Peter de wit

Peter de Wit krijgt op 10 oktober in Den Bosch tijdens de Stripdagen de Stripschapprijs 1999. Sinds 3 januari 1994 verschijnt zijn strip ‘Sigmund’ op de laatste redactionele pagina van de Volkskrant. Tussen het weer, de puzzel en de Volkskeuken. Goed voor een korzelig lachje, vijf ochtenden per week. Dag in, dag uit.(

ER IS VAN ALLES mis met het uiterlijk van striptekenaar Peter de Wit. Hij is lang, slank, donkerharig, hij heeft twee stralende ogen en tot voor kort droeg hij geen bril. Nu wel, en dat is niet alleen maar om intellectueel meer indruk te maken. Het is de eerste stap van De Wit om meer te gaan lijken op z'n bekendste stripfiguur, de kleine, dikke, kale, eenogige, gebrilde pseudo-psychiater Sigmund. Het minuscule ringbaardje komt volgend jaar. In de haaruitval is al voorzien. Dikker is hij sinds kort ook aan het worden. Maar zo klein als Sigmund? Daar gaan nog wel wat jaartjes krimpen overheen. Het is bekend dat striptekenaars hun beste stripfiguren niet zelf tekenen, maar dat ze erdoor getekend wórden. Ware stripkarakters gaan niet alleen hun eigen leven leiden en een eigen wereld om zich heen vormen, ze schijnen ook een geheimzinnige invloed uit te oefenen op hun makers, die steeds meer gaan lijken op wat eens hun schepping was. Het bekendste voorbeeld is natuurlijk Marten Toonder, die begon als een slimme, rationele, opportunistische Tom Poes, maar van lieverlede steeds meer de bakkebaarden en de overige trekken van een gevoelige, onhandige, filosofisch en poëtisch ingestelde Heer Bommel aannam. Een soortgelijke ontwikkeling maakte de Shakespeare van de strip, de Amerikaan Will Eisner, door. In zijn jeugd had hij nog wel iets van zijn viriele maar onbenullige stripheld, de Spirit - lang, sterk, jong - maar naarmate de jaren verstreken ging hij zich steeds meer vereenzelvigen met de bijna kale, kleine, opvliegende en warrige commissaris Dolan, die telkens door de Spirit uit de nesten moet worden gehaald. Zo ook Bill Watterson. Eens moet hij op het ondeugende jongetje Casper hebben geleken, maar uiteindelijk identificeerde hij zich zo met diens apathische fantasietijger Hobbes dat hij de tekenpen nu heeft stilgelegd. PETER DE WIT is nog niet zover. Hij is pas 42 en hij kan nog een heel stuk groeien. Of krimpen. Zijn Sigmund-strip is een groot succes in de Volkskrant. ‘Geen dagstrip heeft de gemoederen van Volkskrantlezers zo verhit’, vermeldt de achterflap van de eerste gebundelde 'sessie’. Dat is niet zo moeilijk, want sinds Pa Pinkelman van Godfried Bomans en Carol Voges (1945-1949) en Heer Bommel in de jaren zestig heeft de Volkskrant nooit meer een eigen Nederlandse dagstrip gehad en moesten stripliefhebbers het doen met het Finse nijlpaard Moem en de uitgesleten Tovenaar van Fop. Het is dan ook op zich al een geweldig succes voor De Wit geweest dat hij tot de pagina’s van de Volkskrant heeft weten door te dringen. Naar zijn zeggen nadat hij kon laten zien dat zijn psychiatertje er bij een Belgische krant was uitgegooid omdat de lezers hem te cynisch en kwaadaardig vonden. Sigmund is inderdaad een keihard mannetje. Hij doet niet z'n best om Amerikaanse collega’s over te schrijven en daardoor zijn lezers een beetje optimisme en levensblijheid te bezorgen. Het gaat hem om geld, soms een klein beetje om seks en altijd om zijn eigen ego. Zonder zielige patiënten om zich heen voelt hij zich eenzaam en wordt hij zelf zielig. Hij is in zijn nopjes als hij anderen in de maling kan nemen, voor schut kan zetten of een poot kan uitdraaien. Hij is geen hulpverlener, maar de strip geworden angst voor een hardvochtige vader die je de waarheid zegt, je met de feiten van je eigen bestaan confronteert en je vervolgens de straat opschopt om het verder zelf maar uit te zoeken. EEN HEEL LEGERTJE interviewers heeft Peter de Wit ernaar gevraagd. Waarom een psychiater? Welke schokkende gebeurtenis, interessante jeugdervaring, pijnlijke vernedering heeft de ogenschijnlijk zo vrolijke en minzame jongeling in de armen van die oude, grijnzende Sigmund gedreven? Hij praat er met bravoure omheen. In het eerste en uitvoerigste interview (met Gerard van Westerloo, in Vrij Nederland van 16 november 1996) zegt hij nog vagelijk dat hij dat mannetje 'in een sombere bui’ heeft bedacht. Zo'n bui heeft hij een paar keer per jaar, dan vraagt hij zich af 'of dit nou z'n leven is’. Op een keer ging hij, droefgeestig en wel, aan zijn tekentafel zitten en toen gebeurde het. Er verscheen een klein mannetje. 'Dokter’, schreef hij op, 'ik wil zelfmoord plegen.’ En toen zei dat mannetje: 'Oké, ga je gang.’ Hij schrok er zelf van, hij was, vertelde hij aan Van Westerloo, meteen van die somberheid af, maar hij zat voortaan voor altijd aan dat akelige, autoritaire rotmannetje vast. Nog altijd weten we niet waarom Peter de Wit toen zo somber was, maar er vallen wel gissingen te maken. Hoe jong hij ook is, voordat dokter Sigmund zich aan hem opdrong, tekende en schreef hij al twintig jaar strips in alle vormen en formaten, vooral voor het onlangs opgeheven, laatste Nederlandse stripblad dat in zijn veertigjarige soms bloeiende, soms moeizame bestaan achtereenvolgens Pep, Eppo, Wordt Vervolgd, SjoSji en Striparazzi heeft geheten. Twintig jaar lang heeft hij voor dat blad getekend, maar nooit in z'n eentje, altijd in een symbiotische samenwerking met Hanco Kolk, die samen met hem een studio in Amsterdam deelt. Nu eens gold Kolk als tekenaar en schreven ze de strip samen. Dan tekende De Wit weer iets dat ze samen hadden bedacht. In een fotostrip, Mannetje en Mannetje, traden ze allebei op in uiterst melige en voorspelbare avontuurtjes. Peter de Wit is op die foto’s lang, knap, met geprononceerd doorlopende wenkbrauwen en altijd in een donker pak, met een keurige stropdas. Hanco Kolk is veel kleiner, kalend, met een bril op, een vlinderdasje om en een pak in vreemde, clowneske ruiten. Als je die elementen handig door elkaar gooit krijg je precies onze dr. Sigmund. Van de verhalen die ze samen tekenden ben ik geen groot bewonderaar. De door hun samen bedachte en door Hanco Kolk getekende Gilles de Geus begon als een melige zeventiende-eeuwse struikroverstrip. In de loop van zeven albums groeide hij uiteindelijk uit tot de Asterix-imitatie die het altijd al had kunnen zijn, met voor mij volstrekt onherkenbare historische figuren als Willem de Zwijger, Alva en Erasmus in een weinig overtuigende rol: als psychiater avant la lettre. Soms zijn de scenario’s zo ingewikkeld dat je er helemaal niets meer van begrijpt. Blijkbaar werken er zoveel mensen aan mee dat de hele zaak Amerikaanse proporties is gaan aannemen en het onwaarschijnlijk is dat er vanwege de kosten ooit nog een vervolg verschijnt. Helemaal vreselijk vind ik De familie Fortuin, getekend door De Wit, maar oorspronkelijk door beiden bedacht. Dat is een soort Flodder-familie, met een foeilelijke dikzak van een moeder, een dronkaard van een vader en een heel stel - soms drie, soms zes, soms zeven - ettertjes van kinderen. Vooral bloot is de hele familie afgrijselijk om aan te zien en de grappen zijn net zo ordinair als waarover ze gaan. Maar het was wel de populairste strip in SjoSji, totdat de redactie de naam wilde veranderen in Aso & co om het nog meer op Flodder te laten lijken en De Wit er de brui aan gaf. Ergens in het begin van de jaren negentig is er een breuk ontstaan in de twee-eenheid Peter de Wit en Hanco Kolk. Ze tekenen niet meer samen, maar onder eigen naam. Kolk heeft opgang gemaakt met een serie Meccano die er trendy, experimenteel en intellectueel uitziet, en het volstrekte tegendeel is van die vulgaire Fortuin-familie. Er moet iets gebroken zijn in het gemoed van Peter de Wit. Hij zat aan zijn tekentafel en maakte zelfmoordtekeningetjes. Toen verscheen dat akelige mannetje aan hem, dat hij pas later dr. Sigmund heeft genoemd. Oorspronkelijk deed het hem te veel aan zijn voormalige compagnon denken. In de loop van vijf jaar is zijn tekenstijl drastisch veranderd. Ooit waren het ronde, slordige tekeningen à la De familie Fortuin, maar de plaatjes werden steeds abstracter, ongeveer in de stijl die Kolk in Meccano toepast. Vooral vrouwen zitten vaak fantastisch in elkaar geknoopt, als portretten van Picasso, tegelijk van voren en van opzij gezien, met borsten die als torpedo’s naar voren staan of als verlepte bladeren neerhangen, en met ingewikkelde combinaties van cirkels en driehoeken om de sexy kleding in enkele lijnen aan te kunnen geven. Dr. Sigmund is volwassen geworden. Een echte strip, die het dagblad draagt waar hij in verschijnt. De dokter is een eigen leven gaan leiden, verschijnt in tekenfilmvorm en kan zelfs driedimensionaal worden bewonderd. Maar of Hanco Kolk hem tekent of Peter de Wit, dat kan ik niet zien. Misschien tekent De Wit hem nu zoals hij zou hopen dat Kolk hem zou tekenen. Op de een of andere manier is de twee-eenheid in de geest blijven bestaan en misschien is Sigmund wel uitgevonden om met z'n harde commentaren daar een einde aan te maken. In elk geval heeft Peter de Wit nog een lange weg te gaan voor hij zich kan meten met z'n eigen kleine, hardvochtige en eenzame psychiatertje.