DE GEVOLGEN VAN HET OLIETEKORT

Petropolitiek

De wereld staat aan de vooravond van een structureel olietekort. Dat heeft grote gevolgen voor welvaart, democratie en machtsverhoudingen. Deel I in een serie van twee: de internationale gevolgen.

TOEN DE OLIEPRIJS AFGELOPEN zomer doorschoot naar 150 dollar per vat, truckers de snelwegen blokkeerden en het Amerikaanse Congres in allerijl olie-experts ontbood, was energieveiligheid heel even de internationale prioriteit nummer één. Maar met de kredietcrisis en de terugval van de olieprijs verdwenen de zorgen even snel als ze opkwamen. Ten onrechte: de wereld staat aan de vooravond van een olietekort. En door het zakken van de olieprijs gaat dat des te harder aankomen.
De gevolgen daarvan gaan verder dan pijn aan de pomp: sommige wetenschappers meten er de loop van de wereldgeschiedenis aan af. In 1986 zakte de olieprijs ineen en bleef daarna dertien jaar laag. In diezelfde periode bezweek de Sovjet-Unie en viel het IJzeren Gordijn, daalde het aantal oorlogen en burgeroorlogen in de wereld met een kwart en nam het aantal staten met een vrije samenleving met meer dan de helft toe. Het leggen van een link klinkt als een wilde samenzweringstheorie, maar een groeiend aantal wetenschappelijke studies brengt de val van de Sovjet-Unie, de vrijheid en vrede in staten, het uitbreken van oorlogen en de voor- of achteruitgang van democratie in de wereld in verband met de prijzen van grondstoffen. En met name die van de belangrijkste grondstof ter wereld, het Zwarte Goud.
Als er maar iets van die ideeën klopt, betekent dat weinig goeds voor de toekomst. Uit cijfers die het Internationaal Energie Agent schap (IEA) drie weken geleden publiceerde, blijkt dat de huidige oliebronnen elk jaar zeven procent minder olie geven. ‘Zelfs als de vraag naar olie tot 2030 gelijk zou blijven, zou er vier maal de huidige productie van Saoedi-Arabië nodig zijn om alleen al het effect van leeg rakende olievelden tegen te gaan’, schrijft het IEA. Maar die extra productie komt er niet: vanwege de kredietcrisis, de tijdelijke prijsdaling en grote tegenvallers voor oliemaatschappijen blijven de benodigde investeringen uit. Daarom voorspelt het IEA vanaf 2010 een olietekort. En niet een tekort van een paar weken: een structureel tekort, wellicht voor altijd.
Voor de wereld heeft dat grote gevolgen: sterkere autoritaire staten, toenemende inmenging van grote landen in olierijke regio’s en een stijgend risico van grondstofoorlogen. ‘De interessante vraag’, zo formuleren onderzoekers van Clingendael het eufemistisch in een studie van afgelopen zomer, ‘is of landen die olie gebruiken of produceren samen kunnen werken om het naderende olietekort te ondervangen, of dat zij zullen vervallen tot verwoestende competitie om energie en hun welvaart veilig te stellen.’

Omdat energie een centrale rol speelt in de wereldeconomie heeft het naderende olietekort gezorgd voor een nieuwe strategische prioriteit in de westerse wereld en bij de grote groeilanden: energieveiligheid. Het leeuwendeel van de olie wordt weliswaar verhandeld op wat de ‘wereldmarkt’ heet, maar daar vertrouwt niemand op die sterk of rijk genoeg is om de zaken naar eigen hand te zetten. Grote consumenten proberen op allerlei manieren de aanlevering veilig te stellen, voor en achter de schermen.
Het verleden is in dat opzicht weinig geruststellend. Sinds een eeuw geleden olie werd ontdekt in het Midden-Oosten is de regio een brandpunt geweest van buitenlandse inmenging, met gedirigeerde coups, wapendeals en manipulatie. Sommige van de grootste internationale problemen van dit moment zijn daar direct of zijdelings op terug te voeren, zoals het radicale regime in Iran, de puinhoop in Irak en de dreiging van al-Qaeda. ‘Onthoud dat de grootste reden dat onze vijanden ons land bezet houden de diefstal van onze olie is, dus geef alles wat je hebt om de grootste oliediefstal in de geschiedenis te stoppen’, zei Osama bin Laden in 2004 in een video-oproep aan zijn aanhangers.
