Peter Sloterdijk als atletisch denker

In zijn nieuwe boek Du musst dein Leben ändern schrijft Peter Sloterdijk dat de mensheid in een crisis is beland die zal leiden tot een catastrofe. Oefenen en ascese kunnen ons redden.

PETER SLOTERDIJK
DU MUSST DEIN LEBEN ÄNDERN
Suhrkamp, 723 blz., € 24,80

‘Het is volbracht!’ – dit kleine zinnetje moet tot de laatste flarden uit de rijke christelijke teksttraditie behoren die ook in deze postchristelijke tijden nog hier en daar herkend worden. Het zijn de laatste woorden die de gekruisigde Jezus uitspreekt, vlak nadat de soldaten zijn dorst hebben ‘gelest’ met een in azijn gedompelde spons. Het is de apotheose van het lijdensverhaal van Christus, tevens het stichtingsverhaal bij uitstek van het christendom; door zijn eindeloze symbolische herhaling heeft het de gelovigen soms wel twee millennia bij elkaar gehouden. Meteen na dit zinnetje is het eerste deel van het verhaal ten einde: Jezus boog zijn hoofd en ‘gaf de geest’.
Maar nu kunnen we in het nieuwste boek van Peter Sloterdijk lezen dat het betreffende zinnetje berust op een weliswaar uiterst geringe, maar in de kern niettemin zeer betekenisvolle afwijking van het origineel. Zoals bekend bestaan er vier bronnen van het lijdensverhaal, die elkaar gedeeltelijk overlappen of aanvullen maar ook tegenspreken. Christus’ laatste woorden worden alleen op de genoemde wijze geciteerd door Johannes. Maar diens tekst is in de gangbare westerse edities niet goed vertaald. En dat ten nadele van de impliciete geloofskracht die in het zinnetje schuilgaat.
De Griekse apostel zegt tetélestai – in het Latijn: consummatum est – wat volgens Sloterdijk, die onder meer klassieke talen heeft gestudeerd en daar ook regelmatig en diepgaand blijk van geeft, een vertaling vraagt waarin het actieve element veel krachtiger aanwezig is. In plaats van het passieve ‘het is volbracht’ zou ‘het is voor elkaar’, ‘het is gelukt’ of zelfs ‘doel bereikt!’ veel beter zijn. Er moet in die woorden iets licht triomfantelijks doorklinken. Want waar we hier mee te maken hebben is niet zomaar een executie als elke andere, het gaat volgens Johannes om het bewust ‘in vervulling laten gaan van de Schrift’, en dat noemt Sloterdijk in zijn creatieve, aan neologismen rijke Duits ‘een atletisering van de verlossingsdood’.
Die formulering mag verbazen, ze mag niet als barokke aanstellerij of een pesterige vorm van blasfemie worden gezien. Sloterdijk beschouwt Christus werkelijk als een atleet, dus als erfgenaam van een oude Griekse traditie van mensen die tot uitzonderlijke fysieke krachttoeren in staat zijn. Anders dan door de meeste cultuurhistorici wordt aangenomen ziet hij geen breuk maar een duidelijke continuïteit tussen de ‘heidense’ antieken en de christelijke wereld, juist op het cruciale onderdeel van de ascese.
De strenge middeleeuwse kloosterlijke en kerkelijke levenswijzen ziet hij als voortzetting van het atletische en filosofische ascetisme uit de Oudheid. Niet voor niets noemden de vroege monniken in de Syrische en Egyptische woestijnen zich ‘atleten van Christus’. Ook behandelt Sloterdijk, zowel hier als in het eerdere Weltfremdheit (1993), een boek met het karakter van een etude, de dood van Jezus nadrukkelijk als parallelgeschiedenis van de dood van Socrates, zoals beschreven door Plato. Beide verhalen schilderen oerscènes waarin het hoogst haalbare voor de oefenende mens wordt getoond: de emancipatie van de tirannie van de dood, de heroïsche vertaling van een moeten ondergaan in een kunnen volbrengen.
Maar met Jezus’ transformatie van toevallig slachtoffer van joods-Romeinse justitiële willekeur in uitvoerder van een goddelijke missie is de ‘acrobatische revolutie’ nog niet beëindigd. Het tweede deel van het verhaal, dat ook bij de collega-evangelisten van Johannes is te vinden, bevat zonder twijfel het sterkste en ongeloofwaardigste bravourestuk. Het voltrekt zich in de drie dagen tussen Goede Vrijdag en Paasmorgen, de dag waarop Jezus glorieus herrijst uit de dood.

