Philip Roth een brave stoute jongen

SINDS HIJ publiceert weet Philip Roth zich verzekerd van een even grote stroom agressieve beschuldigingen als aanhankelijkheidsbetuigingen aan zijn adres. Het feit dat bij hem als bij geen ander schrijver en werk lijken samen te vallen blijkt extreme reacties uit te lokken.

Hij raakt slaags na een literair forum (‘Meneer Roth, zou u deze verhalen ook hebben geschreven als u in Hitler-Duitsland woonde?’) en ontvangt brieven van vrouwen die een foto van zichzelf bijsluiten, gehuld in bikini of zwart ondergoed. 'Dit is het boek waarop antisemieten hebben gewacht’, wordt vanuit orthodox-joodse hoek geroepen na het enorme succes van Portnoy’s klacht (1969), terwijl Roth in de boulevardpers een hartstochtelijke relatie met Barbra Streisand wordt toegedicht.

Roths lustvolle beschrijvingen van alle soorten vrouwenlichamen brengen de fantasie van menigeen op hol. 'De geschiedschrijver van de moderne erotiek’ noemt Milan Kundera hem. Het is een al te academische kwalificatie voor iemand die zo ruikend, tastend en proevend tekeergaat als Roth. Pardon, als Roths personages. En het wordt er met de jaren niet minder op. Nog in Sabbaths theater (1995) laat hij de 64-jarige Mickey Sabbath zich een ongeluk zuigen aan de 'ubereuze’ borsten van zijn maîtresse Drenka tot zij uitschreeuwt dat zij het voelt, 'diep in haar kut’. 'Onzedelijk? Wie zal het zeggen? Doe wat je leuk vindt’, is het credo waarmee Sabbath zijn minnares inwijdt in de geheimen van een onmatig zinnelijk leven.

IN WERKELIJKHEID, al is dat in het geval van Roth een nogal gecompliceerd begrip, leidt Philip Roth het ascetische, teruggetrokken leven van de echte schrijver. Pas ter gelegenheid van zijn zestigste verjaardag, nu vier jaar geleden, liet hij televisiecamera’s toe in en om zijn huis, een buiten ergens in Connecticut. En ja hoor, daar zit hij, voor het raam, driftig typend in de stikdonkere nacht, terwijl de wind om zijn huis giert en de takken tegen het raam zwiepen.
Ergens in dat huis moet ook nog een vrouw hebben zitten of liggen wachten tot hij klaar was met de gedane arbeid, maar we krijgen haar niet te zien. Dat ze er wel degelijk wás, blijkt uit de onlangs verschenen memoires van degene met wie hij achttien jaar een relatie had, de Engelse actrice Claire Bloom (Leaving a Doll’s House, 1996). Inderdaad had zij in feite het nakijken in het leven van haar schrijvende echtgenoot. Niet omdat Roth zich te buiten ging aan escapades met andere vrouwen - al was er een duister incident met de beste vriendin van Blooms dochter - maar omdat hij zo'n verdomde egoïst was. In de Poging tot Ontluistering waartoe meer vrouwen-ván uit pure armoe hun toevlucht lijken te nemen, legt Bloom een waslijst aan van door haar ex begane zonden, aangevoerd door veeleisendheid, manipulatiedrift en grilligheid.

Dat de rol van echtgenoot niet te combineren is met die van schrijver legt Philip Roth in feite al uit in datzelfde televisieportret, al is hij dan nog getrouwd. 'Als schrijver ben ik iemand anders’, vertelt hij, gezeten op een sofa vlak voor een televisietoestel waarop net nog beelden te zien waren van zijn inmiddels overleden vader. 'Ik ben dan niet belast door trouw en loyaliteit, decorum en discretie. Ik ben vrij om een dieper en duisterder perspectief te kiezen dan dat van een zoon, echtgenoot of broer. Een schrijver is dat allemaal niet, een schrijver is een schrijver.’

