Piemeltje

Vraag iemand naar wat hij onder humor verstaat en de kans is groot dat je een verkapt autobiografisch verhaal te horen krijgt. Dat risico neem ik. Op de televisie zie ik weinig dat zo mijn diepe weerzin wekt als een beroepshumorist aan het werk. Ik wil niemand beledigen, iedereen moet doen waar hij zin in heeft, maar dan zie ik in een flits dat dikke hoofd van Paul de Leeuw, zijn gezicht waaraan je kunt zien dat hij het geweldig met zichzelf heeft getroffen, ik hoor de vette stem die leukheid zweet en ik druk op het knopje.

Weg. Pardon meneer De Leeuw. Het is mijn persoonlijke tekortkoming. Ik kan u niet harden. Bij Theo Maassen heb ik het iets minder. Ik laat hem een minuut aan het woord, uit nieuwsgierigheid, en dan is het ook met hem gedaan. Ik weet het: humor is tot een industrie geworden, al lang geleden.

In de crisis van de jaren dertig maakten Juffrouw Snip en Juffrouw Snap furore: twee als dames van middelbare leeftijd verklede acteurs, Willy Walden en Piet Muijselaar. Ze hadden de Snip en Snap-revue die ook door de radio werd uitgezonden. Snààààp je dat nou juffrouw Snip, snap je dat nou juffrouw Snap, en dan werd er op humoristische manier een algemene tekortkoming aan de kaak gesteld. Lachen. De teksten waren van Jacques van Tol, door Henk van Gelder in zijn biografie ‘de spookschrijver’ genoemd. Later heeft hij de teksten voor het door en door foute Zondagmiddagcabaret van Paulus de Ruiter geschreven. Bij Snip en Snap was er nog geen sprake van goed en fout. Het ging om de massale lol. Ik denk dat ik mijn weerzin tegen dat soort collectieve ­bovenmatige ­opgetogenheid toen ontdekt heb.

Mijn voorkeur ging uit naar de Avonturen van Bulletje en Boonestaak, een stripverhaal, geschreven door A.M. de Jong, getekend door George Van Raemdonck. Twee ondeugende jongens, allicht, die zich verstopt hebben aan boord van de Hercules waarop de vader van Boonestaak kapitein is en die van Bulletje stuurman. Op volle zee komen ze te voorschijn. Ze moeten wel mee naar Amerika, maar eerst gaan ze naar Londen. Daar, in de dierentuin, graait een aap het petje van Bulletje van zijn hoofd. Hij is boos, roept in het Nederlands dat de aap het petje terug moet geven. Het zijn Engelse apen, je moet Engels spreken, zegt Boonestaak. Bulletje: ‘Give up my pet!’ Er zijn nog een paar complicaties, maar Bulletje krijgt zijn petje terug. Daar moest ik als kind om lachen.

En dan is er nog een onvergetelijke gebeurtenis. Ouwe Hein, de bootsman, vertelt graag sterke verhalen. Jaren geleden is zijn schip geënterd door zeerovers. Hij pakt het grootste mes uit de kombuis en raakt in gevecht met de zeeroverhoofdman die met een zwaard gewapend is. Ze treffen elkaar op hetzelfde ogenblik in de nek, de hoofden vliegen door de lucht en blijken dan nauwkeurig van plaats te zijn verwisseld. Dankzij de tropische warmte groeien ze snel vast. De heren komen weer thuis maar hun vrouwen willen geen man met een verkeerd lichaam. In Engeland woont een geniale arts die wel een hoofdtransplantatie wil wagen. Zoals Van Raemdonck het getekend heeft: met zagen en soldeerbouten gaat hij aan het werk, en het lukt. De tot dusver enige hoofdtransplantatie in de geschiedenis.

Je persoonlijke geschiedenis van de humor vordert. Ongeveer een halve eeuw terug las ik Céline’s Reis naar het einde van de nacht, in de vertaling van Em. Kummer. Op pagina 432 komt de held, Bardamu ,een oude vriend tegen, de Napoleon-kenner Parapine. Die vertelt hem dat het na de nederlaag in Moskou voor de generaals nog een heidens karwei is geweest om de keizer ervan te weerhouden op de terugreis naar Parijs over Warschau te gaan. ‘Hij wilde zich nog ’s één keer goed laten pijpen door zijn Poolse liefje. (…) Dat is het enige waar we aan denken! In de wieg, in de kroeg, op de troon, in de wc. Overal! Overal! Ons piemeltje! Napoleon of geen Napoleon. Eerst ons piemeltje!’ Van dit citaat heb ik dankbaar gebruik gemaakt toen eigentijdse gezags­dragers dit napoleontische voorbeeld volgden.

In de toon doet het wat denken aan de uitbarsting die in de roman van W.F. Hermans de held Lodewijk Stegman voor zijn rekening neemt als het troepenschip waarop hij als Indië-veteraan terugkeert de Nederlandse kust nadert. Tussen de soldaten ontstaat ruzie. Lodewijk realiseert zich de vergeefsheid van vier jaar oorlog en de politieke verantwoordelijkheid daarvoor. Hij barst uit in woede. ‘De katholieken! Dat is het meest schunnige, belazerde, onderkruiperige, besodemieterde deel van ons volk! Maar die naaien er op los! Die planten zich voort! Als konijnen, ratten, vlooien, luizen. Die emigreren niet! Die blijven wel zitten, in Brabant en Limburg met puisten op hun wangen en rotte kiezen van het ouwels vreten!’ De schrijver werd aangeklaagd wegens belediging van een volksdeel, vrijgesproken. Excuus aan mijn katholieke vrienden. Persoonlijke geschiedenis van de humor is autobiografie.