Phoolan devi

Ze legde zich niet bij het Indiase vrouwenlot neer en werd bendeleidster in plaats van huissloof. Het leverde haar de status van heldin op. Maar nu tegen haar zin haar leven is verfilmd, dreigt de ‘Bandit Queen’ met het meest traditionele antwoord: zelfverbranding.

OP DE MARKT VAN Brixton in London worden fleurig bedrukte T-shirts met onverwoestbare helden als Che Guevara, Bob Marley en MalcolmX verkocht. Er is ook een serie met portretten van ‘wild women’ als Calamity Jane, Mae West en Marlene Dietrich. Curieus genoeg lagen jaren geleden al shirts met de afbeelding van de Indiase bendeleidster Phoolan Devi in de stalletjes. 'Struikrover uit het begin van deze eeuw die de rijken in Madhya Pradesh overviel’, verklaarde een begeleidend velletje papier. Van die explicatie klopt weinig, maar het geeft wel aan hoezeer de mythe van Phoolan Devi zich verspreidt als een olievlek.
Nu de Britse film- en televisiemaatschappij Channel Four haar leven onlangs heeft laten verfilmen en haar biografie in veel landen is vertaald, is de gevreesde Indiase bandietenkoningin definitief een internationaal legendarische figuur geworden. Op het eerste gezicht is het opmerkelijk dat een doodgewoon analfabeet dorpsmeisje dat naar de wapens greep, zozeer is kunnen uitgroeien tot een cultfiguur. 'Bandietenkoningin’ is maar een van de vele eervolle benamingen waarmee ze is gekroond. Ze wordt ook geroemd als 'Wrekende Engel’, 'Dasyu Sundarie’ (Beeldschone Bandiet), 'Reincarnatie van Kali’ (de meedogenloze godin van de wraak) en 'Rebel van de Ravijnen’. Als je bedenkt dat de opeenstapeling van uitbuiting, vernedering, seksueel misbruik en geweld die zij heeft doorstaan exemplarisch is voor de gruwelen in de levens van miljoenen Indiase plattelandsvrouwen, is de mythevorming begrijpelijker. Ondanks de modernisering in de steden heerst op het Indiase platteland nog steeds een middeleeuwse feodale orde en zijn verboden gebruiken als kinderhuwelijken en bruidschatmoorden aan de orde van de dag. Phoolan Devi doorstond de ellende niet alleen, ze sloeg terug.
Natuurlijk is zij een dubieus rolmodel - ze kan zelf het aantal misdaden dat ze beging niet meer tellen. De schattingen lopen op tot zo'n zeventig moorden en berovingen. Het belangrijkste vergrijp waar ze van wordt verdacht is de slachting in Behmai: 22 thakurs werden daar in koelen bloede neergeschoten. Overigens ontkent Phoolan Devi haar betrokkenheid bij het bloedbad: 'Ik geloof niet in mensen vermoorden zonder gegronde reden.’ Hoe dan ook is het een verdienste dat ze rigoreus heeft gebroken met het ideaal van de volmaakt passieve, onderworpen Aziatische vrouw. Zoals de journaliste Yasmin Alibhai-Brown in een bewonderende open brief aan Phoolan Devi in The Independent schreef: 'Je doodde jezelf niet zoals zoveel Aziatische vrouwen doen - in groten getale, zelfs hier in Engeland - als zij worden geconfronteerd met onuitsprekelijk lijden. Jij kroop niet weg in de jou toegewezen schuilplaats en werd geen zwijgende martelares zoals ons allemaal geleerd is te doen. Je gaf jezelf niet de schuld van het geweld en de pijn die je leed. Je deed het beste wat je kon doen: je besloot je leven in eigen hand te nemen.’
TOEN HAAR MOEDER zwanger was van haar, at ze op een avond met nieuwe maan een fijngemalen parel om de goden te bewegen haar een zoon te schenken. Wat heeft een straatarm Indiaas gezin aan meisjes? Toen ze toch een tweede dochter kreeg, smoorde ze die niet, maar noemde ze haar Phoolan Devi, Godin der Bloemen.
Niet dat die mooie naam haar geluk brengt. Van hun povere verdiensten sparen haar ouders voor een rechtszaak tegen een neef van de vader. Zoals zoveel Indiase families is Phoolans Devi’s familie verwikkeld in een conflict over land. Door omkoping van het dorpshoofd en politiek gekonkel heeft de neef het gehele familiekapitaal in beslag genomen en de vader van Phoolan Devi naar een hutje aan de rand van het dorp verbannen. De familietwist is Phoolan Devi’s eerste confrontatie met onrecht - onrecht dat onontkoombaar verknoopt is met de verhouding tussen de kasten.
Phoolan Devi stamt uit de kaste van de mallahs, vissers, die een subkaste van de sudra’s vormen en aan de onderkant van de hindoehierarchie staan, veroordeeld tot handarbeid en minachting van de rest van de dorpsgemeenschap. Alleen de 'onaanraakbaren’, die met het vuilnis en de uitwerpselen van anderen omgaan, en de 'lijfeigenen’, wier voorouders schulden hebben achtergelaten, zijn armer en machtelozer. Boven de sudra’s staan achtereenvolgens de brahmanen (priesters), kshatriya’s (krijgers) en vaishya’s (handelaren). De thakurs, waar Phoolan Devi een vurige haat tegen koestert, zijn een subkaste van de kshatriya’s. Aan je kaste kun je alleen met geld en goederen ontkomen: door de toeeigening van het familiebezit staat de neef economisch en sociaal op gelijke voet met de thakurs.
