Philadelphia ‘aids hebben we nu wel gehad

De recensies zijn voorspelbaar. En ook de voorvertoningen leverden de te verwachten reacties op. Jonathan Demme’s aids-film ‘Philadelphia’, zo heet het, is een typisch Hollywood-produkt, dat zwaar gebukt gaat onder de ‘politieke correctheid’. Maar is dat niet juist de kracht van de film?

Aids hebben we nu wel gehad’, bromde een verveelde journalist na afloop van de persvoorstelling van Zero Patience, een nieuwe film over aids die binnenkort in de bioscopen te zien zal zijn. Het is de luiheid van de kijker-op-afstand, voor wie ook de beelden uit Bosnie telkens weer op hetzelfde neerkomen.
Dezelfde luiheid als waarmee de film Philadelphia badinerend het etiket ‘politiek correct’ krijgt opgeplakt, een etiket dat inmiddels in Europa te pas en te onpas als scheldwoord wordt gehanteerd. Nu leidt 'politieke correctheid’ in de kunst inderdaad nog al eens tot het stellen van reele problemen met de verkeerde middelen, maar in het geval van Philadelphia geldt dat zeer zeker niet. De puriteinse ingetogenheid en precisie waarmee in die film homoseksualiteit en aids aan de orde worden gesteld, maken er juist de kracht van uit.
In de eerste beelden van de film zien we straten, scholen, spelende kinderen, schoolmeisjes, graffiti. Dat is onze wereld, zeggen die beelden. De camera neemt ons mee op een toeristische trip door Philadelphia, we krijgen zelfs een luxe paardenrijtuig en verpauperde daklozen te zien. Dan zoomt de camera in op de hoofdpersoon van de film, de advocaat Andrew Beckett, jong en succesvol, een workaholic met een brede, zelfbewuste grijns. Hij wordt gespeeld door Tom Hanks, sinds Splash de koning van het romantische genre. Het doet allemaal heel vertrouwd en onschuldig aan.
Het advocatenkantoor waarvoor Beckett werkt, weet wat hij waard is en vertrouwt hem de moeilijkste zaak toe. Maar wanneer hij samen met zijn collega’s het glas heft op zijn succes, trekt ineens een vlekje op zijn voorhoofd de aandacht.
De afdruk van een squashballetje, zegt hij vlot, maar zijn superieuren weten ondertussen ook wel wat het verschil is tussen een sportwond en een aids-zweertje. Tien dagen later wordt hij met een of andere smoes op staande voet ontslagen, gedumpt als een stuk menselijk afval. Beckett, een jurist met principes, gaat tegen het ontslag in beroep.
Het rechtbankdrama dat daarop volgt, stelt op indringende wijze de discriminatie van mensen met het aidsvirus aan de kaak, alsmede de oorzaak daarvan: de in Amerika wijd verbreide homofobie. Becketts advocaat Joe Miller, aanstekelijk gespeeld door Denzel Washington, is het toonbeeld van all-American hetero. 'Ik haat die tutti-frutti’s’, zegt de he-man in hem, maar diezelfde he-man wil natuurlijk ook winnen, dus opent hij in de rechtszaal de aanval op wat uiteindelijk ook zijn eigen homofobie is.
Rechtbankdrama’s zijn zo goed als hun acteurs. Philadelphia overtuigt door het spel van de hoofdrolspelers. Wie meent Tom Hanks als een gladde acteur te kennen, zal spoedig zijn vergissing moeten inzien. Hanks gaat goedkope sentimentaliteit uit de weg en houdt daarmee de kijker op een afstand. Het is zijn leven en zijn dood, maar het is onze maatschappij die moeite heeft met het in praktijk brengen van haar eigen principe van gelijkberechtiging.
Het scenario van Ron Nyswaner is subtiel en riskant. Een van de weinige keren dat Beckett zijn gevoelens uit en zich op de tonen van Mi madre morta, een aria gezongen door Maria Callas, laat gaan, roept dat niet alleen bij zijn advocaat maar ook bij het publiek een lichte ergernis op. Maar Hanks weet dit cliche (alle homoseksuelen houden van opera) in een beklemmende en ontroerende sleutelscene om te toveren. Het is vooral aan het, inmiddels al voor een oscar genomineerde, spel van Hanks te danken dat Philadelphia niet verwordt tot een goedkope tearjerker.
