De wereldeconomie hapert De even-wat-minder opkomende BRICS-landen

Piepend tot stilstand

Ze waren de hoop in bange dagen voor het in crisis verkerende Westen. Nu dreigen landen als China, India en Brazilië zelf vast te lopen. Dat kan voor explosieve situaties zorgen.

Wie is de leidende economie in de wereld? China, meende een duidelijke meerderheid van de bevraagde Amerikanen eerder dit jaar in een peiling van Gallup. Slechts een derde van de respondenten noemde hun eigen land. Ter herinnering: de Amerikaanse economie is nog altijd ruim twee keer zo groot als de Chinese.

Feitelijk slaat het antwoord dus nergens op. Maar de uitslag van de peiling zegt alles over het ijzersterke economische imago van China. Sinds het uitbreken van de crisis in 2008 tobt het Westen. In de Verenigde Staten wil de werkloosheid maar niet echt afnemen. De eurolanden kampen met een schuldencrisis die zijn weerga niet kent. In Zuid-Europa krimpt de economie – en dan niet op de manier waarop steeds meer milieudenkers het zich wensen. De Spanjaarden en de Grieken mogen hun ecologische voetafdruk zien slinken, op de een of andere manier weegt dat niet op tegen de massawerkloosheid en groeiende armoede.

Het weinige goede nieuws kwam de afgelopen jaren van elders. De zogenoemde brics-landen – behalve China ook Brazilië, Rusland en India; later kwam Zuid-Afrika erbij – vormden een welkome uitzondering op de stroom aan slecht nieuws. Amper twee decennia geleden heersten in Rusland nog de nazaten van Stalin, had China zich amper hersteld van de Culturele Revolutie, kampte Brazilië met hyperinflatie, kende Zuid-Afrika een regime van apartheid en stond India vooral bekend als een bureau­cratisch, corrupt zooitje.

Inmiddels benadert het totale bbp van deze landen dat van de VS. En dat is pas het begin. De opkomende economieën hebben zich verrassend snel weten te herstellen van de krediet­crisis. Volgens sommige voorspellingen zullen de brics halverwege deze eeuw twee keer zo groot zijn als de zeven omvangrijkste ontwikkelde economieën. Nu al worden in China meer koelkasten, mobieltjes, auto’s en cognac verkocht dan in de Verenigde Staten, wist Foreign Policy onlangs te melden in een special. Het land investeert tot ver buiten de eigen grenzen: van landbouwgronden in Afrika tot havens in Griekenland.

Samen met de economie groeit ook de macht. Een voorlopig hoogtepunt was de smeekbede van het welvarende Europa. Of de brics, amper ontwikkelingsland-af, met hun biljoenen aan financiële reserves het Europese crisisfonds wilden versterken. Op het World Economic Forum in het Zwitserse Davos circuleerde zelfs al een naam voor die nieuwe wereldorde: in plaats van de liberale Washington Consensus komt de staatskapitalistische Beijing Consensus.

Maar dat was vorig jaar. Inmiddels is alles anders. Het Internationaal Monetair Fonds (imf) heeft zijn verwachtingen naar beneden moeten bijstellen. Op het eerste gezicht valt het mee: de rijke landen zullen in 2013 naar verwachting niet met 2 maar met 1,5 procent groeien; de ontwikkelingslanden met 5,6 in plaats van 6 procent. Maar achter die bescheiden correctie gaan veel grotere verschuivingen schuil. Neem China. Daar duikt de groei dit jaar naar verwachting onder de 8 procent. Dat lijkt nog altijd heel wat, maar in de ogen van de heersende Communistische Partij is het onvoldoende om op termijn de sociale vrede in het land te kunnen bewaren. Vooral de Chinese export groeit minder hard dan voorheen; de industriële productie valt tegen. Tientallen miljoenen woningen zouden bovendien leegstaan, vliegvelden blijven ongebruikt en bruggen leiden naar nergens.