Phoolan Devi zal haar hele leven tegen de grenzen van haar kaste botsen. Als een bruidegom uit een hogere kaste de elfjarige Phoolan voor een melkkoe en een fiets wil kopen, heeft haar vader weinig in te brengen. Haar twintig jaar oudere echtgenoot eist bruut dat zij haar huwelijkse plichten vervult, waardoor zij voor het leven getraumatiseerd raakt. 'Ik begreep de betekenis van de term “echtgenoot” niet’, zou Phoolan Devi later met gevoel voor understatement zeggen. Zoals ze ook haar eerste verkrachting door politieagenten met vergelijkbare gematigdheid beschrijft: 'Ze hadden een hoop plezier ten koste van mij.’
Omdat zij weinig gewillig is, wordt zij door haar man weggestuurd en is zij gedwongen voortaan in schande te leven. 'Nu zal ze ronddwarrelen als een blad’, zegt haar vader daarover in de film. Hij krijgt meer dan gelijk: als Phoolan Devi door een bandietenbende wordt ontvoerd, is ze voorgoed een 'outcast’ en 'outlaw’. Ze zal voortaan in het desolate berglandschap van Uttar Pradesh in het noorden van India leven. De felgekleurde sari zal plaatsmaken voor het kaki uniform en de rode bandana om het hoofd. Haar bestaan zal geen rust of vast patroon meer kennen: de benden verplaatsen zich voortdurend, gemiddeld leggen ze zo'n veertig kilometer per dag te voet af, ze slapen in de open lucht, gewikkeld in zeildoek, en eten onregelmatig omdat vuur de politie op hun spoor kan brengen.
DE STOFFIGE STREEK van zware zandkammen en diepe ravijnen, dagelijks geranseld door een felle zon, is van oudsher een broedplaats van rebellie. De vermaarde bendeleiders hebben over het algemeen een Robin Hood-achtige reputatie. Vandaar dat de betiteling 'dacoit’, gewapende rover, als een belediging wordt gezien en bendeleden zichzelf als 'baghi’, rebel, beschouwen. Er bestaat inderdaad zoiets als nobel uitgeoefend dacoit-schap: de legendarische bandiet Mansingh gaf royaal aan de armen en trad op tegen de uitbuiting van de rijken.
Vikram Mallah, de grote liefde van Phoolan Devi, die haar het geweer leert hanteren en haar doceert hoe ze zich in het hete zand uit de voeten moet maken, plaatst zich trots in die traditie. Hij is net als Phoolan Devi uit de laagste kaste afkomstig, waardoor zijn solidariteit bij de armen ligt. Waren de benden lange tijd in de handen van de takhurs, Vikram Mallah behoort tot de eerste sudra’s die de stengun ter hand nam.
Alhoewel Phoolan Devi als een helse furie door wraak wordt gedreven, wordt ook zij als een Robin Hood vereerd. Nadat Vikram Mallah door medebandieten is vermoord en Phoolan Devi slachtoffer is geworden van een gangrape, is wraak inderdaad haar motor. Haar haat geldt de thakurs - zowel haar neef als haar verkrachters behoren tot die geprivilegieerde kaste - en dat is een haat die door de meeste sudra’s wordt gedeeld. Het maakt dat haar reputatie hybride is: ze is schrik en gesel van de rijken en heldin van de armen. Dat maakt dat Phoolan Devi een politieke factor wordt waarmee rekening moet worden gehouden. Aangezien de politieke machthebbers de kiezersgunst van de armen niet willen verliezen, ligt een compromis voor de hand.
Na vergeefse klopjachten op de bandietenkoningin door paramilitaire troepen wordt Phoolan Devi ertoe bewogen zich over te geven. In een maandenlange onderhandeling met de politie formuleert zij een dwingende lijst van verlangens: rehabilitatie van haar familie, banen bij de politie voor haar broer en zwager, een gevangenisstraf van acht jaar, twee warme maaltijden per dag, et cetera. In februari 1983 vindt de overgave plaats in het stadje Bhind, waar een metershoog podium voor de plechtigheid is gebouwd. Duizenden mensen wonen de historische gebeurtenis bij, al naar gelang hun kaste juichend of jouwend.
Inmiddels is Phoolan Devi, na elf jaar gevangenschap, weer op vrije voeten. Nog steeds is zij de lieveling van de armen. Op markten zijn beeldjes uit klei van haar te koop, in uniform en met geweer over haar schouder. Er worden heldhaftige liederen over haar gezongen, er wordt voor haar gebeden en er is nu dus wederom een film over haar gemaakt. Die nietsontziende film is inmiddels in India verboden, maar is tegelijk de meest begeerde underground-video van het land. De autoriteiten vrezen de opstandigheid van de honderden miljoenen arme plattelandsbewoners.
Phoolan Devi is het van harte met de censuur eens: zij is mediaster tegen wil en dank. 'Ik wordt voorgesteld als een massa-verkrachte vrouw die werd gedwongen tot wraak en die zonder genade talloos veel mensen vermoordde. Mijn verhaal is dat van armoede, honger en onrechtvaardigheid’, luidt haar commentaar. Heeft ze nooit voor de traditionele opties gekozen, nu dreigt ze zichzelf in brand te steken als de film in India wordt vertoond.