Ger Groot

Petoet

Er moet in gevangenissen van oudsher heel wat afgelezen zijn. «Aartje leest Bareutsche preeken/ En die gintsche, met beleid,/ (Denk niet: hier moet deugd ontbreeken.)/ Bunjans reis naar de Eeuwigheid», dichtte bajesklant Dirk Kuipers al in 1786. Stichtelijke lectuur was dat wel: van The Pilgrim’s Progress tot de sermoenen van volksprediker Johannes Barueth. De gevangenen zullen, onder streng regime en nog zonder bibliotheek, weinig keus hebben gehad.

Nu is dat anders, maar is de vraag er ook veel woester van geworden? Enkele jaren geleden werd onder Nederlandse gevangenen een dichtwedstrijd uitgeschreven. De winnaar bleek zijn versjes in de bibliotheek te hebben overgeschreven uit een bundeltje van Toon Hermans. De beroepslezers in de jury hadden niets gemerkt; de boef deed zijn métier in ieder geval eer aan.

Heeft literatuur iets met gevangenschap? Het meest criminele boek van de twintigste eeuw, Hitlers Mein Kampf, was er zonder de rust van de cel nooit gekomen, net zo min als in de achttiende eeuw het werk van Sade. De negatieve oogst wordt door de positieve goedgemaakt. Fernand Braudel schreef in Duitse krijgsgevangenschap zijn grote studie De Middellandse Zee, Sartre zijn eerste toneelstuk Bariona. Achterberg dankt zijn bundel Blauwzuur aan zijn hechtenis, Dostojevski zijn Aan tekeningen uit het ondergrondse.

«Een voornaam Heer die onlangs gearresteert is, doet Hermes geheugen dat ’er voor groote Heeren geene volmaaktere Akademie is dan eene getralyde studeerkamer», schreef de scribent Jacob Campo Weyerman dan ook in 1721. Dat viel, toen hij eenmaal zelf in de petoet belandde, bitter tegen. Zijn schrale troost was dat hij in de achttiende eeuw bij lange na niet de enige schrijver was.

Weyerman werd veroordeeld wegens chantage. Wie geld schoof, zag zijn ondeugden discreet verzwegen in de tijdschriften waarin Weyerman de aanzienlijken hekelde. Voor dergelijke praktijken schrokken zelfs Voltaire en Swift niet terug. Ook bij een broodschrijver, het achttiende-eeuwse novum dat pornograaf, journalist, vulgarisator en encyclopedist in zich verenigde, moest de schoorsteen roken.

De naam Jacob Campo Weyerman kiezen voor een stichting die de Nederlandse Verlichting bestudeert, getuigt van een voor dat tijdvak passende ironie. Toch doet die Stichting dat in vrijwel volstrekte verborgenheid al 25 jaar. Met de jubileumbundel Achter slot en grendel (Walburg Pers) is ze uit haar quasi-ondergronds bestaan getreden. Het thema ervan, Schrijvers in Nederlandse gevangenschap, moet haar alleen al vanwege haar naamgever hoog hebben gezeten.

Alle intellectuele stoutmoedigheid van de Verlichting ten spijt werden er in die tijd ook in Nederland nogal wat boeken veroordeeld en verbrand. Achter de spreekwoordelijke vrijheid ging een fikse politieke en religieuze rigiditeit schuil, die — net als nu — ook Nederlanders zelf vaak niet onderkenden. De «literaire onderwereld», zoals Roblert Darnton dit half-verlichte, half-louche scribentendom heeft genoemd, kwam er soms onverwacht mee in aanraking.

Zelfs Voltaire, Rousseau en Lamettrie zagen hun boeken in de Republiek verboden worden, al verdwenen ze — anders dan Mirabeau, die in Amsterdam vijf dagen vast zat — daarvoor niet in het cachot. De Nederlandse martelaren van het vrije woord waren van minder allooi, zowel literair als moreel. Eerroof, flessentrekkerij en moord maken Achter slot en grendel tot een cloak-and-dagger-achtige schandaalkroniek die iedere illusie over de braafheid van die jaren wegvaagt. De broodschrijvers schreven bij voorkeur over seks, spanning en sensatie, en als het nodig was fourneerden ze die zelf.

Alleen een Sade hebben we nooit gehad. Seks en literatuur ontmoetten elkaar nog het innigst in de passie die Maria van Zuylekom in de Haagse Gevangenpoort opvatte voor Jacob Eduard de Witte (veroordeeld wegens landverraad) en van Cornelia van der Weyde voor Jean Henri des Villates, gefrustreerd couppleger van één celdeur verder. De liefde wierp haar vruchten niet alleen in nageslacht af. De dames ontwikkelden zich dankzij hun schrijvende amants zélf tot schrijfsters, al bleef het bij hoogst vrome pennenvruchten.

Gevangenschap leent zich goed voor kinky seks: dat weet iedere pornograaf. Maar in de Gevangenpoort bleef die, anders dan in de Bastille, keurig tussen vier muren. Op papier kwamen zelfs de heren niet veel verder dan een ondeugend kwatrijn: «Ach! Stierve ik eens, ten leste,/ Veel verder buiten weste,/ In uwen malschen schoot,/ Den lieffelijksten dood!»