurde ontmoeting met de lijkschouwer, die optrad in de jaren-zestig-cultfilm Z. die Hitchens als puber vele malen had gezien, en beschrijft hoe hij op de Britse ambassade een Labour MP ontmoet die de junta goedpraat. Vervolgens komt hij onvermijdelijk in de hotelkamer waar zijn moeder en haar minnaar zelfmoord pleegden. Hij ziet de telefoon van de haak liggen en hoort dat ze nog geprobeerd heeft hem te bellen. En terwijl hij zich wegdraait van de lijkschouwer en de politieagenten omdat het hem te veel wordt - de vraag: als ik had opgenomen, had dat iets veranderd? - ziet hij voor het eerst de Akropolis staan en beseft dat hij niet naar een ansichtkaart kijkt; Perikles, Sophokles, Phidias, dat dat zich dáár allemaal heeft afgespeeld.
Ergens halverwege Hitch-22 merkt Hitchens op dat hij het nooit in zich had om romanschrijver te worden, ergens miste hij de fonkel. Je bent geneigd hem deze keer niet te geloven.

ZO INTEGER EN niet-ironisch als hij over zijn ouders schrijft, zo moeizaam laat hij elders in het boek de donkere krochten van zijn geest zien (ook al bekent hij een zwakte voor Freud te hebben). Zo spreekt hij met geen woord over zijn eigen twee huwelijken en vind je zijn kinderen alleen in een voetnoot. Hij schrijft niets over verliefdheid of over zijn affaire met Anna Wintour, de beruchte hoofdredactrice van modegigant Vogue, maar bespreekt wel zijn adolescente ambivalentie jegens het mannelijk geslacht (hij zou met tenminste twee latere ministers uit Thatchers kabinet in bed zijn beland). Hij schrijft het pesterig cryptisch op, een beetje om de homoseksualiteit op Britse kostscholen te bespotten, maar vooral om zich als een Charles Ryder te presenteren, uit zijn geliefde Brideshead Revisited van Evelyn Waugh, romantisch verstrooid, vol ongefocust zelfbesef.
Op Oxford was hij een ster, grappig en vilein, gevreesd bij debatten en omgeven door de juiste vrienden. Volgens een Clinton-biograaf was Hitchens in de kamer waar de latere president zijn beroemde eerste joint rookte ('maar niet inhaleerde’); Hitchens kan het zich niet herinneren, hij meende dat Clinton meer van de space-cakejes was. In zijn laatste jaren op de universiteit sloot hij zijn doorslaggevende vriendschappen, eerst met de dichter John Felton, daarna met Martin Amis, de zoon van de grote auteur Kingsley Amis. Dit is het moment dat hij arrivé is; na de universiteit vormde dit trio een wekelijks lunchgroepje, aangevuld door de jonge schrijvers Julian Barnes, Ian McEwan, Salman Rushdie en andere jongens uit de journalistieke en literaire wereld - 'our Little Bohemia’ noemt Hitchens de vrijdaglunch.
Het merkwaardige is dat deze vriendschappen in feite het intellectuele dieptepunt van Hitch-22 vormen, iets wat Hitchens zelf volledig ontgaat. Hij stelt onomwonden dat de wekelijkse lunch 'het potentiële materiaal zou worden voor een nieuwe Bloomsbury-legende’ - maar waar de Bloomsbury-groep zich daadwerkelijk in de kunstzinnige avant-garde bevond, blijken de lunchende heren vooral bezig met roddels, seks-anekdotes en hun voorliefde voor zomerkamp-melige woordspelletjes waarbij het zaak is, bijvoorbeeld, om het woord 'man’ in film- en boektitels te vervangen door 'cunt’. Het levert A Cunt for All Seasons, The Cunt Who Shot Liberty Valance, Batcunt en Supercunt op. De groep is dit niet ontgroeid. Hetzelfde spelletje duikt op in The Pregnant Widow, de onlangs verschenen roman van Martin Amis (waarin een nauwelijks gecamoufleerde versie van Hitchens verschijnt). In een kort artikel in The New Yorker van 28 juni wordt beschreven hoe Rushdie en Hitchens elkaar tijdens een etentje vermaken, deze keer door 'heart’ te vervangen door 'dick’: 'Mel Gibson in Bravedick!’ roept Rushdie uit.
Mondjesmaat geeft Hitchens toe dat het een enigszins corporale lolligheid is, maar hij voert het ook op als bewijs voor de 'linguïstieke genialiteit’ van Amis en de anderen - wanneer het om zijn vrienden gaat is geen adjectief te groot. Dat is een pluspunt van Hitch-22, dat de auteur liever stilstaat bij zijn grote vriendschappen dan bij zijn grote vijandschappen, maar het geeft ook een beeld van hoe persoonlijke relaties zijn oordeel vertroebelen. Dat is menselijk, maar ook hypocriet. Bijvoorbeeld wanneer je bedenkt dat Hitchens tot vervelens toe de seksuele moraal van Bill Clinton aanvalt, om vervolgens de veelgehoorde klachten over het flagrante seksisme van Amis te pareren door naïef te zeggen dat hij zo lief voor zijn dochter is.