De kritiek op de homoseksuele preutsheid van de film is terecht maar ook heel voorspelbaar. Het scenario verbiedt de jarenlange levensgezellen Andrew Beckett en Miguel iedere uiting van hun liefdesband; er kan werkelijk geen kus af. Dat getuigt van realisme: met de homofobie van het Amerikaanse publiek valt niet te spotten, alleen met de uiterste terughoudendheid (geen lichamen, geen seks, zelfs niet het geringste spoor daarvan) slaag je erin het publiek de ogen te openen. Regisseur Jonathan Demme snijdt de kijkers niet zoals Bunuel met een mes in het oog, nee, hij leidt hen een vertrouwde wereld binnen, waar om gerechtigheid wordt gestreden. Ja, komt u maar, er wordt ook nog een kindje geboren, wees maar niet bang, kijk, de ouders vieren hun veertigjarige huwelijk. Twee uur lang voelt het publiek zich op vertrouwde bodem, en toch betreedt het een volmaakt nieuwe wereld, waar zich nog nooit eerder een Hollywood-film heeft gewaagd.
Demme weet goed wat hij doet. De luidruchtige protesten van Queer Nation, een groep homo-activisten, tijdens de laatste oscaruitreikingen liggen het Amerikaanse publiek nog vers in het geheugen. Die kritiek betrof toen ook Demme’s film The Silence of the Lambs, goed voor vijf oscars, waarin van de hoofdpersoon, een serial killer, wordt gesuggereerd dat hij homoseksueel is. Demme erkende dat hij in de valkuil van de Hollywood-cliches was getrapt, die voorschrijven dat homoseksuelen hetzij kappers, hetzij psychopatische moordenaars zijn, en beloofde het prijzengeld te zullen gebruiken voor de eerste grote Hollywood-produktie over aids.
Het resultaat is een goed doordachte film, die radicale gebaren uit de weg gaat, juist om radicale effecten te bereiken. Wie daar laatdunkend over oordeelt, ziet over het hoofd hoe diep de homofobe gevoelens zijn geworteld in Amerika, een land dat inmiddels tweehonderdduizend aids-doden telt, maar waar de ziekte zelfs niet de aandacht krijgt die nodig is om de verspreiding ervan alleen maar af te remmen. En ook de Amerikaanse media hullen zich, zodra het om de 'flikkerkanker’ gaat, in een dodelijk zwijgen.
Het negatieve oordeel dat de Europese filmkritiek over Philadelphia uitspreekt, getuigt dan ook van verregaande gemakzucht. Politieke correctheid wordt zonder meer onverenigbaar geacht met artisticiteit. En dus wordt bijvoorbeeld ook de mediapolitieke eis van 'zichtbaarheid’ - het representatief aanwezig zijn in de media van homo’s, lesbo’s, etnische minderheden, aidspatienten - door de fijnproevers der cultuur als 'politieke overcorrectheid’ afgedaan, of om het in de woorden van HP/De Tijd te zeggen: als het misplaatste streven overal maar 'Turkse lesbiennes in een rolstoel’ te laten opdraven.
Het begint een soort bewijs van onafhankelijkheid te worden om zaken als 'politiek overcorrect’ te bestempelen. Films over lesbische vrouwen worden, nog voor ze zijn gezien, door een toonaangevend dagblad al weggezet als 'politiek correct’, het optreden van een zwarte advocaat natuurlijk ook, evenals gay cinema (iedereen is toch al geemancipeerd!), en aids, ach, 'moet dat nou?’ 'Aids is niet artistiek’, verkondigde Stephan Sanders afgelopen herfst in het themanummer van De Groene over aids en kunst. Vanaf de sokkel van de 'hoge kunst’ is het gemakkelijk oordelen. Maar was De Groene niet ooit het blad dat zo veel belang hechtte aan de verbindingen tussen cultuur en politiek?
Philadelphia is geen kunst. Zelfs geen filmkunst. Philadelphia is een goed gemaakte, spannende en politiek belangwekkende film. 'Hollywood heeft voor het eerst een film over aids voortgebracht’, schreef The New York Times bij de premiere in december, 'maar komt er ook publiek op af?’ Het publiek, zo kunnen we twee maanden later vaststellen, zit in de bioscoop: Philadelphia is box-office-hit nummer een.