Petersburgse vertellingen

Sint-Petersburg is gebouwd door een gek.

De stad is niet natuurlijk gegroeid zoals Moskou, maar ze is in ijltempo uit de grond gestampt. Net als Amsterdam op heipalen, omdat ze anders in de modder weg zou zakken. Met weidse straten en pleinen, haaks op elkaar gebouwd, zodat de wind uit alle vier de windstreken tegelijk op je inbeukt, zoals Gogol dit omschreef. Op de delta van de Neva, zodat ze geteisterd wordt door overstromingen. De mensen die er vrijwillig blijven wonen, onder wie ikzelf, zijn ook gek: aanvankelijk moest Peter de Grote het volk met geweld dwingen zich in deze onbewoonbare stad te vestigen. Petersburgers die op de eilanden van de stad wonen, zijn er nog ellendiger aan toe; zij kunnen ’s nachts niet meer naar de overkant komen omdat alle bruggen dan geopend worden - alleen in de winter blijven ze dicht. Toen ik voor de Sint-Petersburgse televisie werkte, filmden we eens een auto die uit de Neva werd opgetakeld. De bestuurder had een paar maanden daarvoor geprobeerd om over de reeds half geopende Paleisbrug naar het Vasilij-eiland te komen, maar de Lada was de diepte in gestort. De politie maakte geen haast met het bergen van het wrak en het zoeken naar de man - mensen rijden om de haverklap de rivier in. De vrouw van het slachtoffer, die zag dat er van haar man niet meer over was dan zijn leren jasje, verklaarde droogjes dat er in mei veel vissen zwemmen in de rivier en dat die haar man waarschijnlijk hadden opgegeten. Als je de klassiekers van de Russische literatuur kent, dan weet je dat wanneer je in Sint-Petersburg nog bij je verstand bent, je er ieder moment van beroofd kan worden. Dan weet je dat overdag het leven bruist op de flaneerboulevard, de Nevski Prospekt, maar dat je ’s nachts in de straatjes rond de Sennaja het gevoel hebt dat je plotseling vermoord kan worden door een student met een bijl.
Het rampzalige van de stad is dat ze op de zestigste breedtegraad ligt. De waanzin komt door het licht. Moskovieten kunnen de Petersburgers uitlachen om hun ziekelijke voorkomen, maar het is moeilijk leven met het noordelijke licht. ’s Winters schijnt de zon maar enkele uren. In de lente blijft ze echter steeds langer hangen en in juni en juli gaat ze helemaal niet meer onder. Dit verschijnsel heet de ‘witte nachten’. Er wordt in reisgidsen en in de literatuur ten onrechte lyrisch over gedaan. De witte nachten zijn niet wit; ze zijn van een griezelige, diffuse grijsheid. Veel Petersburgers gaan niet slapen. Beneveld slepen ze zich als slaapwandelaars over de Nevski.
Ik heb de witte nachten dit jaar weer overleefd. Dat is een prestatie. Ik kan de dag weer van de nacht onderscheiden, en gasten blijven niet doordrinken tot ze door de slaap overmand worden. Want het leegraken van een fles is in Rusland geen reden om te gaan slapen. Veel winkels blijven 24 uur per dag open. Ik citeer een Russisch gezegde: hoeveel flessen je ook koopt, je moet toch altijd twee keer lopen….