18 september 1925 – 26 november 2009

Pia Beck

Pia Beck was niet alleen een uitzonderlijk talent in de wereld van de jazz, ze was ook revolutionair seksueel geaard, al omhelsde ze nooit ‘het woord’.

ZE HAD EEN ALLURE die Nederland oversteeg. Met haar zorgvuldig geboetseerde platinablonde kuif, haar glitterjasjes en -bloesjes, haar voorliefde voor sportauto’s en de op haar gezicht gebeitelde lach had jazzpianiste Pia Beck een glamour die je hier te lande nauwelijks zag, zeker niet in de jaren vijftig, toen ze op het hoogtepunt van haar roem was.
Haar dood, aan het eind van vorige maand, staat in de schaduw van die van Ramses Shaffy, slechts een paar dagen later. Shaffy werd de afgelopen week bijgezet als onze troetelbohémien, als de artiest die in de jaren zestig met zijn grenzeloze vrijheidsdrang en charisma eigenhandig de grauwsluier van de jaren vijftig wegtrok. Ramses Shaffy was de mateloze zanger en drinker die niet alleen op het podium, maar ook in cafés, op straat, in de hele stad straalde, terwijl Pia Beck floreerde in de gracieuze wereld van de nachtclub, bezocht door mannen in smoking en vrouwen in galajapon. Daar was niet veel mateloos aan, eerder was het er beheerst, en zelfs een tikkeltje deftig. Maar Beck was niet minder eigenzinnig dan Shaffy, haar leven heeft, net als het zijne, mythische trekken en net als hij was zij een voorvechter van de seksuele bevrijding. Was Shaffy panseksueel – volgens Joop Admiraal was ‘heel Amsterdam’ verliefd op Ramses –, Pia Beck was in de jaren vijftig al openlijk en onproblematisch lesbisch.
Om met de mythe te beginnen: Pia Beck was, naar eigen zeggen, een geboren zigeuner, een natuurtalent. Duwde je haar een klarinet, accordeon of ukelele in handen, dan bespeelde ze die, zonder ooit een les te hebben gevolgd. Tijdens haar eerste pianoles speelde ze meteen de etudes die haar zus bloedig instudeerde. Ze hoefde muziek maar éénmaal te horen en ze speelde het na. Op het conservatorium adviseerden ze haar binnen de kortste keren geen les meer te nemen. Noten heeft ze zo nooit leren lezen. En daar koketteerde ze haar hele carrière mee. Haar website vermeldt het met onverholen trots: ‘Ze kan geen noot lezen, al is hij zo groot als een koe.’
In de oorlog maakte ze deel uit van de Samoa Girls, een Haags meidengroepje dat Hawaïaanse deuntjes zong en begin 1945 trad ze als pianiste en zangeres toe tot het populaire swingcombo The Millers. Energiek als ze was, richtte ze in 1949 haar eigen trio op, waarmee ze furore zou maken in nachtclubs, waarvan De Vliegende Hollander in Scheveningen de meest legendarische was. De mensen stonden er buiten voor de raampjes om maar een glimp van haar op te kunnen vangen.
Vanaf 1952 tot halverwege de jaren zestig ging Beck jaarlijks scheep naar de Verenigde Staten, waar ze haar bonkige boogie-woogie en de songs uit het Great American Songbook ten gehore bracht in beroemde jazzclubs als Birdland (New York), The Blue Note (Chicago) en Crazy Horse (Hollywood). Ze was inmiddels zo beroemd dat alle Nederlandse kranten berichtten over haar vertrek, en opnieuw opgelucht schreven als de ‘Flying Dutchess’ (naar het coververhaal over haar in Time Magazine) in Nederland weer voet aan wal had gezet. Ze was ook de eerste Nederlandse artiest voor wie een fanclub werd opgericht – een nog zeldzaam fenomeen in de fifties.
Over Pia in Amerika konden fijne, mythische verhalen worden verteld. Hoe Billie Holiday – ‘in haar nadagen’ – jaloers een fles naar haar hoofd gooide. Hoe Sarah Vaughan een verjaardagstaart in haar gezicht duwde. Dat Oscar Peterson haar de beste vrouwelijke jazzpianist ter wereld noemde. Dat ze de dikste maatjes was met Erroll Garner, Nat King Cole en Dizzy Gillespie. En ze speelde voor generaal Eisenhower, modekoningen, intellectuelen en het Engelse koningshuis. Toen ze rond de zeventig was, werd ze nog ingevlogen op een verjaardagsfeestje van de godfather onder de Amerikaanse anchormen Walter Cronkite.
Dat ze niet definitief voor de VS koos, had alles met haar ‘revolutionaire seksuele geaardheid’ te maken. Al begin jaren vijftig ontmoette ze haar grote liefde, Marga Samsonowski, met wie ze de rest van haar leven zou slijten. Marga’s ex-man stond het niet toe dat zij met haar drie kinderen naar Amerika zou vertrekken en Beck liet de liefde zwaarder wegen dan het succes.
Ze mocht dan moeite hebben met de betiteling (‘Ik loop niet te koop met het woord lesbisch’), Pia Beck heeft er nooit geheimzinnig over gedaan dat ze hield van een vrouw. Wat Bet van Beeren, de legendarische eigenares van café ’t Mandje, in de jaren vijftig deed voor volkse Amsterdammers straalde Beck uit in de wereld van het entertainment. Als Bet van Beeren op de Zeedijk werd uitgescholden voor ‘lollepot’ had ze haar antwoord klaar: ‘Beter een lollepot als van onderen gesloten!’ In haar autobiografie De Pia Beck story haalt Beck een prachtig en tegelijk zeer gevaarlijk eufemisme voor de vrouwenliefde aan: ‘Libisch gedoe’. Het tekent het taboe dat op homoseksualiteit lag.
In interviews vertelde Beck graag dat ze bezoekers die insinuerend met hun ene hand op de rug van de andere sloegen uit de nachtclub liet verwijderen. Maar met mijn wufte oma – en ander vrouwelijk publiek – zat ze van achter de piano openlijk te flirten. En ze deed mee aan een protestavond tegen antihomoactiviste Anita Bryant (‘één of andere rare juffrouw uit Florida’) en zong daar ‘If you were the only girl in the world, and I was the only girl’.
Er is wel gemopperd dat Pia Beck ‘het woord’ nooit omhelsde, maar een lesbisch icoon was ze en in feite was ze haar tijd zo ver vooruit dat ze vanaf de jaren vijftig met grote vanzelfsprekendheid het leven leidde dat nu gebruikelijk is: met haar vriendin en haar kinderen vormde ze een gezin, dat vanaf 1965 in het Spaanse Andalusië woonde, in een klein dorp in de bergen, waar haar schoonmoeder en kleinkinderen kind aan huis waren.