HITCHENS’ ENTREE in deze vriendengroep viel ongeveer samen met een periode waarin hij zich steeds verder verwijderd voelde van zijn oorspronkelijke linkse sympathieën. Hitchens geeft politieke argumenten voor zijn verrechtsing: van oudsher geloofde hij dat de problemen van Engeland voortkwamen uit een institutioneel en economisch ancien régime, een regerende klasse die vooral voor zichzelf zorgde. Maar eind jaren zeventig was juist het regerende Labour de 'status-quo-partij’ geworden, schrijft Hitchens: cynisch, corrupt, bang voor technische innovatie. Meer en meer kwam hij tot 'een stringent marxistische conclusie’ dat als Links de 'ossificatie’ van het verleden niet kon doorbreken, die 'historische taak’ bij het nieuwe 'dynamische Rechts’ zou liggen. En daar kwam net mevrouw Thatcher op, die niet alleen het achterhaalde syndicalisme van de vakbonden brak, maar ook de strijd aanging met allerlei vastgeroeste maatschappelijke elementen: The House of Lords, de Anglicaanse kerk, de universiteiten en zelfs het koninklijk huis. Bovendien was het Thatcher die de 'broodnodige constitutionele revoluties doorvoerde in de donkerste uithoeken van het oude Britse Rijk’, Noord-Ierland en Rhodesië, waar Labour te angstig voor was geweest. Hitchens haast zich te zeggen dat zijn voornaamste reden om in 1979 voor het eerst geen Labour te stemmen niet met Thatcher van doen had (die hij nooit helemaal vertrouwde), maar voortkwam uit zijn woede op de Labour-minister voor Noord-Ierland, die het martelen van politieke gevangenen goedpraatte - een episode die te veel Britten naar zijn smaak zijn vergeten.
Hitchens schrijft er bevlogen over, en toch is het moeilijk voor te stellen dat zijn verrechtsing uitsluitend politieke oorzaken had. Want het speelde zich af in een periode waarin hij steeds vaker op tv kwam (zoals Gore Vidal hem toefluisterde: 'One should never miss a chance either to have sex, or to appear on tv’), voor steeds meer bladen schreef, lid werd van chique drinkclubs (The Colony Room) en door de éminences grises uit het vak mee uit eten werd genomen. Daarin glinstert iets, tussen de regels, wat ook met zijn verrechtsing te maken moet hebben. Op Hitchens is namelijk dezelfde kritiek van toepassing die ook op zijn grote voorbeeld George Orwell wordt gegeven, namelijk dat zijn 'democratisch socialisme’ niet voortkwam uit zijn liefde voor de werkende klasse maar uit zijn afkeer van de elite. Als kind uit de net-niet-upperclass haatte hij de alledaagse tirannie van de strikte hiërarchie op de Britse kostscholen en universiteiten (die Orwell beschreef in zijn beroemde essay Such, Such Were the Joys, door Hitchens herhaaldelijk geciteerd) en dat vertaalde zich politiek naar een afkeer van het 'pestkoppengedrag’ van de VS en Groot-Brittannië jegens de Tweede en Derde Wereld. (En zoals Orwell zelden met veel sympathie over arbeiders schreef, zo lijken ze in de wereld van Hitchens niet eens te bestaan. Zelden figureert de 'gewone man’ in zijn artikelen. Als hij de Argentijnse junta bezoekt, beschrijft hij nergens het leven van de onderdrukte Argentijn, maar leest hij gedichten voor aan Jorge Luis Borges.)
Het is speculatief, maar je ontkomt bijna niet aan het idee dat wanneer Hitchens, bij wie het politieke en het persoonlijke altijd door elkaar lopen, eenmaal in de journalistieke elite is genesteld - zijn lunchgroepje pochte dat zij het gros van de Britse boekenpagina’s 'controleerden’ - die hiërarchie hem best blijkt te bevallen, en dat socialisme ineens een stuk minder relevant is. In zijn Letters to a Young Contrarian (2000), een bundel brieven aan zijn jongere zelf, staat Hitchens stil bij het pejoratieve etiket 'elitist’: na het zien van een opiniepoll waaruit bleek dat een groot deel van het Amerikaanse volk zich zelfs na het Lewinsky-schandaal 'moreel inferieur’ voelde aan de Clintons, wenst hij uitsluitend nog tot de elite te horen.
WAT BEWEEGT HITCHENS? Maar weinig recensenten weten echt raad met die vraag, zo bleek. Veel van de recensies van Hitch-22 gingen niet over Hitch-22, maar waren voor zijn criticasters de kans nog eens in debat te gaan over zijn steun aan de Irakoorlog of over zijn ferme antigodsdienststandpunt. Ian Buruma wees in The New York Review of Books van 15 juli op iets interessants, namelijk dat Hitchens’ sleutelteksten My Country Right or Left van George Orwell (1940: Orwells patriottische bezinning op de naderende Tweede Wereldoorlog) en het gedicht September 1, 1939 van W.H. Auden zijn: 'Defenseless under the night/ Our World in stupor lies.’
Beide teksten gaan over plichtsbesef, op het moment dat de wereld dreigt te veranderen. Buruma citeert Hitchens als hij op Oxford net lid is geworden van de Internationale Socialisten, anno 1968: 'If you never had the experience yourself of feeling that you are yoked to the great steam engine of history, then allow me to inform you that the conviction is a very intoxicating one.’ Hitchens is zich altijd bewust van het gegeven dat je op de 'grote stoomtrein der geschiedenis’ staat; hij wil kortom weten hoe het gevoeld moet hebben om op 1 september 1939 een Brit geweest te zijn. Voor hem was 11 september 2001 zo'n moment. Maar volgens Buruma is het meer dan een inschattingsfout om Bush’ war on terror gelijk te zien aan de oorlog tegen het nazisme. Hitchens echter, de notoire atheïst, is op zoek naar een zaak om in te geloven. Net zoals The Commander ooit deed.
Buruma bedoelde dat commentaar ironisch, maar tegelijk schuilt het succes van Hitchens erin. Het is een post-ideologisch idealisme (excuus), een soort case by case-idealisme waarmee de auteur zich in een snel veranderende wereld steeds opnieuw tot de veranderingen probeert te verhouden. Dat is de paradox, de 'Catch-22’ waar Hitch-22 een toespeling op is: Hitchens is de romantische radicaal die pragmatisch opereert - eigenlijk meer Obama dan Bush. Links kan hem binnenkort misschien toch weer in haar rangen verwachten.

