15 september 1935 - 6 november 2010

Peter Vos

Tekenen deed hij ‘omdat het een drang is als nagelbijten’. En hij gaf graag cadeautjes. Peter Vos was een geboren tekenaar, met een voorliefde voor dieren.

DE DOOD kleeft aan alle kunst. Juist omdat kunst - fantasie, creatie - een teken van leven is, lijk je de echo van de kunstenaar nog scherper in zijn werk te voelen in de wetenschap dat de kunstenaar er niet meer is. ‘Voor Haar’, gezongen door de vroeg gestorven Frans Halsema, heeft een grotere tragiek omdat je weet dat de woorden niet zijn uitgekomen ('en als ik oud moet worden/ dan alleen met haar’). Opeens lijken de verhalen van Mulisch een diepere laag te hebben gekregen, een extra ingesloten wijsheid. Dit alles kan zich, natuurlijk, ook slechts in het hoofd van de toehoorder afspelen.
Enfin. Wie deze dagen in het Centraal Museum in Utrecht naar de tentoonstelling kijkt van de tekenaars Charles Donker en Peter Vos lijkt toch iets extra’s te zien in de fijne pentekeningen van Vos, die dit weekend overleed. Al die lijntjes, die eindeloze details - er spreekt een eindeloos plezier-in-je-werk uit. Doordat er geen nieuw werk bij zal komen, wordt dat plezier alleen maar groter.
In 1935 werd Vos geboren in Utrecht, in het Anton Pieckerige straatje Achter Sint Pieter, tussen de Dom en het Pausdam in. Zijn vader was Cornelis Vos, bijgenaamd 'Der Foeks’, journalist bij de Utrechtsche Courant, een luid pratende, drinkende, meestal krap bij kas zittende vaderfiguur die al snel het tekentalent van zijn zoon ontdekte. Vos ging naar de Amsterdamse Rijksacademie, waar hij nog vooral met grafiet werkte, om later over te stappen naar pen en penseel, waarmee hij zijn zo fijn gedetailleerde dieren kon tekenen (al die haartjes in hun vacht!), of juist de overvolle actietekeningen in de traditie van Gustave Doré, waar hij als kind al gek op was.
Der Foeks overleed al vroeg, toen Vos twintig was, maar fungeerde nog lang daarna als model. Misschien wel in een van zijn meest exemplarische tekeningen die in het Centraal Museum te zien zijn: Maraboe bij wijze van schoonvader, uit 1983. Een wit met grijze maraboe staat voor een lege achtergrond. Wat zie je? Het is een vogel, natuurlijk, maar het is ook onmiskenbaar een mens. De vleugels zijn als opgetrokken schouders, het hoofd zit weggestopt in de bontkraag. De donkere, ronde oogjes hebben iets rozigs, en zijn snavel lijkt een soort tevreden glimlach te tonen, als de vaste caféklant die in zijn regenjas voldaan tegen de verwarming aan zit, achter een glaasje jenever.
Zo zijn er meer tekeningen: Terathopius ecaudatus uit 1981 (penseel), een Goochelaar die nors om zich heen kijkt, zijn vleugels achter zijn rug, de pose van een kleine, narrige generaal. Of Konijne-Uiltje uit 1988 (droge naald), een uil waarvan het ronde hoofd met een genoegzame blik wegzakt in het zachte, vierkante bovenlichaam. Moeilijk om niet aan Joop den Uyl te denken.
Vanuit de Academie kwam Vos terecht bij Propria Cures, en daarna bij Vrij Nederland. Hij werd vrienden met mensen als Joop van Tijn en Rinus Ferdinandusse. Bewust of onbewust werd hij een van de kunstzinnige boegbeelden van de 'zondagsgeneratie’ (H.J.A. Hofland), of 'breuklijngeneratie’ (Annejet van der Zijl), de generatie die door haar jonge leeftijd ongetraumatiseerd de oorlog doorkwam, maar genoeg geïmpregneerd was met de bezetting om op progressieve waarden aan te dringen. Of eigenlijk kwam Vos hier net achteraan, zoals Annejet van der Zijl beschrijft in haar boek Jagtlust, over de Gooise kunstenaarskolonie in het gelijknamige buitenhuis. Vos maakte begin jaren zestig zijn entree op Jagtlust, in de periode dat het 'artistieke armoeleven en de onbeheerste uitspattingen’ voorbij waren, en de kunstenaars door verantwoordelijkheden en kinderen gedwongen werden ook eens wat geld te gaan verdienen. Hij verscheen op het toneel als de acht jaar jongere minnaar van Fritzi Harmsen van Beek, de grillige dichteres die als een soort femme fatale rondging in kunstenaarskringen.
Vos was jong, zachtzinnig, levendig, met een enorme bos krullen. 'Peperi Fox’, noemde Fritzi hem. In eerste instantie zorgde zijn huiselijke instelling ervoor dat het rustiger werd op Jagtlust; het leven van Fritzi raakte, tot plezier van haar uitgevers, georganiseerd. Maar juist die behulpzame kant stootte Fritzi - de vrouw die niet gered wilde worden - af en het einde van Vos’ optreden in Jagtlust schetst Van der Zijl in een eenzame scène bij de vijver. Vos stond daar met De 100 reigers, een boek met tekeningen die hij als verjaardagscadeau voor Fritzi had gemaakt. Zojuist had Vos vernomen dat Fritzi met Hugo Brandt Corstius zou hebben aangepapt. Langzaam trok Vos het reigerboek uit elkaar, bladzijde na bladzijde, en liet het in de vijver vallen.
Het is niet duidelijk of dit beeld apocrief is of niet. Fritzi Harmsen van Beek heeft de affaire met Brandt Corstius wel eens ontkend, en vice versa. Maar het is een mooi beeld, van een goedbedoelende, kwetsbare man. Hij zou ’m zelf getekend kunnen hebben. In verschillende in memoriams door mensen die hem gekend hebben, herken je het beeld: de vrolijkheid zelve, maar ook een verlegen, bijna schuw mens, die dat camoufleerde met drank of humor of beide.
Na Jagtlust vertrok Vos naar Amsterdam, trok in bij Renate Rubinstein (wier boekomslagen hij steevast ontwierp) en woonde daarna op verschillende plekken, meestal niet te ver bij zijn thuisstad Utrecht vandaan. Het werk verscheen in steeds grotere regelmaat, veel omslagen van boeken, veel tekeningen in Vrij Nederland, en hij werd huistekenaar van Hollands Weekblad, later Hollands Maandblad. De prijzen kwamen. Zilveren Griffel, Gouden Penseel, Oostingsprijs, Ton Smitspenning. Vrijwel tot aan zijn dood bleef Vos tekenen 'omdat het een drang is als nagelbijten’, en omdat tekeningen 'zulke fijne cadeautjes om te geven zijn’.

Charles Donker en Peter Vos, Centraal Museum Utrecht, tot 9 januari 2011