Du musst dein Leben ändern, zoals het nieuwe boek van Sloterdijk heet, bevat talloze van deze navertellingen in eigen woorden, of liever: vanuit een nieuw, meeromvattend perspectief. Het boek haakt in op de veelbesproken heropleving van de religie in recente tijden, maar doet dat op een volstrekt andere manier dan gebruikelijk. De auteur zet zich niet af tegen de religie maar laat zien wat die in de gegeven omstandigheden te bieden had, letterlijk: welke feitelijke of symbolische bescherming kon ze bieden? Hoe kon ze het leven van de mensen enigszins verlichten? Wat niet wegneemt dat de effecten van zijn betoog spectaculair en ontluisterend gevonden kunnen worden, en niet alleen voor gelovigen.
Er waart – blijkens de eerste zin van het boek – andermaal een spook door de westelijke wereld, alleen gaat het nu niet om ‘het spook van het communisme’, zoals in 1848, maar om ‘het spook van de religie’. In 2007 heeft dat geleid tot twee van ‘de oppervlakkigste pamfletten uit de recente geestesgeschiedenis’, aldus Sloterdijk, namelijk die van Christopher Hitchens en Richard Dawkins. Die onverbiddelijke kwalificatie wordt even later gevolgd door een uitspraak die dan nog klinkt als uiterste bluf: de terugkeer van de religie is een sprookje, simpelweg omdat ‘religie’, in het enkelvoud en het meervoud, helemaal niet bestaat en zelfs nooit bestaan heeft. Bij de verschijnselen die daartoe worden gerekend gaat het in waarheid om iets heel anders, namelijk om spirituele oefensystemen.
Sloterdijk wil in dit boek ‘sprookjeskritiek’ bedrijven, zijn intenties zijn niet neerbuigend maar ronduit positief. Hij wil de angst voor spoken verdrijven en die vervangen door een ‘gefundeerde angst voor een reële vijand van al het bestaande’. Het lijdensverhaal van Jezus, ongeveer halverwege het boek, moet dus vanuit Sloterdijks meeromvattende perspectief worden gezien als het verhaal van een atleet, van ‘de eerste onder de acrobaten Gods’, oftewel als voorbeeld van iemand die erin slaagt ‘subject’ van zijn eigen leven te worden. Dat is iemand die zich heeft bevrijd uit een leven waarin hij louter gevormd wordt om op hetzelfde moment de overstap te maken naar een leven waarvan hij zelf vormgever is, al is dat altijd in hoge mate schijn, zeker in alle aangehaalde voorbeelden uit de premoderne tijd.

