Picknick

Esther Jansma publiceerde haar zevende dichtbundel onder de prompte titel Eerst. Het is een zingende bundel waarin ze anders klinkt dan voorheen. En Maria Barnas bundelde de losse stukken die zij in NRC Handelsblad publiceerde. Haar columns krijgen een meerwaarde nu ze naast elkaar staan.

Maria Barnas is een van de weinige echte dubbeltalenten. Dat wil zeggen dat ze vanuit de beeldende kunst de literatuur kan zien en vice versa. Zij publiceerde twee romans en twee dichtbundels. Ik realiseer me dat ik haar beeldend werk enkel door beschrijvingen ervan ken. Als curator van Poetry International plaatste ze korte films voor de voordrachten, films die geen concessies deden aan poëzie of een literair publiek, maar evenwel goed in het festival pasten. Wie haar literatuur leest zal niet aan de indruk ontkomen dat ze kunstenaar is, door haar blik, haar nauwgezetheid en monterheid. Misschien viel het raakvlak nog wel het meest op z'n plek in wat je columns noemt, al is dat een vrij nietszeggend woord eigenlijk, een column. Stukjes in de krant waarin ze kan doen wat ze wil, waarin kunst, literatuur, voorvallen, gedachtegangen en beschrijvingen samenvallen.

De bundeling van die columns heet Fantastisch, een titel die ik niet als een superlatief lees maar als een adjectief. Simpele voorvallen kunnen Barnas als fantastisch voorkomen, ze schrijft ze althans zo op. In het voorwoord, ook een stuk dat eerder is gepubliceerd en wel in De Gids - het laatste echte gedegen literaire tijdschrift - heeft ze het over een item op het journaal. Een tijd besloot het journaal met een item waarvan de nieuwswaarde niet zo groot was, iets over een dierentuin of een nieuw soort pompoen. Barnas suggereert dat Henny Vrienten een muziekje had kunnen componeren dat de kijker aangaf dat er nu even geen hongersnood, natuurramp of schandaal werd onthuld, zodat die werd afgestemd op het item.

Het grappige is dat, zonder haar columns als variété af te doen, hetzelfde geldt voor de columns van Barnas zelf, die op de inleiding volgen. Ze zijn van een andere orde dan het krantenbericht, het commentaar of de boek- of filmrecensie. Ze bestaan uit een andere taal. Ze maken mooie vergelijkingen, over het ervaren van de gedichten van Annemieke Gerrist en het beeldend werk van Berend Strik, die beide refereren aan collagetechnieken. De ik-figuur fietst terug van een mondhygiënist door een aangetast parklandschap waar in het beton van de voetpaden wordt geboord. Het zijn geen prozagedichten, de stukken, maar ze hebben wel de onmiddellijkheid van poëzie. Barnas gaat met een zwempak naar Zagreb, moet daar van de organisator van het poëziefestival zoveel drinken dat ze eigenlijk door het hele festival heen zwemt tot ze in haar schommelende bed belandt. Goed aan de boekuitgave is ook dat er plaatjes bij de stukken staan. Als ze een kunstwerk als uitgangspunt neemt is dat zo meteen zichtbaar, bijvoorbeeld in het geval van een van de Curious accidents van Leander Haaitsma, die in dit geval met cocktailglas en handglas van een trapje af valt en zo blijft liggen. Hoe meer je de stukken achter elkaar leest, hoe toegankelijker ze worden: Barnas’ persoonlijke denktrant wordt des te dwingender en vanzelfsprekender in ruime mate.

Eerst is een opvallende titel voor een dichtbundel. Esther Jansma noemde zo haar zevende bundel. Ik tel vaak het aantal bundels in haar geval verkeerd, omdat er altijd een bij me in de kast ontbreekt: steevast haar derde bundel Waaigat (1993) of vierde Hier is de tijd (1998). Een van die twee zit altijd in een tas terug van een les ergens en is daar gebruikt om iets uit te leggen. Jansma’s werk is zo duidelijk en vakkundig dat je er heel goed mee kunt illustreren hoe taal werkt en een gedicht kan werken. Bijvoorbeeld assonantie in het gedicht Het woord voor leeuw, waarin het woord samenvalt met een kreet uit een keel die als een beest over de tong sprint. Of uitleggen wat een enjambent is, of zoals Jansma het liever noemt een doorloper. ‘Ik wil strijken/ begrijpen.’ Zo simpel werkt het en dat is goed.