Het getouwtrek om het Midden-Oosten is in een luwte beland. De grote vragen zijn dezelfde als altijd: Irak, Iran en Saoedi-Arabië, maar Rusland heeft de concurrentie rond de Perzische Golf laten varen. Wat Saoedi-Arabië betreft, zijn de grote vragen of zijn oliereserves wel zo groot zijn als Riyad claimt en hoe lang het ongemakkelijke verstandshuwelijk met de Verenigde Staten standhoudt. Wat Irak betreft, maken de voortgaande ruzies over olie-inkomsten, de onveiligheid en de politieke instabiliteit alle toekomstscenario’s onzeker – ook de grote oliedeals die de Iraakse regering deze zomer met westerse oliemaatschappijen sloot.
Het grote getouwtrek in het Midden-Oosten vindt plaats tussen Iran en de VS. Allerlei zaken lopen door elkaar, zoals Irans steun aan strijdgroepen als Hezbollah, zijn nucleaire programma en Irans grote energievoorraden. India, Pakistan en China willen dolgraag directe pijplijnen naar Iran, maar Teheran twijfelt al heel lang. De ‘uitgang’ voor Irans energie is daardoor een zaak van intens en openlijk geopolitiek gemanoeuvreer geworden tussen onder meer Europese landen, Rusland, de VS en China. Zo belde president Bush in december naar Peking om de Chinezen op het hart te drukken Iran economisch te isoleren vanwege zijn kernwapenprogramma. Drie dagen later sloot China een contract voor honderd miljard dollar aan Iraans gas en olie.
De laatste jaren is veel aandacht uitgegaan naar andere regio’s. Westerse landen willen hun olie uit zo veel mogelijk regio’s halen om niet afhankelijk te zijn van het instabiele Midden-Oosten. Zeker voor de VS is dat belangrijk, omdat die over zo’n acht jaar door hun eigen olie heen zijn. In het Westen bestaat al een eeuw een bijzondere fascinatie voor Centraal-Azië, dat centraal stond in de eerste geopolitieke theorieën en waar Groot-Brittannië en Rusland de Great Game uitspeelden. Na de Koude Oorlog kwam het gebied terug op de radar vanwege reusachtige olievoorraden die westerse geheime diensten en oliemaatschappijen er vermoedden. De VS begonnen in de hele regio heersers en militaire elites te paaien, tot grote ergernis van Rusland.
‘De Carter-doctrine uit 1980 verklaarde de olie van het Midden-Oosten tot een zaak van oorlog en vrede voor de VS. President Clinton voegde daar het Kaspische Zee-gebied aan toe’, zegt de Amerikaanse hoogleraar Michael Klare, auteur van het dit jaar verschenen Rising Powers, Shrinking Planet: The New Geopolitics of Energy, in een telefonisch interview. Uit de Clinton-jaren stamt ook de bijzondere vriendschap tussen de VS en Georgië. Voortgestuwd door een golf smeergeld werd de Baku-Tbilisi-Ceyhan (BTC) oliepijpleiding aangelegd van Azerbeidzjan door Georgië naar Turkije. De route was geografisch gezien volstrekt onlogisch: het gebied was bergachtig en onveilig en met een vijftien kilometer lange pijpleiding had Azerbeidzjan zijn olie al kunnen uitvoeren via Iran. Politiek gezien was de BTC-leiding echter een meesterzet. De olie van de Kaspische Zee, tot kort daarvoor nog een sovjetbinnenwater, was hiermee aan de greep van zowel Teheran als Moskou ontglipt. Rusland zou het Georgië nooit vergeven.
Dat bleek toen Georgië na de eeuwwisseling plannen begon te koesteren om een gasleiding naast de BTC-leiding te leggen. Rusland was inmiddels overeind gekrabbeld en deed alles om de leiding te voorkomen. ‘Voor de Russische inval in Georgië van augustus waren verschillende redenen, maar één ervan was zeker om een keiharde waarschuwing af te geven in de hele regio: géén gaspijpleiding’, aldus Klare. Na de inval trokken cruciale Centraal-Aziatische landen hun steun voor de leiding in. Daarmee leverden ze hun gas de facto over aan Rusland, en werden daarvoor beloond met royale contracten.
Rond de tijd dat de BTC-pijpleiding in bedrijf kwam, in 2006, was echter al duidelijk dat Centraal-Aziatische olie een luchtspiegeling was geweest. Er is veel minder olie gevonden dan gedacht en die is nog moeilijk te winnen en van lage kwaliteit ook. De blik richtte zich daarom naar elders. Naar Afrika, waar in de jaren na de eeuwwisseling een derde van alle nieuwe olievondsten plaatsvond.
