Philips ii

PHILIPS II, KONING van Spanje, grote delen van Zuid-Amerika en van het Nederland van vlak voor en tijdens de Tachtigjarige Oorlog, is door historici eeuwenlang stelselmatig genegeerd. Paradoxaal genoeg wordt dit na lezing van de eerste, zojuist verschenen, diepgaande studie over Philips enigszins begrijpelijk. Biograaf Henry Kamen is vastbesloten recht te doen aan een van de weinige Spaanse monarchen die ooit het wereldtoneel beheersten.

Philips hield iedereen tegen die tijdens zijn leven zijn biografie wilde schrijven. Met als resultaat dat zijn vijanden het alleenrecht verkregen. Vermanend constateert Kamen dat het gitzwarte beeld van Philips’ tegenstanders de geschiedenis nu al vier eeuwen beheerst. Al die tijd was Philips gedwongen ‘te kwijnen in de nevelen van ongeïnformeerde mythologie’.
Kwijnen deed hij zeker. In de Nederlandse geschiedenis heeft Philips de rotsvaste plaats van sukkel verworven. Hij immers stuurde de Armada die wij tot zinken brachten hierheen. Onder zijn schrikbewind kwamen de Nederlanden in opstand. Een man met het patent op wanbeleid. Jacques Presser roept hem (in De Tachtigjarige Oorlog) uit tot 'de grote Besluiteloze’. Presser is nog coulant. In Het Geuzenboek vindt Philips een genadeloze Louis Paul Boon tegenover zich. Boon raakt niet uitgesneerd over de genetisch bepaalde hanglip van de Habsburgers. Keizer Karel kwijlt uit zijn centenbakkie en met diens zoon was het niet veel beter want 'waar Philips ook verscheen, liet hij de lip hangen’. Tweeëntwintig jaar was Philips toen hij Willem van Oranje ontmoette, een succesvolle 'zestienjarige snotaap’. Het is zijn eerste keer in de Nederlanden, en Boon doet er alles aan om geheel in vaderlandse traditie uit dit bezoek een trauma te destilleren. 'Hij had liever boetprocessies gezien dan feestelijke fakkeloptochten’, en wat een triomfantelijke intocht had moeten worden werd een afgang. De stille, contactgestoorde Philips wordt door Oranje weggelachen, van de gebraden sneppen moest hij braken en ook zijn mannelijkheid sloeg een modderfiguur. ’(…) hij haatte al te mooie hofdames die lachten om zijn magere spillebenen, zijn uitzakkende buik en zijn bijna onverstaanbaar Spaans gehakkel.’ Dat laatste kwam door die hanglip.
IS HIJ HIERBOVEN nog geschetst naar het zwartboek van zijn regeertermijn, ronduit satanisch werd hij als men de blik wierp in de schachten van zijn psyche. Dankzij hem is de Tachtigjarige Oorlog zo'n opwindend verhaal. De Nederlanden vochten tegen een Prins der Duisternis; altijd gehuld in rouw, asceet met een lijkbleek gezicht, de pyromane patroon van de Inquisitie. Aldous Huxley zette hem neer 'gekleed en gehandschoend als een begrafenisondernemer in het inktzwart’. Een figuur, vult Presser aan, 'die wij moeilijk los kunnen zien van de troosteloze geblakerdheid der Castiliaanse hoogvlakte’. Boon rustte hem uit met een catalogus vol seksuele aberraties en komt uit op een vernielzuchtige autist die zich het best vermaakt in martelkelders.
Ongeïnformeerde mythologie? Dankzij Kamen weten we dat Philips bepaald redelijk lag bij de dames. Pas bij zijn laatste vrouw, zijn vierde, werd hij monogaam. Daarbij hield hij van feesten, vooral van toernooien en gemaskerde ballen. Philips was een normaal mens, misschien wat verlegener dan Oranje en inderdaad slechts in staat zich verstaanbaar te maken in het Latijn en Castiliaans, maar charmant en met gevoel voor humor. De ruzie die Oranje en hij vlak voor zijn vertrek terug naar Spanje zouden hebben gehad, heeft volgens Kamen dan ook nooit plaatsgevonden.
OM RECHT TE doen aan Philips moeten we de mens in de vorst vinden. Philips’ omvangrijke correspondentie - vreemd genoeg nog nooit eerder onderzocht - vormt een briljante bron. Philips was namelijk bureaucraat. Een vorst die tot ’s(avonds laat zijn brieven en memoranda schreef, voor die tijd zeer ongebruikelijk. De koningen van Engeland en Frankrijk waren lawaaierige personages die onophoudelijk om aandacht vroegen en regeringszaken mondeling regelden. Philips komt uit zijn immense papieren nalatenschap naar voren als een ijverige ambtenaar, vooral geïnteresseerd in efficiency, wars van aplomb en klagend over de stroperige besluitvorming.
