Kunst: Stedelijk Base

Picasso en Sneeuwwitje’s doodskist

In de kelderzaal van het Stedelijk Museum gaat Rem Koolhaas van bureau AMO de competitie aan met de vaste collectie. Die moet het afleggen tegen de sterarchitect.

Medium 2 original
Stedelijk Base, vlnr Otto Piene, Niki de Saint Phalle en Francis Bacon © Gert Jan van Rooij / c/o Pictoright Amsterdam

De nieuwe collectiepresentatie van het Stedelijk Museum in Amsterdam is van boven gezien net een flipperkast: een lange rechthoek ingericht met schuine hoeken waar de kunst van de vloer tot aan het plafond staat opgesteld. De buitenmuur springt naar voren en wijkt weer naar achteren, er steken vitrines ingericht met klokken en stoelen uit. Kleine muren dragen grote schilderijen, grote muren dragen meerdere kleine. Her en der schijnt licht, de ronde Artichoke-lamp van Poul Henningson, iets verderop de strakke drie-buizenlamp van Rietveld en helemaal achter in de zaal, op het hoogste punt aan de muur, staat in blauw neonlicht de langgerekte voornaam van Bruce Nauman geschreven, My Name As Though It Was Written On The Surface Of The Moon (1968). Het midden van de grote zaal is gevuld met een open labyrint van vrijstaande wanden, een ontwerp van scherpe lijnen met hier en daar een knik. Het geheel is een duikeling van perspectieven waar de bezoeker in wordt losgelaten. En o, voor dit uitzicht sta je boven op de Harrenstein slaapkamer van Rietveld en Truus Schröder-Schräder, die voor de presentatie een opgang in de vorm van een trap en een dakterras kreeg.

De inrichting komt van Rem Koolhaas, die samen met amo-collega Federico Martelli en voormalig Stedelijk-directeur Beatrix Ruf lang aan het concept werkte en langer dan beloofd aan de uitvoering. Onder Rufs beleid werd het museum opgedeeld in drie delen: Stedelijk Base, Stedelijk Turns en Stedelijk Now. Stedelijk Base is de vaste collectiepresentatie, nu ingericht voor een periode van zeker vijf jaar, en Stedelijk Turns maakt actuele tentoonstellingen met die collectie in het historische gebouw, naast Stedelijk Now met de wisselende tentoonstellingen. Ruf zag dat de vaste opstelling van de collectie ook in de nieuwbouw kon komen, een interessante zet want eindelijk is die grote zaal in de kelder te gebruiken voor wat ze is: een grote zaal, in plaats van een die met muurtjes in kleinere ruimtes wordt opgedeeld. Er is een nieuw lichtsysteem aangelegd dat in lange banen over het plafond loopt en het licht over de gehele ruimte uitstort. De vrijstaande wanden, vlakken van metaalgrijs en museumwit, wekken de suggestie dat je ze zo op kunt pakken en verplaatsen, opzij zou kunnen schuiven of zelfs wegklikken als een pop-up-scherm, maar in werkelijkheid werd voor deze steunpilaren van de collectie zo’n honderdtachtig ton staal aangewend. Stedelijk Base is vanuit de lucht gezien een wervelende presentatie, met groepen kunstwerken als beweeglijke raderen in een groter geheel, de moderne kunstgeschiedenis, verfijnd als de binnenkant van een zakhorloge, een vol maar weldoordacht geheel.

Koolhaas sprak de hoop uit dat de bezoeker zijn ontwerp ervaart als het bezoek aan een stad: met rustige en drukke gedeeltes, met dingen die je herkent en andere die je verrassen. En inderdaad, stap je de kelderzaal binnen, dan schiet de kunst meteen alle kanten op, als op een druk verkeersplein. Schuin links een Breitner, recht voor je, maar toch nog schuin, de beroemde trap van het Stedelijk op een schilderij van Sam Meijer, rechts Van Gogh en Cézanne maar meteen ook een afslag naar de vroege Mondriaan.

