Petersburgse vertellingen

Een loodgieter die de afvoer van mijn badkuip moest vervangen vertelde mij dat de Vladimirkerk aan de overkant geen zuivere kerk is, omdat een non hem in de vorige eeuw heeft vervloekt. ‘Het is de ongelukkigste plek van de stad, met de ongelukkigste mensen’, zei de loodgieter en viste een lege wodkafles uit de opengebroken vloer.

Ik dacht het altijd al - ze ligt op zo'n onzuivere plek: om de hoek ligt de Kuznetsjny, de Paardesmitsmarkt, in het gebochelde Kuznetsjnysteegje, dat van oudsher het gepeupel aantrekt. Markten zijn bronnen van etnische onlusten, zeggen de Russen, want het zijn net mini-Sovjetunies met allemaal verschillende volkeren achter kraampjes. De Kuznetsjny is een vervelende markt, en veel te duur. Van een bezoek aan de Kuznetsjny wordt een mens niet vrolijk. Maar het echte gepeupel vind je pas om de Vladimirkerk zelf. Hier heeft zich een vlooienmarkt gevormd van dronkelappen en kreupelen die hun laatste vork verkopen voor een borrel. Daar wordt een mens ook niet vrolijk van, maar het is de moeite waard even langs te lopen, niet zozeer om deze expositie van de verworpenen der aarde als wel omdat er soms heel mooie vorken tussen zitten. De beste positie hebben de kreupelen ingenomen: bij de ingang van de Vladimir. Aan het eind van de dag zijn ze niet meer aanspreekbaar en hangen ze op hun sinaasappelkistjes in een tevreden roes terwijl de dieven - langs het verlichte hek van de kapel bieden zij hun waar aan; sieraden, horloges, sigarettenkokers - een graai doen naar hun onbewaakte bedelblikjes. De dieven leveren garantie: ‘Ik sta hier al tien jaar elke dag’, zei een oude tang schaamteloos toen ik een lantaarntje bij haar kocht. Om de hoek, bij de klokkentoren, staat een ingezakte rij notoire drinkers in het donker met het laatste waardevolle wat ze konden vinden: een paar sokken, een rol wc-papier, de laatste vork. Voor twaalf uur ’s middags is de lucht nog zuiver, daarna moet je je wapenen tegen de zure lucht van zweren en spiritus. Koop snel: de politie jaagt de markt elk half uur uiteen. De bedelaars worden nooit weggejaagd. Dat kan ook niet: sommigen lijken vast te zitten, zoals de drie oude vrouwtjes naast de bijbelkiosk. Dat zijn balen plastic op kistjes, alles is ingewikkeld met zakken en ingebonden met touwen en zo zitten ze daar, elke dag, te vloeken en te borrelen, ’s zomers glanzen ze in de zon als ballonnen en ’s winters worden het grote ronde sneeuwpoppen. Als je geld geeft steken ze een armpje uit vanonder de sneeuw. ’s Nachts zijn ze er niet. Ik vroeg me altijd af hoe die sneeuwhopen nog van die kiosk wegkomen, maar nu heb ik het gezien. Om elf uur ’s avonds laadde een jonge kerel de drie oudjes in een busje. 'Schiet op!’ commandeerde één van de sneeuwpoppen, 'anders komen we te laat!’ Weg vlogen de ouwe heksen en hun chauffeur, op weg naar een belangrijke afspraak, en ik bleef achter, kleumend voor het stoplicht.