Piekeren in de schaduw van nietzsche

HOE VAAK ZOU de ondergang van de westerse beschaving al voorspeld zijn? En door hoevelen? Ik zou ze niet graag te eten willen vragen, al die onheilsprofeten, en niet alleen omwille van hun aantal. Veel van hun betogen hebben iets sadistisch of zwelgen op z'n minst in een soort Schadenfreude. Dat hun voorspellingen nooit bewaarheid worden, heeft cultuurpessimisten zelden op vrolijker ideeën kunnen brengen en al evenmin belet dat mindere goden in hun onrealistische voetsporen treden. In dat opzicht lijken doemdenkers vaak op Jehova’s Getuigen die, ondanks hun aanhoudende rekenblunders over het Einde der Tijden, hun steile geloof in een nakende Apocalyps nooit opgeven.

De Amerikaanse historicus Arthur Herman heeft het aardige idee gehad om het doemdenken van de laatste twee eeuwen te inventariseren en nauwgezet onder de loep te nemen. Zijn vuistdikke boek The Idea of Decline in Western History levert in dat opzicht een fraaie collectie pessimisten op: van Nietzsche tot Norman Mailer, van Sigmund Freud tot Arnold Toynbee, van T.S. Eliot tot Madonna, van Oswald Spengler tot Christopher Lasch, van Black Power tot Edward Said, van Deep Ecology-ideologen tot Albert Gore.
Hermans studie is een Pandora-doos van droeve tijdingen, de ene al wat dubieuzer dan de andere. Wat meteen opvalt voor de hedendaagse lezer is hoe gedateerd, overspannen en zelfs lachwekkend de meeste voorspellingen van toen nu klinken. En ‘toen’ is niet altijd lang geleden. Paul Ehrlich voorspelde in zijn paniekboek The Population Bomb uit 1968 dat uiterlijk tegen 1975 de groei van de wereldbevolking zou stilvallen ten gevolge van massale hongersnood door voedselgebrek. Andere meningen zijn dan weer wonderlijk taai en vormen nog altijd het zout en de peper van het hedendaagse cultuurpessimisme en het mediadebat. Des te verdienstelijker is het dat Arthur Herman erin slaagt, op een leesbare manier en soms tongue in cheek, het denken van al deze cultuurpessimisten bondig in kaart te brengen, tot en met de ecopessimisten. Hij plaatst deze denkers steeds in hun historische én persoonlijke context, legt voortdurend verbanden tussen de diverse zwartkijkers en wijst op wederzijdse beïnvloeding. Liever dan het werk van Herman dunnetjes over te doen, wil ik op enkele grote lijnen in zijn boek wijzen, ook al heeft de auteur ze misschien niet altijd even nadrukkelijk zo bedoeld.
EEN EERSTE BELANGRIJK gemeenschappelijk punt is dat vele van deze doemdenkers schrijven vanuit persoonlijke wrok of frustratie - met als grote uitzondering de jonge boy wonder Friedrich Nietzsche. Oswald Spengler bijvoorbeeld zag zijn academische carrière in rook opgaan nadat zijn proefschrift in Berlijn als ondermaats was afgewezen. Hij stortte psychisch in, dook onder in zijn 'mediocre’ baan van leraar aan diverse gymnasia en nam ten slotte weerwraak door zijn persoonlijke zielige Werdegang te projecteren op het hele Westen. Deze projectie leverde hem de bevlogen bestseller Der Untergang des Abendlandes op. Zo kwam Spengler via een achterdeurtje toch nog op het grote intellectuele forum terecht. De Amerikaanse aristocraat Brooks Adams ontpopte zich na het verlies van zijn familiefortuin tot een van de eerste en giftigste criticasters van het Amerikaanse kapitalisme.
Het zijn niet de enigen die hun privémalaise wisten om te buigen tot prangende apocalyptische visioenen. Eigenlijk is het een heel oud verhaal. Plato, dé oervader van het doemdenken, is er het schoolvoorbeeld van. Deze gewiekste intrigant zocht te midden van oorlogen, samenzweringen en politieke strubbelingen waarin hij twee ooms én zijn leermeester Socrates verloor, naar een onveranderlijk principe voor een ideale (lees: statische) staat. Dat werd, zoals we allen weten, de Idee. Karl Popper heeft over het verband tussen privéleven en denken van Plato prachtig en meeslepend geschreven in The Open Society and its Enemies. Het is daarom vreemd dat Plato zo weinig in het boek van Herman voorkomt. Hoe dan ook, het persoonlijke is politiek, en vele filosofen zijn verkapte sociologen die hun eigen zielstoestand veralgemenen en verabsoluteren en er verregaande politieke, filosofische en/of morele conclusies uit trekken.