Gezien het tempo dat hij er nu al jarenlang in weet te houden - hij werkt gemiddeld zo'n twee jaar onafgebroken aan een boek - is er weinig leven buiten zijn schrijverschap. Verder zijn de overeenkomsten tussen hem en zijn personages zo groot dat de term 'alter ego’ bijna een gotspe is. Zo schrijft hij in Bedrog (1990) over de flirtende schrijver Philip die getrouwd is met een nogal vervelende Engelse actrice. Claire Bloom onthult in haar memoires dat ze hem met een proces moest dreigen om die actrice niet ook nog eens de naam 'Claire’ te laten krijgen.

IN ZIJN VERHALEN en romans heeft Philip Roth, afgezien dan van een symbolische tegemoetkoming als net genoemd, zichzelf en zijn omgeving nooit ontzien. De weerstand die hij daarmee oproept, is voor een deel dat wat hem gaande houdt. 'Phil was altijd al een rebel’, vertellen de schoolvrienden van de Weequahic Highschool in Newark, drie mannen op een rijtje die opeens zichtbaar maken hoe oud Roth al is. 'En had erg veel succes bij de meisjes’, voegt eentje eraan toe. Ook toen al dus.
Roth zelf daarentegen herinnert zichzelf in een van de interviews met hem die zijn afgedrukt in Lectuur van mijzelf en anderen (1975) niet als een rebel, maar als een 'brave joodse jongen’ die nooit meer zulke intense mannenvriendschappen zou beleven als in zijn Newarkse jeugd. De vrijheid die hij voelde met zijn vriendjes als ze in de geparkeerde auto’s van hun vaders tegen elkaar zaten op te scheppen over hun seksuele avonturen, associeert hij sterk met zijn latere schrijverschap. Aan de ene kant het grapjassen en twisten om elkaar te vermaken en wraak te nemen op de rest, aan de andere kant het feit dat ze in de auto van hun vader zaten en niet in de gestolen auto van zomaar iemand. Als hij gaat studeren en verder weg is van het ouderlijk huis, ontwaakt in hem de drift een ander pad te kiezen dan het voor de hand liggende, maar blijft hij zich schatplichtig voelen aan Newark. Zijn verbeeldingskracht zal zich altijd blijven bewegen tussen die van de brave en de stoute jongen.

Dat laatste heb ik niet zelf verzonnen, maar opgetekend uit de mond van Zuckerman, een van Roths bekendste romanfiguren, die zo'n trouwe huisvriend is geworden dat hij zich soms tegen zijn gastheer mag keren. Nathan Zuckerman is in hetzelfde jaar, 1933, en in dezelfde plaats, Newark, geboren als Roth, en heeft ongeveer dezelfde loopbaan doorgemaakt. Hij is echter in zijn met veel moeite en pijn verworven status van provocateur, verrader en leugenaar, bigger than life. Het is zijn stellige overtuiging dat je na je jeugd de slaaf uit jezelf moet zien te persen, druppel voor druppel.

De verhouding tussen Philip Roth en zijn meest weerspannige romanpersonage wordt prachtig neergezet in De feiten (1988), Roths 'autobiografie van een schrijver’. Dit boek begint met een brief aan Zuckerman, waarin Roth uitlegt waarom hij nu eindelijk eens eerlijk op zoek gaat naar de wortels van zijn schrijverschap. Het nederige verzoek aan Zuckerman luidt of deze wil beoordelen of hij daarin is geslaagd. 'Deugt het boek?’ Vervolgens krijgen we het resultaat van Roths zelfonderzoekingen onder ogen, in documentair proza gesteld, zonder enscenering of dialoog, waarna Zuckerman het woord neemt. 'Beste Roth’, schrijft hij. 'Publiceer het niet.’ Zuckerman is onverbiddelijk in zijn analyse dat Roth beter over hém, Zuckerman, kan schrijven dan zogenaamd over zijn eigen leven. 'Je bent geen autobiograaf, je bent een personificator. Jouw kracht is het vormgeven van je ervaringen in anderen.’ Zuckerman vindt hem in 'de feiten’ braaf, voorzichtig en pathetisch, kortom: onwaarachtig.