Elders zijn de problemen nog acuter. India ziet zijn dubbele groeicijfers in korte tijd halveren tot een kleine vijf procent in 2012. Rusland en Zuid-Afrika zijn terechtgekomen op blijvend lagere groeiniveau’s. En in Brazilië dreigt de economische expansie zelfs geheel stil te vallen. Om dat af te wenden, doet de regering verwoede investeringen in de achtergebleven infrastructuur, in straten en in spoorwegen.

De stroom tegenvallende cijfers haalt een streep door de rekening van degenen die de mondiale armoedeproblematiek min of meer als opgelost zagen. Maar nog belangrijker: de brics fungeerden de afgelopen jaren als de locomotief van de wereldeconomie. Westerse burgers moeten sinds 2008 hun schulden afbouwen en op de centen letten. Mede door landen als China zijn de gevolgen van die afnemende vraag uit de Verenigde Staten en Europa verzacht. Brussel en Berlijn stoelden daar zelfs hun bezuinigingspolitiek op: als de loonkosten in de eurolanden maar ver genoeg omlaag gingen, zouden ze zich uit de crisis kunnen exporteren. Met dank aan de brics. Maar die locomotief komt nu knersend en piepend tot stilstand. Het doemscenario dreigt van een stationaire economie: langdurige, wereldwijde stagnatie.

Ook wanneer de soep niet zo heet gegeten wordt, zullen de gevolgen voelbaar zijn. Voor Nederland zal de directe schade nog meevallen. De export naar met name China en Rusland groeit razendsnel, blijkt uit cbs-cijfers. Maar naar verhouding gaat het nog altijd om een klein deel van de uitvoer: in totaal 4,3 procent in 2011. Indirect is ons land echter wel degelijk kwetsbaar. Duitsland exporteert naar verhouding drie keer zo veel als Nederland naar de brics-landen. De helft daarvan – van luxe bmw’s tot complete machineparken van Siemens – gaat naar China. Van dat succes profiteert Nederland weer mee, vooral via de doorvoer van grondstoffen en halffabrikaten. De vraag is hoe lang nog.

Het zou niet voor het eerst zijn dat ­aanstormende economieën de hemel worden in ­geprezen, om korte tijd later vergeten te zijn. Eind jaren zestig werden onder meer Sri Lanka en Birma genoemd als nieuwe ‘Aziatische ­tijgers’. In de jaren zeventig liet uitgerekend Irak ­jarenlang een forse groei zien. En in de jaren ­tachtig gooide Japan hoge ogen – het land zou ­volgens ­sommigen in no time de Verenigde ­Staten opvolgen als economische supermacht.

De brics dreigt het niet anders te vergaan. Het begint al met de afkorting. Die is gemunt door een manager van Goldman Sachs, Jim O’Neill. Zo’n fris label was ongetwijfeld handig om beleggers te interesseren voor dat clubje opkomende landen. Maar in de praktijk is er weinig wat hen verenigt. Zo kampt China, mede door zijn één-kindpolitiek, de komende decennia met een enorme vergrijzing. Ondertussen heeft India juist een extreem jonge bevolking. En waar Brazilië en Rusland voor hun rijkdom afhankelijk zijn van de export van olie, gas en andere grondstoffen, behoren de Chinese en Indiase industrieën tot de voornaamste importeurs hiervan.

Van die diffuse verzameling landen kun je niet verwachten dat ze als één blok de wereldeconomie redden. Daar komt bij dat de lange­termijnprognoses voor de opkomende economieën veel te optimistisch waren. Zou dat alles uitkomen, schreef de gezaghebbende Harvard-econoom Dani Rodrik vorig jaar al in de Financial Times, dan aanschouwden we een van de meest indrukwekkende voorbeelden van afnemende ongelijkheid in de wereld ooit. Maar helaas, voegde Rodrik er direct aan toe, ‘deze voorspellingen zijn grotendeels extrapolaties van het recente verleden en ze zien serieuze structurele beperkingen over het hoofd’. Zijn conclusie was dan ook weinig optimistisch: ‘De groei in de ontwikkelingslanden zal hoogstwaarschijnlijk tijdelijk blijken en te zwak om de wereldeconomie aan te drijven.’

