Piano aan het water ‘je gaat niet serieus achter je tekentafel zitten en denken: nu maak ik een gebouw dat op een schip lijkt’

Zijn hele oeuvre zou een ode aan de haven zijn, van Centre Pompidou in het hart van Parijs tot het zojuist geopende newMetropolis in het Amsterdamse Oosterdok. Maar dat deze schepping van Renzo Piano aan het IJ zo aan een schip doet denken, is volgens de architect puur toeval.
HET VERHAAL gaat zo: tijdens de eerste ontmoeting met de opdrachtgever in een restaurant in Genua zette de Italiaanse architect Renzo Piano een paar vluchtige lijnen op de achterkant van de rekening. Door die geniale inval lagen de contouren van zijn ontwerp voor newMetropolis, het nieuwe science center op de kop van de IJ-tunnel, al meteen vast. Terwijl de tunnel het water in duikt en de stroom auto’s op weg naar Amsterdam-Noord opslokt, maakt het gebouw een vlucht naar boven. De beweging naar beneden, de duisternis in, krijgt zo een logische tegenbeweging, omhoog naar de zon en het licht.

‘Dat is maar mythologie, ik maak voortdurend schetsen’, zegt Piano en hij tovert een mapje vol papiersnippers uit zijn broekzak te voorschijn. 'Het is mijn manier om nieuwe informatie te verwerken. Zoals sommige mensen waar dan ook aantekeningen maken, zo schets ik. Ik kan best een schets in het restaurant hebben gemaakt, maar daarmee had ik de oplossing nog niet. Er zijn geen trompetten in de architectuur die een oplossing aankondigen.’
Piano zet zijn handen voor zijn mond, maakt een trompetterend geluid en lacht hartelijk. 'Het proces is dat je werkt en werkt en doorwerkt. Architectuur is teamwork, je heb gesprekken met de opdrachtgever, je luistert, wat niet betekent dat je klakkeloos doet wat de mensen je vragen. Dan ga je zitten en probeer je een eerste ontwerp te maken. Wat newMetropolis betreft, kwam ik snel tot de conclusie dat het gebouw niet verborgen kon worden. Het gebouw is op een extreme manier zichtbaar, het ligt midden in de haven, midden in het water, en je kunt niet pretenderen dat het vanzelf deel uitmaakt van de stad. We hadden zelfs geen land, we hadden alleen maar een locatie, een ingang en een tunnel. Het gebouw wordt als het ware losgerukt uit het weefsel van de stad. Camouflage was dus geen oplossing.’
Ook nu begint hij te tekenen. Op onze papieren. In de lucht beschrijft hij een saai vierkant gebouw; op papier is razendsnel newMetropolis gekrabbeld. Een hellende lijn is veel spannender en dynamischer, verklaart hij, het lijkt op een ketting waaraan een schip ligt gespannen.
Er kleeft een tweede mythe aan newMetropolis die Piano graag ontzenuwt: de mythe dat hij opzettelijk voor de metafoor van een schip heeft gekozen. 'Op een gegeven moment kwam er een vriend kijken en die zei dat het gebouw op een schip leek’, herinnert hij zich. 'Maar dat is niet de manier waarop je iets maakt. Je kunt niet serieus achter je tekentafel gaan zitten en denken: nu ga ik een gebouw maken dat op een schip lijkt. Dat is belachelijk.’
Maar al verzet Renzo Piano zich er nog zo heftig tegen, het science center ligt wel degelijk als een oceaanstomer met een koperen boeg in het Oosterdok. En 'metafoor van een schip’ mag dan kinderachtig klinken, het gebouw is volkomen vanzelfsprekend aan de Prins Hendrikkade aangemeerd. Het ligt er of er niets anders kan liggen. Vanaf de Oude Schans heb je prachtig zicht op een gestaag zinkende Titanic of een langzaam uit het water opdoemende tanker - het is maar hoe je het bekijkt. De liftschacht die boven het gebouw uit steekt, verandert in je verbeelding in de schoorsteen van het schip. En als je het gebouw vanaf de Valkenburgerstraat nadert, lijkt het of het gat van de tunnel de toegang vormt tot de buik van de boot. Hoe dan ook maakt het futuristische gebouw van het Oosterdok opeens een heel aantrekkelijk stuk stad. Als je er langsfietst, denk je: wij gaan aan boord! Het zeegat uit!
