Philip Mechanicus, fotograaf en voorbijganger

Philip en het verdwijnpunt

In het Joods Historisch Museum opende afgelopen weekend de eerste overzichtstentoonstelling van fotograaf en schrijver, en jarenlang Groene-medewerker, Philip Mechanicus (1936-2005). K. Schippers sprak een lofrede uit.

Philip Mechanicus, Het straatjongensboek, € 12,95

Als hij de keuken van een ander in loopt en dan de deksel van een pan tilt. Wat ruik ik? Z’n gezicht komt nauwelijks dichterbij. De ­schouders gaan iets naar voren en dan komt het hoofd wel mee. Hij maakt het gebaar en bespot het.

Het niets flirtte met hem en hij zag het. Het fonteintje doet het niet. De lantaarnpaal ­zonder lamp. Een hond zit stil. Dat alles op dezelfde foto. Hij heeft er niet eens moeite voor gedaan, zag het achteraf, of misschien wel helemaal niet. Niets van plan, wij, nu pas, na hem, zonder hem.

Cagnes sur Mer. We werkten in hetzelfde huis, op twee verschillende verdiepingen. Hij schreef, maakte foto’s van Suzy Solidor, moest wijn proeven in Milaan en verdween. Hij stond altijd op het punt te verdwijnen, van alles. Van u, van ons, van mij

en vooral van de fotografie. Z’n toestel wilde hij liever niet aanraken. Waarom deed dat ding het zelf niet. Hij wilde er ook niet bij zijn als de ­Hasselblad zich met iets bemoeide en keek erbij of hij er niets mee te maken had.

Hij kwam in de buurt van een vis bij eb, een vork naast een peer en niet te vergeten het nog niet afgestoken vuurwerk aan zee. ‘Waarom laat ik het niet op de plek waar het hoort.’ Dat denkt hij. ‘Waar haal ik het recht vandaan van alles te stelen en dan krijgt ’t bij mij een ander pover bestaan.’

Niet wetend wat te fotograferen, fotografeert hij. Wie herinnert zich niet de badhokjes, de padden. Omdat iedereen kan fotograferen, hoeft hij zich niet te onderscheiden. De eend in een bak op het Waterlooplein. Glasplaat op de bak. Iedereen kan het doen, zei Céline. Je hoeft je ogen maar te sluiten.

Het mooiste interview met Philip is van Rob van Erkelens.

Het speelt zich af in deze buurt, waar hij is geboren, loop om het huis heen van het jhm hier aan de overkant en je ziet de Zwanenburgwal 42. Kijk, Philip en Kees Hin steken net over om

stamppot te gaan eten bij Flip thuis, tussen de middag, bij z’n moeder. Ze komen van de filmacademie, waar ze van Anton Koolhaas een script over een molen moeten schrijven. Ook toevallig. En hier om de hoek stierf hij, in een weer heel ander huis. Tussen die twee huizen in,

u begrijpt het, daar staan we nu. Dat interview van Rob van Erkelens zult u verder zelf moeten verzinnen. Het is verdwenen en nu kun je dat gaan zoeken. Het is beter het zo te laten. Een interview is op z’n mooist als het er niet meer is. Hij hield van alles dat was zoek geraakt en toen ik iets wilde citeren

uit wat hij had geschreven, waren z’n boeken niet meer in huis. ‘Laat het zo’, riep hij, ‘niets meer aan doen. Haal ook geen andere’ en ik had hem nog wel met Paul van Ostaijen willen verge­lijken en wie weet met Raymond Radiguet. Dan ook nog Le diable au corps met Micheline Presle

en Gérard Philipe, de lievelingsfilm van Rudy Kousbroek of is dat Une si jolie petite plage? Bij de boekhandel Lankamp en Brinkman zei Rudy over een boek van Flip dat de schrijver het eten had uitgevonden, zoals je een priemgetal ontdekt. Ik wist niet (kijkt in zaal) dat hij

zoveel vienden had en dat ze allemaal nog leven. Wacht maar. De fotozaak naast Galerie Modernes en schuin tegenover Gamba. In de etalage knipoogt een man met een snor naar je, al kent hij je niet eens. Je draait jezelf terug en loopt er nog een keer langs, hij knipoogt weer.

Een voorbijganger in een etalage. Zelf is hij ook het liefst een voorbijganger en hij weet dat ­anderen hem zo zien. Wat een rust. Je hoeft niets voor ze te doen en zij niet voor jou. Je koopt gewoon een kaartje ’s middags bij Tuschinski, dan komt er

toch niemand en daar zit je dan. Rij zes, altijd dezelfde stoel, links van het middenpad. De schaamte dat je ergens te dicht bij bent geweest. Een deur leren we de tweede keer nauwelijks beter kennen. Naar Indonesië om een tuinslang te zien. Is dat zijn opvatting van fotografie?

Philip schrijft me op 9 januari, 1979, vanuit ­Cagliari:

‘Gisteren maakte ik een wandeling in een landschap hier zo’n zestig kilometer vandaan. Ik was er met de bus naar toe gereden maar daar aangekomen bleek dat de enige reden van mijn aanwezigheid bestond uit het wachten op de bus terug. Dat duurde alleen nog drie uur. Vandaar die wandeling. Ik maakte een foto van de weg voor mij en de weg achter mij.’

‘Heb ik je al van mijn uitzicht verteld? Het is wat een blinde muur wordt genoemd. Als je zelf maar lang genoeg kijkt, krijg je toch het idee dat de muur soms terug kijkt.’

Aan het eind van de oorlog zat Benjamin Mechanicus, de letterschilder, in de kamer, op de ­Zwanenburgwal 42, hier aan de overkant.

‘Weet je wat nou zo gek is’, zei hij tegen zijn zoon Philip.

‘Nou?’

‘Je ziet wel twee vliegen vliegen, maar nooit twee muggen muggen.’

Die muggen zijn er nog, net als de dingen op de foto’s van zijn zoon.

Zo is het altijd gegaan. Je bent er alleen maar om weer te kunnen vertrekken.

Een verliefdheid van veertig seconden en dan weer een andere foto.


Philip Mechanicus, fotograaf, t/m 27 oktober in het Joods Historisch Museum, Amsterdam; ­jhm.nl