In oktober werd een Amerikaans militair commandocentrum operationeel: Africom. Veelzeggend genoeg was Africom het eerste nieuwe commandocentrum sinds Centcom, dat na de Carter-doctrine werd opgericht om het Midden-Oosten te bestrijken. Strategic Insights, het tijdschrift van de Amerikaanse marine-universiteit, benoemde de redenen voor de oprichting van Africom: ‘De verspreiding van internationaal terrorisme, de grotere Amerikaanse afhankelijkheid van Afrikaanse olie en de enorme recente bemoeienis van China met Afrika.’
Die laatste twee redenen overlappen elkaar, want China is de grote aanjager in de oliehonger van de komende jaren: 43 procent van de nieuwe vraag zal volgens het IEA uit China komen. ‘China haalt rond 2015 de VS in als grootste energieconsument ter wereld, en schuimt de wereld af op zoek naar nieuwe energiebronnen. Het zoekt overal energie waar de VS dat ook doen. En dat vertaalt zich in strategische strijd’, zegt Michael Klare. Onderdeel van die strijd zijn Chinese (wapen)deals met paria-staten als Soedan en Zimbabwe; het voortdurend wegbieden van westerse bedrijven bij infrastructuurprojecten in heel zwart Afrika; intense competitie door soms ongure maatschappijen om Angola’s olierijkdom; proefboringen in notoire probleemlanden als Oeganda, en een ware oliebonanza aan de Afrikaanse westkust. Inmiddels komt een vijfde van alle olie die in de VS verbruikt wordt uit West-Afrika, bijna evenveel als uit het Midden-Oosten.
Ook de Noordpool trok de aandacht: die was het afgelopen jaar het toneel van intensieve borstklopperij, met name vanuit Rusland, om de grondstoffen die daar wellicht kunnen worden gedolven nu het poolgebied opwarmt – inclusief olie. De wilde schattingen over olievoorraden buitelen over elkaar en in de donkere wateren onder het ijs schaduwen de Britse, Amerikaanse en Russische onderzeeërs elkaar weer.

De vraag is of de strijd om olie zal overborrelen van diplomatieke en machtspolitieke competitie, zoals tussen de VS en China en Afrika, in regelrechte oorlog tussen staten. ‘Als het om grondstofoorlogen gaat, spreken mensen altijd over een hypothetische toekomst. Maar er zijn al drie pure olie-oorlogen geweest’, zegt de Oostenrijkse journalist en olie-expert Thomas Seifert, schrijver van het vorig jaar in Nederland verschenen Het Zwarte Goud: Olie als bron van hebzucht, oorlog, macht en geld.
‘De oorlog tussen Iran en Irak was de eerste olie-oorlog’, zegt Seifert in een telefonisch gesprek. ‘Saddam Hoessein wilde alleen Irans olierijkste provincie veroveren, hij wilde echt niet doorstoten naar Teheran. De tweede olie-oorlog was om Koeweit: het begon met een olieconflict tussen Irak en Koeweit, Saddam bezette heel Koeweit om zijn olie en de bevrijding van Koeweit draaide daar ook om. Bij de derde oorlog, de Amerikaanse bezetting van Irak, speelden een aantal redenen. Maar olie was natuurlijk een van de belangrijkste, of de hoofdreden: als er alleen zand was geweest, was er niet ruim een biljoen dollar en zoveel politiek kapitaal aan die oorlog gespendeerd. Waar de volgende olie-oorlog zal plaatsvinden, is natuurlijk een raadsel, maar dát die er komt, staat vast.’
Wie kijkt naar de bedragen die met oliehandel gemoeid zijn, kan daar moeilijk aan twijfelen. De constante stroom olie vanuit het Midden-Oosten en andere regio’s naar afnemers en de constante stroom dollars, yens en euro’s de andere kant op, behelst volgens sommige economisch historici de grootste welvaartsoverdracht uit de geschiedenis. Het gaat om 85 miljoen vaten olie per dag. Tien jaar geleden kostten die zo’n tien dollar per stuk, het afgelopen jaar schommelde die prijs tussen vijftig en honderdvijftig dollar per vat. Per jaar gaat het dan om de overschrijving van anderhalf tot vierenhalf biljoen dollar – het laatste bedrag is even groot als de economie van Japan, de tweede ter wereld.