Je loopt langs de lange muur die de geschiedenis volgt in een chronologische tijdlijn en uit de wanden aan je linkerhand kun je kiezen voor een uitstap naar een kunstenaar, stroming of periode. Je slaat hoeken om waar het opletten is, want druk met bezoekers en de kunstwerken dicht op elkaar. Wil je Jo Baer rustig bekijken, sta je in de weg van John Cage en zijn liefhebbers. Op de kruising Francis Bacon, Niki de Saint Phalle en Otto Piene gaat het mis. Je komt de hoek om, je mond valt open bij een onbekend altaar van De Saint Phalle (een bruikleen, nog geen collectie) en je hebt niet door dat vlak achter je een enorme Bacon hangt, als een man met een mes in een steeg.

Een gewaagde poging van een museum dat durft te spreken met de kunst die het in huis heeft

Ronduit vervelend is het knooppunt bij Barnett Newman. Voor Cathedra (1951) staat een bankje, het eerste dat de bezoeker die de kunstgeschiedenis heeft gevolgd tegenkomt, en een groep tieners, uitgeput, telefoons in de hand, zit er op en naast elkaar. Zonder benul van de Rothko achter je, hier werkelijk met geen mogelijkheid te bekijken, althans niet zonder zijspiegels, is hier de uitdaging geconcentreerd kunst kijken terwijl je voortdurend in de weg staat. De witte lijn die verticaal door het blauw van Cathedra loopt, ‘zips’ noemde Newman die, blijkt op één lijn met de knik in de muur van staal tegenover het schilderij. Rothko, Newman, De Kooning en Pollock, de abstract expressionisten gevangen in een trechter van de architect, in een hinderlijke harmonie met zijn ontwerp. Het is in deze hoek benauwd als op een verjaardag in een krappe kamer – het ensemble van werken teruggebracht tot een taartpunt met veel kleur en iedereen praat door elkaar heen.

Stedelijk Base is, op de keper beschouwd, een tentoonstelling van Rem Koolhaas. Ondanks de afwezigheid van een voorgeschreven route overheerst de architectuur. Het is niet een plek waar je tijdens een bezoek aan een tentoonstelling elders in het museum nog even binnen wandelt om een bepaald kunstwerk te zien, maar een totaalinstallatie die je telkens opnieuw zult moeten ondergaan. De lichtbanen aan het plafond blijken op de grond opvallend aanwezig in het glas van een aantal werken, ze trekken een dwingend patroon over de vitrines gevuld met grafisch werk.

Medium 10 2
uitzichtpunt op de Harrenstein slaapkamer van Rietveld en Schröder-Schräder © Gert Jan van Rooij / c/o Pictoright Amsterdam

Deze gedachte wordt versterkt door de introductiefilm die voor de ingang van de kelderzaal draait. Koolhaas verschijnt als eerste in beeld. De tentoonstellingen die in het verleden plaatsvonden, vertelt hij, zoals Dylaby en Bewogen beweging, experimenteerden systematisch met de muren voor de installatie van de kunst. Hij ging op zoek naar dunne en slanke wanden die er meer uitzien als ‘schermen’ dan als echte muren. Tata Steel maakte dat idee mogelijk door het staal te leveren. Margriet Schavemaker, co-curator van de presentatie, geeft een korte toelichting maar de film schakelt snel over naar de staalfabriek, naar een wereld van lawaaierige machines waar de voorzitter van de management board van de Nederlandse tak van het bedrijf aan het woord komt, uitgebreid toelichting mag geven op de gangbare bedrijfsprocessen. Pas halverwege het filmpje zoomen we in op de kunst. Hier ligt de gevreesde hiërarchie: eerst de architect, dan de directeur van een staalbedrijf en dan de kunst.