EN DAARMEE KOMEN we bij een tweede kenmerk van het moderne doemdenken: het is een basale angstreflex tegen elke vorm van verandering en vernieuwing. Het vertrekt, net als Plato, van een statische visie op de samenleving. Men wil het leven voor eens en altijd temmen, terwijl het nooit stilstaat en normen, waarden en tradities voortdurend meegroeien en inhoudelijk verschuiven. Elke tijd is overgangstijd is terecht de titel van een boek van H.W. von der Dunk. Dat geldt des te meer voor het Westen, dat sinds de Verlichting en meer nog sinds de industriële revolutie in duizelingwekkende vaart evolueert. Zonder cultuurpessimistisch te zijn zou je zelfs kunnen beweren dat we al ruim twee eeuwen in een permanente crisis leven. Crisis als de normale gang van zaken dus. Maar voor echte cultuurpessimisten voedt dit crisisbesef juist hun politieke of morele jeremiades, ook vandaag. Het is een krampachtige poging om de turbulenties van de tijd te bezweren. Daarom is elk doemdenken wezenlijk reactionair. Het wil iets bewaren wat er niet (meer) is of, preciezer nog, nooit heeft bestaan.
Cultuurpessimisme is de bijsluiter van het geloof in een onveranderlijke metafysische orde. De Verlichting en de industriële revolutie hebben dat geloof echter definitief op de helling gezet. Rousseau, Herder en andere volbloed romantici begrepen dat al in de achttiende eeuw en waarschuwden al vroeg tegen rationalisme, wetenschappelijke vooruitgang en materialisme. Ze zochten hun heil in regenererende principes als de natuur, het volk, de taal en de 'ziel’. Rousseau besloot zijn essay over de gelijkheid zelfs met: 'Almachtige god, bevrijd ons van de Verlichting en breng ons terug tot onwetendheid, onschuld en armoede.’ Helderder kan de keuze niet verwoord worden.
Sinds de romantiek is het cultuurpessimisme een stevige onderstroom van het westerse denken gebleven, als een naargeestige fellow traveller van het (al te?) optimistische vooruitgangsgeloof. Dat wordt mooi geïllustreerd door de beroemde Zwitserse historicus Jacob Burckhardt, die getraumatiseerd was door de schokgolven van de Franse Revolutie en de revoluties van 1848. Hij was een telg uit een vooraanstaand geslacht en hij verloor, mede door de maatschappelijke ontwikkelingen, zijn geloof, maar durfde het zijn ouders niet te bekennen. Hij zocht liever in alle stilte naar een nieuw archimedisch punt voor zijn denken. Voor Burckhardt werd dat de geschiedenis (zoals dat voor Durkheim de sociologie werd, voor Darwin de biologie en voor Nietzsche de filologie). De geschiedenis zou de ultieme waarheid en eeuwige waarden onthullen.
Burckhardt sloot zich in een ivoren toren op tussen boeken en folianten en creëerde een mythisch en dus opgetuigd beeld van het verleden in zijn klassieker The Civilisation of the Renaissance in Italy (1859). De Renaissance als het tijdperk van de homo universalis, maar ook van het beginnende individualisme! Tientallen historici, onder wie niemand minder dan Peter Burke, hebben vandaag nog de handen vol om Burckhardts overgeïdealiseerde visie bij te stellen en te deconstrueren. Maar voor Burckhardt vormden 'zijn’ Renaissance en eigenlijk nog veel meer de 'organische’ Middeleeuwen de norm waaraan hij de snel veranderende samenleving van zijn tijd toetste. Zijn eindoordeel was desastreus: 'Ik heb geen hoop meer voor de toekomst’, of: 'De moderne tijd wordt beheerst door een blinde wil tot verandering.’