De auteur van dit tot verandering oproepende boek heeft ook zelf iets van een atleet, van iemand die niet terugschrikt voor de moeilijkste en gevaarlijkste zelfgestelde opdrachten. En meer dan eens heeft het er alle schijn van dat hij zijn eigen verwachtingen overtreft. Toen dit nieuwe boek een half jaar geleden werd aangekondigd was het nog begroot op de helft van de ruim zevenhonderd pagina’s die het nu blijkt te tellen. Dat zegt iets over het gemak waarmee Sloterdijk schrijft. Ik herinner me een uitspraak van lang geleden, ten tijde van zijn debuut, Kritiek van de cynische rede (1983), dat schrijven hem weinig moeite kostte: bij de juiste, ontspannen concentratie vloeiden de zinnen vanzelf uit zijn pen. In dat opzicht is zijn eigen werk de beste demonstratie van de in het nieuwe boek uitgewerkte stelling dat oefening kunst baart – ‘nulla dies sine pagina’ (geen dag zonder pagina), varieert hij een bekende uitspraak.
Intussen begint zijn oeuvre ook een enorme omvang aan te nemen. Na het Sferen-project (1998-2004), op zichzelf ruim voldoende voor een levenswerk, is dit alweer het vierde of het vijfde boek, enkele kleintjes niet meegerekend. Sloterdijk weerlegt in zijn eentje de veel gehoorde opvatting dat het tijdperk van de grote verhalen voorbij is. Ze moeten – zo zou je zijn intenties kunnen samenvatten – juist opnieuw verteld worden om inzicht in het verhaalloze heden te krijgen. In de traditie van de Angelsaksische analytische filosofie, die aan deze en gene zijde van de Atlantische Oceaan tot langdurige filosofische impotentie heeft geleid, lukt dat in elk geval niet. Boeiend in het nieuwe boek is de kritiek op de late Wittgenstein, die Sloterdijk voor een groot deel verantwoordelijk acht voor die impotentie.
Met de gangbare academische filosofie heeft Sloterdijks werk dan ook vrijwel niets gemeen, het sluit eerder aan op de literatuur. Dat blijkt, behalve uit het grotendeels literaire karakter van de door hem bewerkte bronnen, uit de genreaanduidingen die hij zijn boeken meegeeft: essay of roman. Zijn stijl is verhalend en associatief, ook al gaat het om een aaneenschakeling van compacte redeneringen. Van gewilde duisternis, zoals vaak wordt beweerd, is geen sprake. Explicietheid is juist het nadrukkelijke doel van zijn onderzoekingen. Filosofie is in zijn ogen vooral het expliciteren van teksten en praktijken door ze te recontextualiseren en zo hun algemene kern bloot te leggen. Hij is er altijd op uit gelovigen, denkers en kunstenaars beter te begrijpen dan ze zichzelf begrijpen. Dat kan vaak alleen met gebruikmaking van vergeten, aan collega-auteurs (hier bijvoorbeeld Foucault) ontleende of zelf geconstrueerde woorden, die de lectuur inderdaad kunnen bemoeilijken. Sloterdijk eist ook van de lezer de nodige oefening.
De titel van het nieuwe boek is ontleend aan het beroemde gedicht Archaïsche torso van Apollo van Rilke, waarvan hij de geheimzinnige slotregel is. Sloterdijk begint met een hoogst vindingrijke interpretatie van dit gedicht, dat hij symptomatisch vindt voor de Europese geschiedenis omstreeks 1900, die hij als laat-renaissancistisch typeert. De reden: de terugkeer van de atleet als sleutelfiguur van het ‘antieke somatische idealisme’. Dit is ook de tijd waarin de na-christelijke culturele verandering die omstreeks 1400 als filologische en artistieke Renaissance was begonnen in zijn massaculturele fase overgaat. Daarvan is de sport de duidelijkste manifestatie. Daarom is het logisch dat Sloterdijk de nieuwe Olympische Spelen, door Pierre de Coubertin als nieuwe religie bedoeld, aan een cultuurhistorische analyse onderwerpt.
De ondertitel van het boek geeft het perspectief aan van waaruit Sloterdijk naar religies kijkt: ‘Over antropotechniek’. Dat lijkt een typisch Sloterdijk-neologisme maar dat is het niet, zoals meestal in dit soort gevallen: het is een readymade waarvan de auteur de vindplaatsen keurig vermeldt. Het woord herinnert de lezer aan een nogal onverkwikkelijke, hoofdzakelijk op misverstanden berustende discussie naar aanleiding van Sloterdijks onverwacht geruchtmakende lezing Regels voor het mensenpark (1999). Kwaadwillige lezers die de woorden ‘telen’ en ‘selectie’ hadden opgevangen verweten de auteur toen dat hij gevaarlijk dicht in de buurt van de nazistische eugenetica kwam, hoewel Sloterdijk in werkelijkheid alleen uit de losse pols wat commentaar had gegeven bij een paar gedachten van Plato, Nietzsche en Heidegger.
Het veel gesmade woord ‘mensenproductie’ betekende in deze context niets anders dan het scheppen van de mens door eigen inspanning, dus door zichzelf. Nietzsche is voor Sloterdijk onder meer van zo grote betekenis omdat diens ‘Übermensch’ staat voor de mens van de toekomst die, na de dood van God, zoekt naar een geseculariseerde versie van de ‘verticale spanning’, een op zelfverbetering gerichte drang, waarvan het onmogelijk geworden woord ‘God’ de titel was. Zo iemand die zichzelf de hoogste doelen stelt, ontkomt er niet aan te oefenen. Alleen door dezelfde handeling telkens opnieuw uit te voeren kan de graad van perfectie bereikt worden waarvan de auteur in dit boek de nodige sterke staaltjes de revue laat passeren.
Oefenen en ascese, aldus Sloterdijk, betekenen hetzelfde. Wie tot de minderheid van atleten en artiesten wil behoren moet zich om te beginnen onttrekken aan de zuigende kracht van de passieve gewoonten en de verslavende hartstochten. Alleen dan wordt een leven in eigen beheer mogelijk en kan men, om met Valéry’s Monsieur Teste te spreken, de marionet in zichzelf doden. Die bewuste stap, waarvoor de stimulans van een goeroe, een filosoof, een leraar, een trainer noodzakelijk lijkt, impliceert een keuze voor de eigen verantwoordelijkheid en dus voor een ethisch leven. Het in de godsdienstgeschiedenis gebruikelijke woord ‘bekering’ slaat volgens Sloterdijk niet zozeer op de overgang van het ene geloofssysteem naar het andere, als wel op het afscheid van een passieve bestaansmodus ter wille van de intrede in een actief, een zelfactiverend, ofwel een ascetisch, oefenend bestaan.