Vanaf zijn eerste regeringsjaar vertoonde hij een voorkeur voor overleg. Toen zijn vader geld wilde voor zijn legers riep hij de belangrijkste mannen van Spanje bijeen en vroeg hen naar hun mening. De volgende bijeenkomst vroeg hij de heren om tot één standpunt te komen, het standpunt dat hij als formeel besluit ondertekende. Philips behield natuurlijk wel de uiteindelijke verantwoordelijkheid, al was die in dit overlegcircuit een vrij theoretisch begrip. Dat Philips onomwonden tegen zijn aanbeden vader inging, wijst op persoonlijkheid, het feit dat Philips een zelf bewerkte consensus omarmde, op een bepaalde persoonlijkheid. Reeds als puber wilde hij 'draagvlak’, en daar is nooit meer verandering in gekomen. Maar wat voor hem toen buitengewoon verstandig was, brak hem later op.
DOOR ZIJN TROUWSTE medewerkers werd Philips 'el patron’ genoemd, door diplomaten 'de papieren koning’. Hij is de enige vorst in de zestiende eeuw die werd geprezen om zijn dossierkennis. In zijn eentje deed hij het werk van een heel regeringsapparaat. De vraag rijst hoeveel van zijn naaste medewerkers hij dagelijks zag. Zijn communicatie met hen voltrok zich voor een belangrijk deel op schrift. Opvallend daarbij is de ongedwongen toon.
Interessant zijn de kattebelletjes en volgekrabbelde kantlijnen in diezelfde administratie. Alleen en tussen zijn paperassen braken de momenten aan waarop hij vertrouwelijk werd. Van hoog tot laag ontvingen bij het regeren betrokken personen kleine opmerkingen van hem. 'Ik schrijf je gewoon om me even te ontspannen’, begon hij vaak, om te vervolgen over de werkdruk en hoeveel hij nog doen moest. Of dat hij niet van grote menigten hield en al die mensen die hem aanbaden 'alsof ik een soort bovenmenselijk wezen ben’. Zoiets lees je niet in Presser of Boon. Later ging Philips steeds meer klagen dat hij het werk niet meer aankon, dat hij spullen kwijt was en vergeetachtig werd.
De problemen stapelden zich op. In Spanje kampte hij met hongersnoden en was hij gedwongen het zoveelste bankroet te ondertekenen. Om de Nederlandse belastingakkers veilig te stellen stuurde hij Alva er met een volmacht op uit. De helft van de Nederlandse adel werd onthoofd, een complete stad over de kling gejaagd, gevolgd door een volgende. Philips wist het en doopte zijn pen in de inkt. De dolle paniek moet hem vaak naar de keel zijn gevlogen, maar Kamen verklaart ’s(konings maandenlange absenties liever uit depressie en een behoefte aan rust.
NOG STEEDS IS Philips 'de Mens’ iemand die hoogstens opvalt vanwege zijn bescheidenheid en goede bedoelingen. In dit portret is nog volop plaats voor een macaber dubbelleven als begrafenisondernemer. Hieraan probeert Kamen wat te doen door scherp te stellen op Philips het Gezinshoofd. De eerste tweehonderd bladzijden van de biografie hebben we een introverte vorst leren kennen, nu worden zijn naasten ineens stelselmatig door hem 'overstelpt met affectie’ en is hij minimaal twee keer per bladzijde 'verrukt’ over zijn vrouw, zijn kinderen, zijn neefjes. De biograaf zat zo met zijn sympathie voor de monarch in zijn maag dat hij moeilijk kan kiezen met welk innerlijk Philips het waarschijnlijkst vrijuit gaat. Philips als doe-het-zelvend regeringshoofd werd overweldigd door zijn eigen bureaucratie, maar dat maakt hem nog niet sympathiek. Daarvoor laat Kamen op de valreep Philips als goudeerlijke family man opdraven - onverenigbaar met de sadistische viespeuk.
Het zal nog wel even duren voordat iemand zich in de voetsporen van Kamen waagt. Philips is door historici verwaarloosd, en deze biografie verleent hen een bijna overtuigend excuus. Toch is er een schokkend boek te schrijven over het verbijsterende koningschap van deze wegkijkerige vorst met zijn frunnikende vingers en zijn glimmende onderlip. Kamen zegt dit ook zelf in zijn 'Epiloog’: 'Philips was nooit ook maar in enigszins adequate controle over de gebeurtenissen, zijn koninkrijken of zelfs zijn eigen lot. Hieruit volgt dat hij geen verantwoordelijkheid kan dragen voor meer dan slechts een klein deel van wat zich uiteindelijk afspeelde tijdens zijn regeertermijn.’ Dit komt dicht bij een diagnose van wilsonbekwaamheid.