Ruchir Sharma, hoofd opkomende markten bij Morgan Stanley, toonde zich in een recent essay in Foreign Affairs nog sceptischer. Volgens hem is het verschil in inkomen per hoofd van de bevolking tussen rijke en arme landen, in vergelijking met de jaren vijftig, helemaal niet afgenomen. Sharma wil dan ook niet spreken van ‘opkomende economieën’. ‘De meeste zijn al decennia aan het opkomen en zullen dat nog heel lang blijven doen.’

Zijn er dan helemaal geen lichtpuntjes? Van de brics of ‘de’ opkomende economieën mogen geen wonderen verwacht worden. Toch kunnen met name China en India een cruciale rol ­spelen in de wereldeconomie. Maar hun opkomst zal zich niet voltrekken langs de ­kaarsrechte ­lijnen waar analisten zo verzot op zijn. De groei zal gepaard gaan met horten en stoten. Zo kampt China met wankele banken, vergrijzing, een opgeblazen vastgoedmarkt en corruptie. Dat zijn stuk voor stuk ingrediënten voor forse crises.

Interessant is hoe de nieuwe partijleiding na haar verkiezing deze maand die problemen gaat aanpakken. Het beleid van de afgelopen jaren was gericht op het versterken van de sociale voorzieningen. Zo stelt het laatste vijfjarenplan een stijging van het minimumloon met jaarlijks dertien procent in het vooruitzicht. Ook aan de pensioenen en de gezondheidszorg wordt gewerkt. Op die manier hoopt China zijn burgers te motiveren meer geld uit te geven en minder te sparen – nu moeten Chinezen nog veel geld opzij leggen voor als ze oud of ziek worden.

Volgens waarnemers is dit alles onderdeel van een Groot Plan: de Chinese exporteconomie wordt vertimmerd tot een consumptie-economie. Dat is precies de oplossing die ook het imf vorige maand aandroeg: landen als China en India moeten bij hun goederen en diensten minder leunen op de buitenlandse export en meer doen om de vraag vanuit de eigen bevolking te stimuleren. Het leidt tot een merkwaardige situatie. Terwijl Europa in reactie op de crisis zijn welvaartsstaat sloopt, worden de opkomende economieën juist aangemoedigd om hier de fundamenten van te leggen.

Of dat voldoende zal zijn om de dalende vraag vanuit het Westen op te vangen? Het succes van de opkomende economieën, aldus econoom en Nobelprijswinnaar Michael Spence in een opiniestuk, ‘was het gevolg van hun capaciteit om genoeg extra vraag te creëren om hun groei te steunen, zonder dat ze een grote vraaguitval van de ontwikkelde landen moesten compenseren’. Die vraaguitval is de komende jaren wel degelijk aan de orde, met bezuinigingspakketten in Europa en – na de presidentsverkiezingen – de VS.

Het lijkt er niet op dat de even-wat-minder opkomende landen het zo ontstane ­economische gat in z’n geheel kunnen vullen. Maar er is nóg een reden voor landen als China en India om snel werk te gaan maken van een steviger sociaal vangnet. Het is een bekend gegeven dat ­revoluties niet ontstaan op het absolute sociale ­dieptepunt. Het gaat om verwachtingen. Pas als die na enkele hoopvolle jaren niet uit blijken te komen, gaat het broeien. Met andere woorden: een ­wereldeconomie die hapert is erg. Maar tweeëneenhalf miljard mensen die jarenlang te horen hebben gekregen dat het leven beter wordt, en die nu ineens ruw gewekt worden uit hun droom – dat is ronduit explosief.