OVERAL ONTWAARDE Burckhardt tekenen van degeneratie, decadentie en zelfdestructie. Dat de wereld finaal naar de verdommenis ging, was voor hem - en dat is een derde gemeenschappelijk element van veel doemdenkers - nog het best af te leiden uit de opmars van de democratie, de oppervlakkige massamaatschappij en big business. Voor Burckhardt was de democratie koudweg een opstapje naar de dictatuur. 'Ik weet te veel van geschiedenis om ook maar iets te verwachten van het despotisme van de massa’s tenzij tirannie, wat het einde van de geschiedenis betekent.’ Het einde van de geschiedenis, toen al.
Nietzsche, die vol bewondering Burckhardts colleges had gevolgd, zou op dezelfde zwartgallige manier fulmineren tegen de 'nivelleerders’, de mens als 'kuddedier’ en de 'schrijflustige slaven van de democratische smaak’. Ook Gustave Le Bon klonk als een echo van Burckhardt toen hij schreef: 'Het feit dat de massa’s de macht krijgen, betekent dat we in een van de laatste fases van de westerse beschaving zijn.’ Hun stemmen resoneren in het werk van hedendaagse cultuurpessimisten als Allan Bloom, Christopher Lasch, Neil Postman, Paul Kennedy, Alexander Solzjenitsyn, Noam Chomsky of George Steiner.
Ook in het verleden waren veel intellectuelen bang voor de emancipatie van het canaille: Matthew Arnold (hij waarschuwde in 1869 al tegen de veramerikanisering!), Arthur de Gobineau ('Geld heeft alles kapot gemaakt’), Henry en Brooks Adams, Gustave Flaubert, Arthur Schopenhauer, Oswald Spengler, Martin Heidegger… En Arthur Herman vergeet dan nog José Ortega y Gasset, die als geen ander in De opstand der horden tegen het domme plebs tekeerging: 'In tegenstelling met wat men doorgaans gelooft, leeft niet de massa maar de selecte mens in wezenlijke verbondenheid.’ Er zitten wel meer witte vlekken in Hermans boek. Geen spoor bijvoorbeeld van Lyotard, Bahro, Sloterdijk, Postman, Finkielkraut of Huntington, om van Huizinga nog te zwijgen.
Op deze fundamenteel antidemocratische onderstroom entte zich later de cultuur- en technologiekritiek, en vooral ook het anti-Amerikanisme van onder meer Adorno, Horkheimer, Marcuse, Sartre, Foucault, de vroege Enzensberger en andere 'bewustzijnsindustrie’-adepten. Theodor Adorno sloofde zich zelfs uit om te bewijzen dat jazz de definitieve overwinning betekende van het mechanisch gereproduceerde massa-amusement op de echte kunst. Het bewijst alleen maar dat deze goeroe van de Frankfurter Schule geen syncope van jazz begreep. Overigens maakt Arthur Hermans overzicht duidelijk hoe willekeurig de beweringen van dit soort cultuurcritici zijn. Terwijl Max Nordau eind negentiende eeuw nog geloofde dat de culturele verloedering het gevolg was van de 'entartete’ kunst van Zola, Ibsen, Baudelaire, Wagner, Monet, Seurat en Nietzsche - eind jaren dertig zou Johan Huizinga er nog Goya, Kandinsky, Mondriaan, Chagall en 'de radio’ aan toevoegen! -, verwachtte Adorno juist alle heil van de eigentijdse kunst van Picasso of Schönberg.
Geen cultuurpessimisme zonder impliciete norm of idee van een ideale samenleving. Ook op dit punt delen nogal wat doemdenkers bepaalde uitgangspunten. Tegenover de gevreesde emancipatie van de massa’s en de nog meer gevreesde opkomst van de oppervlakkige massamedia en de technologie, hebben cultuurpessimisten uit het verleden, als ze al aan een alternatief dachten, maar één redmiddel: een nieuwe krachtdadige elite. Nietzsche bedacht de übermensch. Dat was een uitgelezen individu, bezeten door de 'wil tot macht’ en uitgerust om grootse en blijvende werken te scheppen - Wagner was zo'n expansieve cultuurgenererende figuur, tot Nietzsche ruzie met hem kreeg. Le Bon stelde al zijn hoop op een sterke leider die de irrationele energie van het plebs in constructieve banen zou leiden. John Adams zag de Amerikaanse democratie gered door een aristocratisch clubje dat hooguit tien procent van de geschoolde bevolking bevatte. Brooks Adams verwachtte op zijn beurt alles van een gestaalde technocratische elite, die uitblonk in 'succes’, 'flexibiliteit’ en 'een open mind’.