Hitch-22, Twelve, 435 blz., € 24,99. Nederlandse vertaling in januari 2011 bij Meulenhoff

Lees ook: ‘Het meest extreme mag hier niet de norm worden



Biografie Christopher Hitchens
1949 Geboren in Portsmouth.
1966 Begint zijn studie aan Balliol College, Oxford.
1967 Zegt uit onvrede over de Britse steun aan de Vietnamoorlog zijn lidmaatschap van Labour op en wordt lid van de Internationale Socialisten.
1981 Verhuist naar de Verenigde Staten en wordt columnist voor het linkse blad The Nation. Schrijft aanvallen op Ronald Reagan,
George W.H. Bush en het buitenlandbeleid
van de VS.
1987 Figureert ongevraagd als drinkende, liegende journalist in Tom Wolfe’s grote jaren-tachtigroman The Bonfire of the Vanities.
1992 Krijgt een column in de kwaliteitsglossy Vanity Fair. Schrijft over onder meer James Joyce, waarom vrouwen geen gevoel voor humor hebben en de culturele geschiedenis van fellatio, laat zich waterboarden en ondergaat wellness-therapie.
1994 Publiceert The Missionary Position, een polemiek tegen Moeder Theresa.
2001 Publiceert The Trial Against Henry Kissinger.
2003 Spreekt zich uit voor de Irakoorlog, zegt zijn column in The Nation op.
2007 Wordt genaturaliseerd tot Amerikaan.
2007 Wint de National Magazine Award voor zijn columns in Vanity Fair.
2008 Publiceert God Is Not Great, dat de eerste plek op de New York Times-bestsellerslijst haalt. Publiceert kort daarna The Portable Atheïst: Essential Readings for the Nonbeliever (van Spinoza tot Ayaan Hirsi Ali).
2010 juni Publiceert Hitch-22.
2010 juli Wordt gediagnosticeerd met keelkanker en onderbreekt zijn book tour om chemotherapie te ondergaan.