Het heeft iets ronduit rechtvaardigs dat juist Renzo Piano (1937) de opdracht heeft gekregen newMetropolis te ontwerpen. In veel van zijn gebouwen heeft hij zijn liefde voor de waterkant, zijn verlangen naar zee tot uitdrukking gebracht. 'Ik ben in Genua geboren’, vertelt hij, 'en Genua is een havenstad. Met mijn vader ging ik vaak naar de haven en dat is iets fantastisch voor een kind. Je kunt je er veel verbeelden over reizen, ontsnapping en constante verandering. Niks blijft er hetzelfde. De haven voedt mijn verbeelding nog steeds.’
Zelfs het Centre Pompidou, het gebouw dat hij in 1971 samen met de Brit Richard Rogers ontwierp en dat midden in Parijs staat, wordt met de haven in verband gebracht. Het gebouw dat Piano beroemd maakte, wordt met zijn doorzichtige roltraptunnels, zijn buizen, felgekleurde ontluchtingspijpen, stangen, staal en glas met een raffinaderij vergeleken. Een Genuese criticus noemde het zelfs een ode aan de haven. Zelf noemt Piano Beaubourg liever een ruimteschip: 'Het beeld kwam op omdat het makkelijk was om te zeggen dat in het midden van Parijs het plateau Beaubourg was, een lege ruimte, en daar landde plotseling iets.’
Behalve de opdracht voor het Centre Pompidou, een van de meest provocatieve gebouwen van de laatste vijftig jaar, sleepte Piano die voor het bouwen van de duurste luchthaven ter wereld binnen. Het Kansai-vliegveld (1993) ligt op een kunstmatig eiland voor de kust van Osaka in Japan; daar gaat het op een heel andere manier met de grens tussen land en water om. Verdwenen is de nadrukkelijke high tech-architectuur van Beaubourg. De luchthaven en het bijbehorende station liggen als sierlijk gewelfde watermonsters in de baai.
DE GESCHIEDENIS van newMetropolis gaat terug tot 1981, toen de directie van het NINT het idee opperde een nationaal wetenschapsmuseum op te richten. In 1988 liet het NINT een haalbaarheidsstudie uitvoeren, een jaar later werd de kop van de IJ-tunnel als locatie voorgesteld. In 1990 werd Renzo Piano benaderd voor het maken van een schetsontwerp. Het zou echter nog zo'n drie jaar duren voor de financiering rond was - newMetropolis kostte een slordige 85 miljoen, bij elkaar gebracht door de overheid, de gemeente en het bedrijfsleven.
In 1995 werd begonnen met de bouw. Het eerste ontwerp van Piano was inmiddels grondig gewijzigd: in plaats van één hellingbaan die toegang biedt tot het dak had het eerste ontwerp twee banen die de tunnel als het ware omarmden. De hoofdingang werd van onder de voorplecht van het gebouw naar de zuidwestkant verplaatst, waardoor het gebouw een hoek heeft en er een klein voorplein op de tunnelpier ligt. De derde verandering gold de benedenverdieping: die is van glas, terwijl ze in het oorspronkelijke ontwerp veel minder transparant was.
Behalve de omhoogklimmende vorm stond één ding vast: het gebouw moest een voor iedereen toegankelijk plein krijgen. Het plein moest voor de delicate balans zorgen tussen de toekomst, het utopische ding dat het science center is, en het verleden, de historische stad. Piano spreekt consequent van 'piazza’; het hellende plein op het dek van newMetropolis krijgt daardoor bij voorbaat Italiaanse allure.
'De piazza is niet alleen een sociale vorm’, legt Piano uit. 'Het heeft ook een noodzakelijke functie. Als je een gebouw als dit maakt dat door misschien wel vijfduizend mensen per dag wordt bezocht, heb je een plaats nodig waar mensen elkaar kunnen ontmoeten. Ik weet hoe dat werkt, in Pompidou komen 25.000 bezoekers per dag. Bij Beaubourg hebben we ook een hellende piazza gemaakt en omdat het hellend is, krijg je een heel dynamische ruimte. Het geeft je een soort instinctieve verhouding tot de omgeving. Zelfs op de Potsdamer Platz in Berlijn, waar ik nu werk aan een nieuw stuk stad dat uit de grond verrijst, is alles gecentreerd rond een plein, al is dat niet hellend. De pier waar newMetropolis op staat, was veel te klein om een echte piazza op aan te leggen. Bovendien is er te veel lawaai van het verkeer. De enige oplossing was om op het dak te bouwen, want als je de piazza daar maakt, krijg je een extra dimensie.’