Ook oorlog en bruut geweld waren middelen om de wereld van de ondergang - lees: materialisme en spirituele armoede - te redden. In Amerika pleitten de gebroeders Adams botweg voor een imperialistische annexatiepolitie. Oswald Spengler, die al een nieuwe beschaving zag gloren onder de knoet van de Pruisen, klonk al even krijgslustig: 'Het zwaard zal triomferen over het geld…’ Persoonlijke vrijheid vond hij een doodlopend straatje, dat leidde maar tot leegloperij en de ondermijning van de levenskracht van een volk, of beter gezegd van het Duitse volk. Voor Amerika en de rest van Europa was het al te laat. De echte mens diende heroïsch en avontuurlijk te leven en moest bereid zijn offers te brengen, tot en met op het slagveld.
Militarisme als vitalisme. Spengler volgde daarin rücksichtslos Nietzsche en diens pleidooien voor de privileges van het arische 'blonde beest’, van de meestermoraal van de krijgers die de zwakkeren mochten vertrappen. De enige goede moraal was de moraal van de sterke. Ook latere (linkse) filosofen als Sartre, Foucault, Frantz Fanon en zovele derdewerelddenkers zouden gewelddaden intellectueel legitimeren. Overigens impliceert het cultuurpessimisme dat slecht nieuws goed nieuws is, en sommigen willen die evolutie zelfs een helpende hand toesteken. Een mooi voorbeeld is de arrestatie in april 1996 van de Una-bommenlegger. Hij pleegde diverse aanslagen uit protest tegen de verziekte, materialistische en gedegenereerde Amerikaanse samenleving. Op zijn nachtkastje vond men het stukgelezen boek Earth in the Balance van de Amerikaanse vice-president Albert Gore, een ecopessimist van het onze-samenleving-maakt-een-spirituele-crisis-door-soort.
EENZELFDE ELITAIR VITALISME als dat van Nietzsche en Spengler, maar dan met racistische trekjes, vind je bij denkers als Arthur de Gobineau. Deze schrijver beweerde dat alle hoge cultuur afstamde van het blanke ras, meer speciaal van de ariërs. Dit ras was weliswaar allang verdwenen, maar het leefde in andere rassen voort, omdat het overal ter wereld via bloedbanden elites had gevormd. Op die manier hadden de ariërs het beste van de mens doorgegeven als antidotum tegen de corrumpering van elk beschavingsproces via rassenvermenging. Een kronkel waarmee De Gobineau alles kon bewijzen, zelfs dat de kunst van de Chinezen en de Azteken uiteindelijk van de blanken afstamde.
Op zijn kop gezet en vermengd met de bombastische Teutonenromantiek van Spengler, geeft De Gobineau dan weer de zwarte nationalist W.E.B. DuBois. Deze schreef in The Negro (1915) dat, aangezien het zwarte bloed over de hele wereld verspreid is, zwarten op elk moment van de wereldgeschiedenis een leidende beschavingsrol hebben gespeeld, van Babylon tot modern Amerika. 'Afrika is de spirituele bakermat van de mensheid.’ Ook hier krijg je weer allerhande omkeringen. Aangezien DuBois van zijn blanke Amerikaanse leermeesters had gehoord dat de westerse cultuur ten einde liep, kon die alleen door de zwarten gered worden. DuBois, die ook enkele jaren in Duitsland had gestudeerd en Spengler bewonderde, vertaalde diens begrip 'Seele’ in 'soul’, en zo werd het zwarte ras van de weeromstuit de hoeder van het vitalisme.
In The World and Africa (1946) schreef DuBois dan weer dat het verval van Europa het directe gevolg was van kolonialisme en imperialisme. De culturele betogen (van de rijken) en beschaafde omgangsvormen waren er alleen maar om te verhullen hoe wreed en meedogenloos Europa met mensen omsprong. Zo gaat er een rechte lijn van de filosofie van DuBois naar Black Power, Black is Beautiful en multiculturalisten als Edward Said.