Het eerste dat opvalt in Eerst is dat Jansma in 22 jaar publicerend dichterschap steeds verder haar interpunctie aan het slopen is. Er staat haast geen komma of punt meer in, pas op het eind hier en daar. De regels lopen door en golven een beetje. Gelukkig is de taal van Jansma zakelijk, de gedichten kunnen dat geschommel hebben. Vergeleken met de krachtige bundel Alles is nieuw (2005) moeten de nieuwe gedichten het niet hebben van de regel op zich maar van de hele adem van een gedicht. Het is niet vreemd dat veel gedichten in distichons, tweeregelig, zijn opgebroken, ze hebben lucht nodig. ‘Ik weet nog waar ik was toen het begon’, schrijft Jansma in het gedicht Het huis bleek stenen. Opnieuw is er de archeologie: huis, stenen, oorsprong, zoals in praktisch al haar werk. Een andere reeks (bijna alles in deze bundel gaat in drieën) heet ‘Watertaal’. ‘Het eind is een hoop gedoe’, zo luidt de volgende titel. Maar er is vooralsnog weinig zwaars en plechtstatigs aan deze gedichten, ondanks de aanwezigheid van de dood. De dood begint op een weekeindje teambuilding van een bedrijf, een uitstapje om elkaar beter te leren kennen. Het zijn monologen, Jansma’s gedichten, iemand blijft doorpraten en altijd vlak voor het eind van het gedicht is er ingehouden lyriek, wordt het ontroerend. Wat het is, ze spreekt zo direct, het is moeilijk je niet aangesproken te voelen door haar werk. ‘de rust waarmee u praat doet me denken aan iemand/ die slaapt op zijn rug.’ Ook al geeft ze haar stem aan een olieflesje, dan nog is ze indringend:

Het was een omgekeerd geboren worden.

Het was de wereld die uit mij verdween.

Ik kan haar lachen nog horen, weet nog hoe het was

om in dat licht te zijn en in die warmte. Hoezo

had ik het koud als ze niet naar me keek?

Haar werk is uiterst toegankelijk maar zit altijd vol dubbele bodems, je bent er nooit zomaar klaar mee. De nieuwe bundel kent een parallel met haar tweede bundel Bloem, steen (1990), door de constante toon van de gedichten, en met haar vijfde bundel Dakruiters (2000), waarin ze ook zingerige gedichten opnam. En tegelijk is er een werk buiten haar dichtbundels om dat in Eerst terugkeert. In 1997 verscheen Picknick op de wenteltrap, een verzameling van honderd prozagedichten, hecht aaneen gecomponeerd, die Jansma als roman presenteerde. De geschiedenis die verteld werd, over de zusjes Hoofd, Oud en de Romanticus, hun ouders en een broertje, is uiterst indringend. Je raakt deelgenoot door de vorm, middels de korte blokjes proza, van hun spel, hun ervaringen, hun vat op de wereld en verlies van grip erop. In de nieuwe bundel Eerst staat de reeks ‘Nooit begint het eenvoudig’ die bij de roman aansluit. Het eerste van die nu zeven gedichten heet dan ook Picknick, het tweede Soms steken armpjes:

Soms steken alle dingen hun armpjes omhoog.

Ze geven het op, ze gaan voortaan onzichtbaar

geurloos ook gebaren ze door de manier waarop

hun pootjes strak staan hun fineer gelakt blijft

Aangrijpend is het als een blinde ik-figuur een gezelschap vindt dat nog net zo zit te eten als vroeger, een gezelschap dat fronst en verkleinende gebaren maakt: ‘was dan bij ons gebleven had de hand gelikt/ die je sloeg had je benen een rotschop gegeven’, zegt het gezelschap. Jansma’s gedichten lijken niet te kunnen liegen, moeten tot op het bot gaan.

Het mooist is de titelserie ‘Eerst’. De dichter is de maker, ze creëert Adam en zet hem op een been op de mast van een schip. En als ze haar ontmoet ‘die zijn ringvinger/ boeit en appelboompjes aanwijst als schuldig’ reizen ze door de tijd, fietst hij met haar achterop door het rechterspoor van tramrails. Ze zijn op weg naar een feest, wespen vreten de appels aan en op een vloer staan dozijnen potten chutney. ‘ik was weer eens zorgzaam’, zegt de maker. De oerdagen zijn het heden en de zusjes zijn oude tantes geworden. Het is een klassieke reeks, een van de beste die Esther Jansma schreef.

Maria Barnas, Fantastisch. De Arbeiderspers, 288 blz., € 22,95.

Esther Jansma, Eerst. De Arbeiderspers, 60 blz., € 17,95