Amsterdam is een platte, eendimensionale stad, schrijft Piano in zijn recent verschenen Architektur-Logbuch. Anders dan in andere wereldsteden heeft de stad geen heuvels, er zijn geen hoge uitzichtpunten die je over de stad laten uitkijken. Piano: 'Met de piazza geef ik Amsterdam driedimensionaliteit. Het plein zorgt voor de dialoog tussen het gebouw en de stad. Op het dak is het stiller en ook nog mooier. Want door puur toeval ligt de helling naar het zuiden, je kijkt naar de zon en naar de stad. Je kunt omhooglopen en het gebouw binnengaan. Je kunt het gebouw vanaf het dak of vanaf de basis benaderen, er zijn twee entrees, dat maakt van het gebouw een heel tolerant instituut.’
IS HET TOEVAL dat je vanaf het dakplein alleen de stad kunt zien en niet naar het noorden, naar het water, de spoorweg en de IJ-haven kunt kijken? Je kunt dat haast symbolisch interpreteren: vanaf de rug van het center kun je alleen omzien naar het verleden, naar de historische stad.
'Wat is daar verkeerd aan?’ antwoordt Piano. 'Het gebouw heeft een dubbele verhouding met de stad, want als je naar binnen gaat, kom je wel in de moderniteit terecht. Het gebouw is heel simpel, het celebreert niets, het is niet triomfalistisch, maar het is de toekomst. Bij een publiek gebouw als dit moet je trouwens wachten, want het moet nog deel worden van de rituelen van de stad. Helaas is het meest verkeerde aan elk nieuw gebouw dat het nieuw is. Het is nog niet van de mensen. Toen we Beaubourg maakten, was het heel moeilijk om het door de mensen geaccepteerd te krijgen, maar nu is het een van de meest Parijse gebouwen van de stad.
Veel wetenschapsmusea geven op een triomfalistische manier vorm aan een optimistische wereldvisie die door de wetenschap wordt bewaakt. Wij wilden dat niet, we wilden iets maken wat complexer was, humanistischer en informeler. We wilden iets tolerants, toegankelijks doen en niet een museum maken dat je via een strikte route opdraagt van stap één naar stap twee te gaan. Hier kun je je vrij bewegen, van boven naar beneden, je mag het bezoek op het dak beginnen of beneden. Dit soort vrijheid wilden we heel nadrukkelijk.’
Inderdaad legt het center geen dwingende volgorde op. Op alle vijf verdiepingen van newMetropolis staan zogenaamde 'exhibits’ rond een thema - energie, financiële transacties, transport of menswetenschap - en als je wilt, kun je er kriskras langs gaan. Toch wordt in vakblad De Architect gesteld dat het gebouw met 'de optimistisch stijgende daklijn en de verwantschap met een scheepsromp, (…) een boegbeeld voor wetenschap en techniek is geworden dat teruggrijpt naar de blijmoedige mythische geest van het vooruitgangsdenken’.
'Doe niet zo belachelijk’, valt Piano ons in de rede. 'Dit museum wil vooral plezier uitdragen. Dit gebouw wordt door miljoenen kinderen en jonge mensen bezocht, dan moet je toch vooral een plezierige plek maken. In die zin is newMetropolis net als Beaubourg een provocatie, zelfs de felgroene koperkleur is provocatief. De provocatie is dat het gebouw niet alleen functioneel is, het is vol van kleur, onvoorspelbaarheid en spanning. Het biedt een voortdurende ontdekkingsreis, je kunt alle kanten op. Dat is geen triomfalisme, het gebouw heeft meer weg van gigantisch speelgoed waar je ook nog in kunt. Het is een grap.’
OVER PIANO wordt vaak gezegd, en hij zegt het ook zelf, dat hij een bescheiden architect is die zich nederig aanpast aan het weefsel van de plek waar hij gaat bouwen. Hij staat bekend als een humanistische bouwmeester die sociale en menselijke architectuur die past bij de plaatselijke omstandigheden en de traditie belangrijker vindt dan het geniale gebaar. Hij betitelt zichzelf bij voorkeur als 'machinatore’, als de ambachtsman die geen intellectualistische theorieën afsteekt maar zich bekwaamt in alle facetten van het métier. Maar is newMetropolis bescheiden? Het gebouw is toch een groot ding dat aan het water ligt, een groot gebaar?
