Junya Noguchi, Keisuke Koyano en Hideaki Yamada van de Japanse band Kukangendai © Mayumi-Hosokura

Volgens Brian Eno zijn muzikanten in grofweg twee categorieën onder te verdelen: boeren of cowboys. Boeren verbouwen hun gewassen al generaties lang op hetzelfde stukje vruchtbare grond, terwijl cowboys eropuit trekken om onontgonnen gebieden te ontdekken. Componist en associate artist van het Holland Festival 2021 Ryuichi Sakamoto behoort bij uitstek tot de laatste categorie. Cowboys trekken doorgaans graag met elkaar op, dus het is niet opmerkelijk dat hij de avant-gardistische Japanse band Kukangendai heeft uitgenodigd voor twee concerten in het Amsterdamse Bimhuis.

De muzikale expeditie van gitarist en zanger Junya Noguchi, bassist Keisuke Koyano en drummer Hideaki Yamada begint in 2006. Noguchi studeert in die tijd aan de gerenommeerde Waseda-universiteit in Tokio en volgt colleges van muziekcriticus Atsushi Sasaki. Diens boek ex-music en de elektronische muziek van het Duitse collectief Oval inspireren het drietal tot een conceptuele benadering van muziek. In de jaren daarop brengt Kukangendai een handvol weerspannige platen uit waarop de bandleden dweepzuchtig experimenteren met diverse methodieken.

Zo gummen ze dikwijls willekeurige noten uit hun composities, smeden ze onnavolgbare asynchrone patronen of houden ze muzikale bokspartijen waar hun instrumenten wedijveren om de aandacht van de luisteraar. Dat er door het initiële gebrek aan muzikale ervaring fouten worden gemaakt, vormt allerminst een obstakel. Menselijke fouten berusten op willekeur. En willekeur is het belangrijkste middel in het arsenaal van de cowboy. Het pad van de willekeur kan namelijk zomaar naar een verborgen schat leiden.

Na vijftien jaar driftig experimenteren en diverse samenwerkingen met onder andere het rapcollectief Moe and ghosts, ECD, theatergroep Chiten, Ryuichi Sakamoto en poëet Gōzō Yoshimasu heeft de band een vruchtbare grond gevonden die door weinig anderen is gecultiveerd. Hun recentste muziek klinkt ‘gebroken’, alsof de moleculen waaruit rockmuziek bestaat in losse atomen uiteen zijn gevallen. Het hoofd wordt met een kluitje het riet in gestuurd, naarstig op zoek naar iets om op in te haken, terwijl het hart vervuld raakt van de muzikale morsecode die de gitaar, bas en drums smeden. Het is funk, punk, mathrock en ambient. En tegelijkertijd is het géén van deze stijlen.

Er is een scène in de documentaire Coda waarin Ryuichi Sakamoto een gehavende piano staat te bestuderen die de tsunami van Fukushima ternauwernood heeft overleefd. Het instrument klinkt broos en vals. Het water heeft de snaren ‘ontstemd’. ‘Tijdens het productieproces van de piano heeft de mens de natuur naar zijn wil gebogen. De snaren zijn gespannen op een manier die wenselijk is binnen het muzikale raamwerk dat wij ervoor hebben bepaald. De tsunami heeft in één klap de natuurlijke orde in het instrument hersteld. Dit is hoe het instrument wil klinken’, vertelt Sakamoto. Daar valt niet over te theoretiseren.

De cowboys van Kukangendai zijn geïnteresseerd in de muzikale raamwerken waar het hoofd geen raad mee weet. Verstehen in plaats van erklären. Dit zijn de ongerepte vruchtbare gronden waar Brian Eno over spreekt. Het vereist een radicale inspanning van zowel de artiest als de luisteraar, maar aan het einde reis wacht een onontgonnen paradijs.

Kukangendai, donderdag 17 juni in het Bimhuis; hollandfestival.nl