19 mei 1926 – 30 juli 2009

Peter Zadek

Hij krabde vastgekoekte uitvoeringstradities uit de potten en de pannen van het Duitse toneel. Peter Zadek regisseerde voor gulzige mensen, waarvan hij er zelf een was. Bij de dood van een Maestro.

PETER ZADEK, een toneelleven in vogelvlucht. Geboren in Berlin-Wilmersdorf als kind van welgestelde joodse ouders. In 1933 emigratie naar Londen. Studie Duits en Frans in Oxford, niet afgemaakt. Studie regie aan de Old Vic School, niet afgemaakt. Regisseur van twee repertory-groepen in de Engelse provincie, 52 premières per jaar. In 1958 terugkeer naar Duitsland. Van 1960 tot 1967 huisregisseur in Ulm en Bremen, samenwerking met jonge toneelspelers als Bruno Ganz, Otto Sander, Edith Clever, Eva Mattes, Jutta Lampe, Ulrich Wildgruber, eerste leden van de in de loop van veertig jaar almaar uitdijende Zadek-familie. Met name in Bremen zijn het zijn ‘wilde’ jaren: fris herlezen, onrustig en vaak heftig geënsceneerde Duitse klassiekers en Shakespeares, dwars tegen de goede smaak in. Enige Zadek-regie in Nederland: Voorjaarsontwaken van Wedekind in Den Haag, 1966. Daarna heeft hij bijna ‘onze’ Joop Admiraal ontvoerd naar Duitsland, maar die wilde niet. Van 1972 tot 1977 intendant in Bochum. Daarna overal in Duitsland freelance regisseur tot 1985, met onder meer een geniale Othello. Van 1985 tot 1989 intendant in Hamburg, waar Zadek de eerste ongecensureerde uitvoering van Wedekinds Lulu brengt, een maatgevende opvoering. Vanaf 1989 twintig jaar achtereen vrij werkend regisseur, met als hoogtepunt Shakespeare’s Koopman van Venetië bij het Burgtheater in Wenen, de beste voorstelling die hij ooit maakte. Laatste regie: Major Barbara van Shaw in Zürich, voorjaar 2009. Gestorven in Hamburg.
Waarom is Peter Zadek in 1958 naar Duitsland teruggekeerd? Om te beginnen had hij in het Engelse toneel niks meer te zoeken. De daar aanbeden traditie was een moerassig knekelveld geworden waarop iedereen die boven het mistgordijn uit wilde kijken werd onthoofd. Zijn geliefde auteur Shakespeare was in het perfide Albion een fantoomridder te voet, deftig vèrzen sprrréékend in voice beautiful, waar Zadek enorm de pest aan had. In Duitsland was de toestand weliswaar niet beter – Schauspieler noemde hij consequent Sprechspieler, pratende Teutoonse hoofden die hun oorsprong (dans, mime, volkstheater) vergeten waren. Maar Duitsers durfden na de oorlog niet meer hoogmoedig te zijn (zoals de Engelsen), ze waren vooral bang, en in dat klimaat was er voor de joodse stokebrand Zadek werk aan de winkel. In gesprekken met de door hem bewonderde Fritz Kortner (1892-1970) ontleedde Zadek de wonden die de fascistische cultuurverwoesters in de jaren na 1933 in de Duitse (toneel)traditie hadden geslagen: de lege frasen, de pretentieuze gestiek, de clichés van tragische helden, het corrumperen van de Duitse taal, hoe die hol, pompeus en inhoudelijk leeg was gelepeld. Zijn Hamburgse collega Jürgen Flimm vatte de betekenis van Peter Zadek ooit kernachtig samen: ‘Zadek is de eerste Duitse regisseur die rigoureus en beslissend de nazistische esthetiek uit onze theaters heeft verjaagd.’ Hij zou het zelf niet zo programmatisch formuleren – Zadek werkte nooit volgens een vooropgezet plan en hij hoorde ook nergens bij – in de kern past die karakteristiek wel heel erg goed bij hem. Der Verderber (wat zijn koosnaam is geworden) was van oorsprong een fel scheldwoord tegen deze chaoot, die vuilspuiterij, ondergang en bederf kwam zaaien in het parket en de stalles van de Duitse burgerij.
Neem Shakespeare. Geen naoorlogse Duitse regisseur heeft zich zo uitputtend met de Engelse bard beziggehouden als juist Peter Zadek. Zo was daar in 1976 Othello, een voorstelling die in het Duitse toneel een legende is geworden. De nobele Moor werd hier gespeeld als een met schoensmeer zwart gemaakte nep-neger, die bij iedere omhelzing en handdruk stevig afgaf. Zadek vertelde: ‘Ik herinner me dat ik aan mijn moeder vroeg: mamma, als je een neger een hand geeft, geeft-ie dan af en krijg je die hand dan weer schoon? Bij dat soort vragen beginnen racistische ressentimenten. De traditie rond Othello is de traditie van een verkeerd soort nobelheid, de mystiek rond de edele zwarte man. In onze voorstelling speelt de acteur een fors gebouwde, intellectueel sterk achtergebleven en in de war geschopte piekeraar. Dwars tegen iedere Othello-traditie in.’
En zo was daar in 1988 Der Kaufmann von Venedig in Wenen, de derde keer dat Zadek het personage Shylock aan een grondig onderzoek onderwierp. De eerste keer (Ulm 1961) had de acteur geen boosaardig portret van Shylock willen spelen, omdat joden dat mogen en Duitsers beslist niet. De tweede keer (Bochum 1972) was de acteur van zichzelf een vriendelijke jood geweest die alles uit de kast haalde maar uiteindelijk van Shylock toch een edel slachtoffer maakte. Het leverde gedenkwaardige voorstellingen op, maar het was niet waar Zadek naar zocht. In Wenen, waar antisemitisme aan het eind van de jaren tachtig weer salonfähig was geworden, wilde Zadek van Shylock een zakenman onder de zakenmannen maken, hij ontnam de woekeraar zijn joodse trekken, hij liet hem op de beurs van Venetië rondwandelen in de kleding van de westerse arrivé die niet meer in zijn God gelooft. Hoewel zwaar vernederd in de processcène van het vierde bedrijf verliet Shylock (een messcherpe, kaalgeslagen en fabuleuze rol van Gert Voss) het slagveld als (morele) winnaar, niet als slachtoffer. De voorstelling was een doorslaand succes en werd maanden achtereen gespeeld naast Thomas Bernhards zwanenzang over de jodenhaat in het onderbewustzijn van de Oostenrijker, Heldenplatz.
Over zijn theater zei Peter Zadek ooit: ‘Ik droom van een theater dat moed geeft. Een theater voor hongerige, gulzige mensen, mensen voor wie theater geen delicaat dessert is, maar een levensnoodzakelijke maaltijd. Zonder theater redden we het niet in deze verwoeste beschaving.’