'Ik zou moeten stoppen met zeggen dat ik bescheiden ben’, geeft Piano toe, 'want bescheidenheid is een grote kwaliteit, maar je hebt het of je hebt het niet. Maar als je architect bent, kun je niet bescheiden zijn omdat je werk utopisch is. Uiteindelijk kun je geen architect zijn zonder het idee te hebben dat je in zekere zin de wereld verandert. Je moet een visie op de wereld hebben, maar je moet ook niet zo aanmatigend en brutaal zijn dat je werkelijk denkt dat je de wereld verandert. Ik hou niet van arrogante mensen en ik denk dat de manier waarop je je als architect, schilder, schrijver, musicus gedraagt niet arrogant hoeft te zijn. Dat betekent niet dat wat je doet bescheiden is. Wat je doet, mag soms zelfs niet bescheiden zijn omdat mensen meer van je verwachten dan een eenvoudige retoriek van bescheidenheid.
In het geval van newMetropolis pasten we ons aan de omgeving aan door ons niet aan te passen. Het is een low budget-gebouw, maar dat is niet negatief. Zelfs als er heel veel geld was geweest, was het geen goed idee geweest een heel groot gebouw neer te planten. De soberheid is goed, het center is als een fabriek, we gebruiken vaak de term “nobel factory”. De materialen zijn ook simpel: glas, baksteen, koper. Koper is een heel goed en duurzaam materiaal om mee te bouwen. Ik combineer graag heel verschillende materiaalsoorten. Het baksteen dat ik heb gebruikt is traditioneel Amsterdams, het koper is ook traditioneel en glas en aluminium zijn weer modern. Het kantoor voor Mercedes-Benz dat ik bouw op de Potsdamer Platz is heel modern en daar gebruik ik keramiek voor. Je kunt zulk soort materiaal als het ware opnieuw uitvinden.’
Piano ontwikkelt kortom niet alleen allerlei nieuwe technieken en zelfs nieuw instrumentarium, hij vindt ook oude dingen 'opnieuw’ uit. Piano: 'Als je werkt op de grens van moderniteit en traditie - wat de belangrijkste opdracht is voor onze tijd en onze Europese cultuur - dan moet je een zekere ambiguïteit accepteren. Ambiguïteit kan soms iets heel positiefs zijn. Het is niet positief als het op ethiek aankomt, maar in de kunst is het dat wel. Het impliceert complexiteit.’
OF DAT HETZELFDE is als postmodernisme, vragen wij naïef. 'Praat me niet van postmodernisme’, zegt Piano. 'Ik ben geen criticaster van het postmodernisme, maar in de architectuur zijn veel modes die opkomen en weer verdwijnen en ik denk dat dat afleidt van de helderheid van de architectuur. Het postmodernisme is zo'n mode. Ik denk dat het maken van gebouwen een ernstig beroep is. Al wil ik niet moralistisch zijn, vooral omdat een architect geen moraal moet prediken maar een moraal moet bouwen. Dat is iets totaal anders. Maar zodra je heel veel belang gaat hechten aan expressie zonder je al te veel over de inhoud af te vragen, verval je snel in een totaal oppervlakkig academisme.
Ik ben na het Centre Pompidou heel vaak, zeker tot tien jaar geleden, als high tech-architect gezien. Iemand heeft dat label op mij geplakt en men houdt dat graag zo. Beaubourg was ook zo'n grote en belangrijke ervaring en ik was toen pas 33 jaar oud en Richard Rogers 36. We waren angry young men.’
Het etiket dat men Piano nu het liefst opplakt is dat hij geen dominante stijl heeft, maar een die wisselt van context tot context, van project tot project. Piano: 'Natuurlijk heb ik een stijl, want ik pak de dingen op een bepaalde manier aan. Maar ik weiger om een stijl te hebben in de zin van een begrip, een vaste manier om een gebouw te maken. Het is een gevangenis als je ertoe overgaat om jezelf te imiteren. Voor mij is de architect te vergelijken met Robinson Crusoë: je bent een uitvinder, je moet steeds de plek waar je bent aangespoeld veroveren, je moet steeds opnieuw beginnen. Hoe kun je dan zeggen: het is mijn methode om gebouwen op zo'n manier te maken? Dan wordt het een soort gimmick. Je moet telkens weer de uitdaging accepteren en de moed opbrengen om koppig in het donker te zien en op het antwoord te wachten. Je kunt niet op een systeem vertrouwen. Dat is mijn bezwaar tegen het postmodernisme, of welk “isme” dan ook - het past een formule toe en zoekt niet meer naar een oplossing.’