Het Stedelijk Museum Amsterdam is niet de enige plek waar met de collectie wordt geëxperimenteerd. In Museum Boijmans Van Beuningen keek emeritus hoogleraar en kunstenaar Carel Blotkamp opnieuw naar de kunstgeschiedenis en richtte vijfhonderd werken uit de collectie opnieuw in, ‘De collectie als tijdsmachine’. In het Frans Hals Museum is directeur Ann Demeester begonnen met een ‘transhistorische’ aanpak. Zelfs het MoMA in New York, thuishaven van de moderne kunst, bezint zich. Ze werken aan een collectieopstelling die niet langer drijft op disciplines, maar een die chronologisch en thematisch ingericht zal zijn met toevoegingen van minderheden die in een eeuw kunstgeschiedenis werden overgeslagen.

Er zit, kortom, beweging in museumcollecties en het besef dringt door dat met een verzameling meer verhalen verteld kunnen worden dan alleen dat ene. Nieuwe presentaties dragen bij aan het herschrijven van de gecanoniseerde geschiedenis, een discussie op zich, en zetten tegelijk de toon voor het verzamelbeleid voor de toekomst. Stedelijk Base is in dat opzicht zeker inspirerend te noemen, een gewaagde poging van een museum dat durft te spreken met de kunst die het in huis heeft. De tijdlijn langs de wand bijvoorbeeld is inzichtelijk en confronterend. Neem Zittende vrouw met vishoed van Picasso die in de nieuwe opstelling naast Kurt Schwitters’ Zonder titel (Om de kern van de zaak) hangt. Op enkele formele overeenkomsten na, zoals geel grenzend aan rood en de houten ring op de olieverf van Schwitters naast de geschilderde tepel van Picasso, zou je ze niet vanzelfsprekend naast elkaar zetten, toch werden de werken binnen een jaar van elkaar gemaakt.

Of kijk naar het witte liggende naakt van Picasso uit 1956, een stukje verderop, naast een ‘audio-systeem Phonosuper (model SK4)’ van Braun, een witte gestroomlijnde radio en platenspeler die wel Sneeuwwitje’s doodskist wordt genoemd. Wat het precies zegt weet ik niet, maar toch, ook die zijn afkomstig uit hetzelfde jaar. Er zijn mensen die over deze onorthodoxe aanpak vallen. De heiligheid wordt er met name mee van schilderijen afgespoeld, de bedoeling van de kunstenaar verdwijnt naar de achtergrond, de kunst wordt soms haast gereduceerd tot beeld. Maar ergens is het ook verfrissend om uiteenlopende ideeën die het waard waren om op te nemen in een museale collectie nu eens op gelijke hoogte te tonen. Verrassingen levert het zeker.

Over het precieze hoe en waarom van gemaakte keuzes kunnen we de opgestapte directeur Beatrix Ruf niet meer vragen. Ook niet naar de vreemde kwestie van de breuk die het museum legt bij het jaar 1980, een harde return in Stedelijk Base. Want daar eindigt de kunstgeschiedenis in de kelder, daar neem je de roltrap naar de bovenste verdieping van de nieuwbouw voor Stedelijk Base ‘deel twee’. Daar geen amo/Koolhaas maar een ‘light’-versie van de aanpak in de kelder, met ‘ouderwetse’ witte wanden voor de nieuwste kunst. Voor dat deel wordt geen promotie gemaakt, die verdieping wordt in de introductiefilm begrijpelijkerwijs niet betreden.

Op een seminar half december in het museum werd als reden voor de breuk gegeven dat het staal simpelweg te zwaar was om te plaatsen op een verdieping – het zou dwars door de vloer zakken. Dat in combinatie met de constatering dat niet alle kunst uit alle periodes in de kelderzaal paste leidde tot deze lelijke tweedeling. Blijkbaar waren de visie van de architect en de samenwerking met een bedrijf belangrijk genoeg om er inhoudelijk beleid op te maken. En dat in het gebouw van Benthem Crouwel dat prat ging op de witte huls van de badkuip, een extreem licht materiaal en toch ‘vijf keer sterker dan staal’. Licht als een veertje, nu met een loodzwaar hart.


Stedelijk Base, Stedelijk Museum, Amsterdam. Koen Kleijn bespreekt in de Kroniek van kunst & cultuur eveneens de nieuwe collectiepresentatie Stedelijk Base