Hoe bedenkelijk De Gobineau’s theorie over racistische ongelijkheid ook was, hij kreeg veel bijval in Duitsland, vooral bij nationalisten en pan-Germanisten. Zo'n Germanist was de Engelsman Houston Stewart Chamberlain, getrouwd met de dochter van Wagner. Zijn hoofdwerk The Foundations of the Nineteenth Century (1899) leunde volledig op De Gobineau, maar hij voegde er onder invloed van Wagner een antisemitische component aan toe. De joden waren in zijn ogen de personificatie van de oppervlakkige vercommercialiseerde cultuur, van het smerige materialisme en van het gebrek aan waarden, aan vitalistisch Lebensgefühl én aan spiritualiteit (!). 'Hun bestaan is een misdaad tegen de heilige wetten van het leven’, schreef hij zelfverzekerd.
Otto Weininger maakte het nog bonter in Sex und Character (1903). Volgens hem waren joden 'een gedegenereerd ras dat zijn ziekelijk gebrek aan spirituele en nationale gevoelens in de moderne samenleving verspreidde’. Alweer dat gebrek aan spiritualiteit! In Mein Kampf zou Hitler De Gobineau en Chamberlain klakkeloos plagiëren en schrijven dat 'alle cultuur, kunst en civilisatie het werk waren van het cultuurdragende Arische ras’. Ook op dit punt vind je weer omdraaiingen. Alfred Ploetz argumenteerde dat ariërs en joden fysiologisch identiek waren, en Cesare Lombroso, zelf een jood, zag precies in het groeiende antisemitisme een bewijs van de degeneratie van de menselijke soort. Kortom, het begrip degeneratie is in het cultuurpessimistische discours in de eerste plaats een intellectuele constructie waarmee je alles en dus niets kunt aantonen.
DE ZOEKTOCHT NAAR de 'selecte mens’ van Ortega y Gasset en de angst voor morele én fysieke verloedering brachten (ook en vooral socialistische) wetenschappers tot eugenetische voorstellen. Die kwamen niet alleen van doordouwers als Cesare Lombroso, Ernst Haeckel of Francis Galton, maar werden ook met applaus onthaald door radicalen als G.B. Shaw, H.G. Wells, Sidney Webb of Havelock Ellis. Eugenetica hoorde al gauw tot de mainstream. Ontevreden over zichzelf begon de mens dus aan zichzelf en de medemens te knutselen.
Het cultuurpessimisme was en is dus meer dan loos ivorentorengefilosofeer. Hoe 'verziekter’ de maatschappij werd beschreven - aan het volk zelf werd nooit wat gevraagd -, hoe drastischer de oplossingen die werden voorgesteld. In een complex amalgaam van vitalisme, antikapitalisme, nationalisme, neo-gobinisme, spengleriaans militarisme, paranoïde verbeelding en rassenhygiëne zou het cultuurpessimisme bijdragen tot een wel zeer concrete Endlösung. In naam van het onstuitbare moreel verval werden de meest immorele misdaden gepleegd én rechtvaardigd. 'Hitlers generatie was de eerste Europese generatie die met het cultuurpessimisme was opgegroeid’, schrijft Arthur Herman niet voor niets.
Het doemdenken snijdt door alle ideologieën heen. Nietzsche was tegen elke politieke richting, Max Nordau was een democraat (een uitzondering op de regel), Arnold Toynbee een liberaal, Herbert Marcuse en Adorno waren marxisten, Spengler en Heidegger leunden aan bij het nazisme, Drieu la Rochelle was een fascist, Murray Bookchin en Lewis Mumford zijn radicale groene jongens.
Veel van dit oude doemdenken steekt in aangepaste versies steeds weer de kop op. Vandaag zie je het herleven in onder meer het religieus en politiek fundamentalisme, in het almaar aftandser wordende media- en cultuurdebat, het holisme, de technologiekritiek, bij de autonomen en het ecofascisme. Na de lectuur van Arthur Hermans boek is er maar één conclusie mogelijk: hoedt u voor wereldverbeteraars die termen in de mond nemen als 'crisis der waarden’, 'oppervlakkig materialisme’, 'uitholling van de tradities’, 'cultureel verval’, 'gebrek aan spiritualiteit’… Als de vos de passie preekt, boer let op uw ganzen.
O ja, de grootste gemene deler van het moderne doemdenken zou ik nog vergeten, mede omdat het Arthur Herman zelf ontgaat. Doemdenken is vrijwel exclusief een mannenzaak. Dat kan geen toeval zijn. Zou het dan toch juist zijn dat vrouwen dichter bij het ware leven staan en er dus een realistischer kijk op hebben?