Dat geld is niet alleen bij uitstek iets om over te vechten, het verandert ook de machtsstructuur in de internationale arena. Vier jaar geleden begonnen semi-dictators als Hugo Chavez en Vladimir Poetin een opvallend grote mond te krijgen richting de VS. Ook de regering van Iran, die zich muisstil had gehouden sinds de overrompeling van twee buren, hervond haar stem richting de Grote Satan. De eerste analisten legden toen een link tussen de ‘hoge’ olieprijzen en de nieuwe assertiviteit van autoritaire, olie-exporterende staten. Sindsdien bleef de olieprijs stijgen – nu is die bijna dubbel zo hoog als toen, afgelopen zomer was die zelfs ruim vier maal zo hoog – en daarmee werd duidelijk welke richting de internationale betrekkingen op gaan onder een hoge olieprijs.
Het helderste signaal was de Russische militaire strafactie tegen Georgië, een paar maanden nadat de Navo Georgië een toekomstig lidmaatschap had toegezegd. Rusland was tien jaar geleden bankroet, leeggeplunderd en machteloos, nu heeft het een ‘Stabilisatiefonds’ van tweehonderd miljard euro, kondigt het regelmatig nieuw wapentuig en raketplaatsingen aan, en hield het wekenlang zijn troepen in Georgië onder begeleiding van ronkende retoriek naar het Westen en de erkenning van twee Russische vazalstaatjes op Georgisch grondgebied.
Waar de Russische machtsambities ophouden valt moeilijk te voorspellen, maar Rusland is tot nu toe verrassend bot en open geweest in het uitspelen van zijn energiekaart in de relaties met Europa. ‘Als je off the record met Russische functionarissen spreekt, zeggen ze zonder omwegen: “We hebben twee machtsmiddelen om uit te spelen, ons leger en onze energie”’, zegt Thomas Seifert.
Iran, waarvan het overheidsbudget voor tachtig procent leunt op olie-export, is een soortgelijk geval. In 1997, toen de olieprijs afzakte richting tien dollar, riep Iran op tot een ‘dialoog tussen beschavingen’. Sindsdien heeft de Iraanse regering de aanhoudende golf aan olie-inkomsten gebruikt om haar invloed op het Midden-Oosten uit te breiden, de situatie in Irak naar haar hand te zetten, de greep op het eigen land terug te krijgen en zich te beschermen tegen buitenlandse druk. ‘Zelfs als ze tien resoluties aannemen, zal het de Iraanse economie en politiek niet beïnvloeden’, schamperde de Iraanse president Mahmoud Ahmadinejad vorig jaar, nadat de VN-Veiligheidsraad sancties had aangekondigd vanwege Irans atoomprogramma.
De hoge olieprijs heeft olielanden ook veel machtiger gemaakt ten opzichte van westerse oliebedrijven, wier kapitaal en expertise zij nodig hadden voor oliewinning. Nu kunnen landen door de belofte van monsterwinsten bedrijven als Halliburton inhuren, die complete booreilanden kunnen leveren inclusief huurlingen om ze te beschermen. De toekomst van de eens almachtige oliegiganten staat daardoor op losse schroeven. De beste illustraties zijn Shell en BP, die met ongegeneerd machtsvertoon door Rusland uit zeer grote energieprojecten zijn geduwd.
Verontrustender is dat olielanden ook grotere macht krijgen in de westerse en wereldeconomie. Toen de kredietcrisis uitbrak, realiseerden velen in het Westen zich opeens dat de laatste reddingsboei misschien alleen nog kon komen van de staatsfondsen waar veel olielanden de enorme geldstroom van de afgelopen jaren in hebben geparkeerd. Die fondsen zijn sinds afgelopen zomer op koopjesjacht in het westerse bedrijfsleven. In westerse hoofdsteden vragen veel mensen zich af of de staatsfondsen puur uit winstoogmerk zullen worden ingezet, of ook voor strategische doelen. Maar terwijl landen als Duitsland en Groot-Brittannië werken aan wetgeving, kopen de staatsfondsen rustig door.
De enige structurele oplossing voor alle internationale problemen die een hoge olieprijs oproept, is het terugdringen van de westerse verslaving aan olie. Het bepleiten van alternatieven is daarom al lang weg uit de milieuhoek: denktanks en adviesraden zien er de sleutel in om de economische en strategische veiligheid van het Westen te vergroten en de stabiliteit van het internationale systeem te garanderen. Het probleem is dat het alternatief er niet is en dat er niet genoeg geïnvesteerd wordt in het zoeken daarnaar – en met het terugzakken van de olieprijs wordt daar voorlopig even weinig in geïnvesteerd als in nieuwe oliebronnen. Het wordt een harde landing in 2010.