Hoewel het historische karakter van het boek overweegt – zijn context omvat de geschiedenis vanaf de hoogculturen in Griekenland, het Midden-Oosten, Perzië, India en China van plusminus 800 voor Christus tot nu – verweeft Sloterdijk zijn beschouwingen regelmatig met verhelderende verwijzingen naar de actualiteit. Alleen aan het eind van het boek staat de actualiteit centraal. Dat de auteur een zekere reputatie geniet als onverbeterlijke optimist, soms zelfs als lichtzinnig provocateur, is hier niet meer zo makkelijk te zien; zijn diagnose krijgt inktzwarte, om niet te zeggen apocalyptische trekken.
De radicale afzondering, in vroegere eeuwen voorwaarde voor het oefenende bestaan, is onmogelijk geworden. Onder moderne condities is het andere uiterste favoriet: een leven waaruit elke verticale spanning is verdwenen, een leven gedicteerd door de massacultuur, die Sloterdijk typeert als kunst zonder ascese, een mengsel van simplificatie, respectloosheid en afkeer van elke normatieve voorstelling van hoogte. Snijdend is in dit verband zijn kritiek op de moderne kunst in het spoor van Duchamp en op het tot niets meer verplichtende, ambitieloze en volstrekt gedesoriënteerde onderwijs. Er is meer reden dan ooit om oude vormen van oefenen, zoals na de overdracht van de klooster- in de schooldiscipline gepraktiseerd in de vroegmoderne tijd, in ere te herstellen en nieuwe vormen uit te vinden. Alleen komt de bevelende autoriteit dat men zijn leven moet veranderen niet meer van religie of staat maar van de ‘globale crisis’, die de voorafschaduwing is van ‘iets onvoorstelbaars’, ‘de globale catastrofe’.
Overigens dateert Sloterdijk het begin daarvan uiteraard niet bij de recente economische crisis. Al in eerdere boeken heeft hij uitgebreid uit de doeken gedaan dat de globalisering al eind vijftiende eeuw is begonnen. Wat we nu meemaken, zegt hij, is enerzijds een steeds verdergaande integratiecatastrofe, die tot een hoogst instabiel en door ongelijkheid gekenmerkt geheel leidt; en anderzijds een steeds verdergaande desintegratiecatastrofe, die zich zonder radicale koerswending in de richting van een onvermijdelijke crash beweegt.
Die laatste catastrofe wordt uiteindelijk veroorzaakt door onze mateloze levensstijl, die berust op de blinde uitbuiting van eindige natuurlijke hulpbronnen. Van de regeringen van de rijke landen verwacht hij weinig goeds: hun inspanningen reiken niet verder dan ‘het behoud van arbeidsplaatsen op de Titanic’. Een scenario volgens de formule van de massacultuur ligt het meest voor de hand: ‘voorrang geven aan het amusement en voor het overige ervan uitgaan dat alles komt zoals het nu eenmaal komen moet’.

Het reddende alternatief voor dat massafatalisme ontwerpt hij op de laatste pagina’s, al is van meet af aan duidelijk dat het om een overvraging en een overbelasting gaat die slechts vergelijkbaar is met de oud-Europese van de Imitatio Christi. Overleven is in de huidige globale omstandigheden alleen mogelijk als we erin slagen onze lokale immuunsystemen, die ons beschermen tegen dodelijke aanvallen van buiten, weten om te vormen tot een macrosysteem van globale omvang dat niemand buitensluit. Dat verlangt een breuk met het klassieke denken in termen van vriend en vijand, het eigene en het vreemde, aangezien elk verder denken langs die scheidslijnen niet alleen catastrofale ‘immuniteitsverliezen’ voor anderen maar ook voor onszelf oplevert. Van een beschaafd mens, aldus de slotzin van het boek, wordt een niet gering besluit verwacht. Hij moet zijn leven veranderen: ‘in dagelijkse oefeningen de goede gewoonten van gemeenschappelijk overleven aannemen’.