Petrolhead

De bezorgde burger in mij hongert naar een wagen op batterijen. Maar vaak droom ik van mijn Landrover.

Volgens de kenners wordt 2020 het jaar van de elektrische auto. Het is ook het jaar van de rat, de mediawijsheid, de woningbouw, de verpleegkundige, de wilde eend en de risicodialoog. Er is een jaar voor iedereen en dat heeft meer te maken met wens dan met werkelijkheid.

De werkelijkheid, als het om de elektrische auto gaat, is onzeker en diffuus. Net als ikzelf. De bezorgde klimaatbewuste burger in mij hongert naar een wagen op batterijen, maar ondertussen droom ik nog wel eens van de Landrover Discovery die ik ooit had. Misschien heeft het te maken met de reactie van een vriend, die er een keer in reed en na een lange stilte zei: ‘Dit is rijden zoals God het heeft bedoeld.’

Dat ik ’m desondanks verkocht, had twee oorzaken. De eerste doemde op toen ik een parkeergarage wilde inrijden, net op tijd voor een lezing die ik moest geven, en vast kwam te zitten omdat mijn auto te hoog was. Achter mij stonden al twee wagens en zo duurde het een kwartier voordat ik die andere bestuurders had gevraagd terug te rijden en zelf een plekje langs de weg had gevonden. Natuurlijk was ik toen te laat. De andere reden was schuldgevoel. De Disco, zoals eigenaren die wagen liefkozend noemen, zoop prehistorisch veel. Soms verbeeldde ik me dat ik de brandstof in de tank kon horen kolken om de dorst van de V8 te kunnen lessen. Hoe langer ik in die auto reed, hoe vaker ik me verbeeldde dat de complete Kamerfractie van GroenLinks hoofdschuddend op de achterbank zat.

Of de elektrische auto schoner is dan een wagen die op benzine of diesel rijdt, is de vraag. Het is een debat dat in verbeten stilte wordt gevoerd, al was het maar omdat niemand precies weet wat je in de berekeningen allemaal moet meenemen. Heeft net iemand alles uitgerekend, komt er een slimmerik die vraagt of het transport van brandstof in grote tankwagens wel is ingecalculeerd. En hoe bereken je de footprint van de winning van grondstoffen voor accu’s, nu we toch bezig zijn? Is overigens al bekend hoe we straks al die afgeleefde accu’s recyclen? Over de kosten van elektrisch rijden hebben we het dan nog niet eens. Die zijn voor zakelijke rijders met hun belastingvoordelen en laadpalen bij het bedrijf veel lager dan voor Jan met de Pet (m/v). Wat verklaart waarom je onderweg door zoveel Tesla’s, de meest seksloze auto sinds de uitvinding van het wiel, voorbij wordt gestoven.

‘Dat is gek’, zei mijn zoon van drie, ‘een Mercedes met Pirellibanden. Zie je zelden’

De vraag is of het er iets toe doet. Belangrijker is misschien de kwestie wat we eigenlijk willen met onze auto’s. Dat ze vervuilen is een probleem, een veel groter probleem is dat er veel te veel zijn en dat je vooral in de grote steden je kont niet kunt keren of je staat weer voor of midden in een stroom traag voortbewegend blik. Geen uitvinding heeft de wereld waarin we leven zo ingrijpend beïnvloed als die van de ontploffingsmotor en de auto die daarvan het gevolg is. Onze steden zijn er onherkenbaar door veranderd, evenals het landschap. De hele infrastructuur van het land wordt gedomineerd door de manier waarop we ons voortbewegen. Dat gebeurt ook door andere voertuigen, maar trein en boot nemen slechts een bescheiden plek in tussen A en B, terwijl de auto overal moet kunnen komen en dus worden de meest afgelegen plekken doorsneden door repen asfalt.

Soms vraag ik me af wanneer de auto voor het eerst als probleem werd gezien. In de jaren zestig van de vorige eeuw zei Joop den Uyl nog dat ‘alle mensen recht hebben op een eigen auto voor de deur, óók de arbeiders’. Tijdens de oliecrisis van 1973 maakten we kennis met lege wegen, omdat de autoloze zondag werd ingevoerd. Hoewel er toen fijn kon worden gerolschaatst op snelwegen, leidde die kortstondige autoloosheid niet tot een verandering in het denken. Daarna kwamen er alleen maar meer wegen, meer auto’s en vooral meer files.

De auto is een vervoermiddel, maar vooral ook een levensstijl en waarschijnlijk een van het gevaarlijke en ongezonde soort. Misschien moeten er op de zijkant van onze wagens waarschuwingen komen. ‘Kinderen van autorijders gaan vaak zelf ook autorijden.’ Of: ‘Autorijden beschadigt de leefomgeving. Stop nu.’ En dan met het nummer van een hulplijn voor wie het rijden heeft opgegeven en afkickcentra in afgelegen gebieden, alleen te bereiken met het openbaar vervoer.

Het punt is dat het al vroeg begint en zo gewoon is. Mijn zoon, bijvoorbeeld, is geboren als petrolhead. Ik bracht hem een keer naar de crèche, hij zal een jaar of drie zijn geweest, toen hij aan mijn hand trok en stilhield bij een auto. ‘Dat is gek’, zei hij, ‘een Mercedes met Pirellibanden, dat zie je niet vaak.’ Waarschijnlijk had ik hem toen moeten wijzen op de schadelijke kanten van het autorijden, maar in plaats daarvan gaf ik hem Dinky Toys en modellen van racewagens en keken we samen naar F1-races. Qua vader en zoon-bonding heeft dat veel goed gedaan, maar verantwoord was het niet. Al was het maar omdat ik daardoor de petrolhead in mijzelf ontdekte. Dat werd duidelijk toen ik een ontzettend duur vouwfietsje kocht om met de trein naar de Randstad te gaan en daar fietsend mijn doel te bereiken. Het staat in de kelder. Eén keer op gereden. Ik was vergeten dat ik fietsen uit het diepst van mijn hart haat. We hebben de auto uitgevonden om dat niet meer te hoeven doen.