'Mijn verhaal zoals door mij verteld, met Zuckermans commentaar erop, dat is mijn verhaal’, meldt Philip Roth, gezeten op de al eerder genoemde sofa in de televisiedocumentaire die trouwens de titel draagt: Philip Roth: mijn ware verhaal. Zo intellectueel koket als dit gegoochel met de waarheid misschien klinkt, zo weinig heeft het werk van Roth met koketterie van doen. In plaats van over de verhouding tussen de verbeelding en de werkelijkheid of tussen de kunst en het leven, spreekt hij zelf liever over de verhouding tussen de geschreven en de ongeschreven wereld. Van jongsaf aan heeft hij het gevoel tussen die twee werelden heen en weer te fladderen als een postduif, met informatie, instructies, verdraaide berichten… 'Je moet het niet aan mij vertellen als je het niet in een van mijn boeken wilt teruglezen’, adviseert hij zijn broer Sandy. Na een voorleessessie ergens in den lande vraagt een dame in het publiek of zijn familieleden zich niet af en toe door hem in hun hemd gezet voelen. In antwoord daarop citeert Roth een uitspraak van de dichter Czeslaw Milosz: 'Als er in een gezin een schrijver wordt geboren, dan is ’t gedaan met dat gezin.’

TOCH ZIJN DE meeste romans van Roth helemaal niet zo direct te herleiden tot zijn eigen 'ongeschreven wereld’. Daarvoor maakt het groteske en satirische element een te wezenlijk bestanddeel uit van zijn schrijfstijl. Hij jongleert met identiteiten, presteert het om in Het contraleven (1987) een dode broer een hoofdstuk verderop weer tot leven te wekken, en laat in een van zijn laatste romans, Operatie Shylock (1993) een dubbelganger van zichzelf onder zijn eigen naam opereren. Op een spoor gezet door de reacties op zijn debuut, de verhalenbundel Vaarwel, Columbus (1960), laat hij zijn personages het zionisme omhelzen, het diasporisme bepleiten en andere extremiteiten begaan. In De feiten schrijft hij als 27-jarige debutant helemaal niet op controversen uit geweest te zijn en geen idee gehad te hebben dat zijn verhalen 'gewone’ joden tegen de borst zouden kunnen stuiten. De scherpe ondervraging die hem ten deel viel aan de Yeshiva Universiteit in New York, ervoer hij dan ook als uitermate vernederend. Zijn eerste opwelling was, toen hij zich vechtend een weg naar buiten had gebaand: 'Ik zal nooit meer over joden schrijven.’ Een paar minuten later echter, happend in een broodje pastrami zoals de overlevering wil, bekroop hem opeens de sensatie dat het boze joodse verzet het grootste geluk was dat hem ten deel had kunnen vallen. 'Ik was gebrandmerkt.’ De woede waarmee hij te maken kreeg, gaf zijn werk vanaf dat moment richting.

Dat er ook nog een razende storm uit geheel andere hoek woedde, blijkt uit het hoofdstuk 'Meisje van mijn dromen’ in zijn autobiografie. Ver voor Claire Bloom was daar 'Josie’, de blonde, blauwogige serveerster op wier voorhoofd geschreven stond dat ze levensgevaarlijk was en die daarom door de jonge Philip van straat werd opgepikt. Hij vatte het plan op haar te redden van haar trauma’s, veroorzaakt door een alcoholische vader en een gewelddadige ex-echtgenoot. Josie groeide voor Roth uit tot de confrontatie met een nachtzijde van het bestaan waarvan hij geen flauw benul had tot dan toe. Achteraf gezien maakte ze een brutaal soort creativiteit in hem wakker, al was het maar omdat zijn ouders niet bepaald blij met haar waren, maar pas nadat hij naar zijn zeggen bijna aan haar intriges ten onder was gegaan. De enorme energie die vrijkwam als gevolg van haar dood (niet eens door zijn toedoen, maar als gevolg van een auto-ongeluk), nog verder gevoed door een psychoanalyse en het Amerika onder Johnson-moordenaar, deden hem zijn eigen toon vinden voor Portnoy’s klacht.

DIE TOON IS dertig jaar na dato nog steeds onthutsend direct, schaamteloos en aanstekelijk. Portnoy’s klacht is de lange monoloog van Alexander Portnoy tegen doctor Spielganger over zijn moeite om los te komen van zijn Newarkse jeugd, van zijn moeder die hem met een mes dwingt tot eten, van zijn vader die voor een verzekeringsmaatschappij werkt en zondags er op uit wordt gestuurd in de gekleurde buurten, van zijn dikke zus Hanna en van de waarschuwingen van zijn ouders voor de gojim. Vooral gaat zijn bekentenis echter over zijn niet-aflatende drang tot seks. In eerste instantie levert dat één doorlopende oefening in masturbatie op, in openstaande pakken melk, stukken lillende lever die in de koelkast liggen, de bh van zijn zus; later verklaart hij zichzelf tot 'slave of the cunt’ en is hij op sjikses uit. Joodse vrouwen zijn namelijk moeders en zusters; het seksuele verlangen gaat uit naar de Ander.

Niet voor niets eindigt Roths autobiografie bij Portnoy’s klacht. Het verhaal was rond. Eindelijk wist hij hoe hij de verbintenis kon leggen met zijn verleden in die auto’s met zijn vriendjes, wat voor hem de kern van zijn joods zijn was: de overdrijving en het pathos. Tegelijkertijd was er het besef geboren te zijn in een historisch dilemma. In De eenzaamheid van Zuckerman (1981) beschrijft Roth de gevolgen voor Zuckerman van het grote verkoopsucces van zijn roman Carnovski: schandaalverhalen in de pers, de joodse wereld over hem heen, ruzie met zijn broer en de dood van zijn vader. De schrijver gebruikt voor zijn tweede Zuckerman-roman zijn eigen ervaringen om een op zichzelf staand verhaal te verzinnen dat al die ervaringen moet omvatten. Het verzinnen is essentieel, omdat anders het verhaal nooit zo onthullend en krachtig kan worden. Vindt Roth, vindt Zuckerman.

Met Patrimonium: Een waar verhaal (1991) haalt Roth echter de gedachte onderuit dat de door hem verzonnen wereld opwindender is dan de wereld waaraan hij wordt ontleend, al was het maar doordat dit een van zijn mooiste boeken is. In De feiten had Roth al over zijn vader geschreven dat diens kennis de vorm aannam van verhalen en dat zijn repertoire nooit uitgebreid was geweest: familie, familie, familie, Newark, Newark, jood, jood, jood. 'Net zoiets als dat van mij.’ Patrimonium is het verslag van de ziekte en dood van die eeuwig aanwezige vader. In het aangezicht van de dood wordt Roth zich des te pijnlijker bewust van de noodzaak dingen in het geheugen op te slaan en ze met dat oogmerk op te schrijven. Steeds is daar ook die stem van de vader: 'Je mag niets vergeten.’ Het perspectief van de liefhebbende zoon en de niet door decorum en discretie gehinderde schrijver, de brave en de stoute jongen, lijken eindelijk samen te vallen. Het doet er nu allemaal niet meer toe. 'Als je je weerzin eenmaal hebt ontweken en je misselijkheid hebt genegeerd en je je voorbij die ziekelijke angsten weet te storten die net zulke bolwerken zijn als taboes, valt er ontzettend veel leven te koesteren.’

Voor de televisiecamera’s uit loopt Philip Roth door het kleinburgerlijke Newark van zijn jeugd, het voorstadje van New York dat zijn lezers bijna net zo goed kennen als hijzelf, waarvan hij zich aanvankelijk niet kon voorstellen dat hieraan iets te beschrijven zou zijn. Daar staat zijn middelbare school, daar woonde zijn overspelige buurman… Roth vertelt levendig, snel en zonder haperen. 'Als je een echte schrijver bent, onthoud je alles goed.’

De wandeling door Newark echoot de in Patrimonium beschreven rondrit met zijn vader, kort voor diens dood. Zijn vader hield geen moment zijn mond en leverde bij iedere trottoirtegel commentaar. 'Zie je die stoep daar, in 1917 zat ik op die stoep met Al Borak - dat was die vent met die meubelzaak…’ Opeens brengt een lange donkere gestalte, gehuld in trainingsjack, Philip Roth tot struikelen. 'Beeldschoon’, zegt Zuckerman met een sardonische glimlach. 'De joodse lezers zullen hier eindelijk uit opmaken wat ze al decennialang van je willen horen. Dat je ouders een brave zoon hadden, die van hen hield.’