Pier

Voor een groot festival moet ik naar Brighton, waar ik logeer in een fijn hotel. Het staat pal aan zee. Wanneer je in de hal staat en mensen door de hoofdingang ziet binnenkomen is het alsof ze oprijzen uit de golven, compleet met zonnehoedjes en zeer Brits verbrande neuzen. ‘Breakfast is served from seven to eleven’ rijmt het meisje achter de balie. Ik knik en stel me verheugd de bakken met worstjes voor. De schalen gebakken tomaten en witte bonen in tomatensaus. Een beetje Engels ontbijt kun je over een halve dag uitsmeren, zonder enige moeite. In de lift naar boven staat een oudere heer, die vriendelijk ‘after you’ zegt als we op de vijfde verdieping zijn aangekomen. Het doet toch een hoop, denk ik. Dat soort beleefd-heden, formele omgangsvormen, kleine gebaren. Het doet een hoop om zo nu en dan een welgemeend ‘after you’ te horen. Het verzacht dat sneue, broeierige gevoel van miskenning op de bodem van de menselijke ziel. Dat onuitroeibare idee achter te blijven, de laatste te zijn. Het broertje met de afdankertjes. Het minder slimme zusje. Nee, echt, na u, gaat u voor – wat een goedkope, effectieve therapie. Op mijn kamer schuif ik de ramen open, die bedekt zijn met een dun laagje zout en zand. Ik kijk pal op de restanten van de West Pier, die in 2003 afbrandde. Wat er nog van over is staat in zee als een paleis van palen en planken. Vandaag ziet het eruit alsof het met houtskool tegen de blauwe lucht is getekend. Kijkend naar de meeuwenkolonie die er zijn intrek heeft genomen, moet ik ineens denken aan iets wat ik vijftien jaar geleden in een aantekeningenboekje schreef. Het was op de dag ik vanuit mijn vertrouwde kustplaatsje naar de drukke Randstad verhuisde. Ik voelde me schrijnend volwassen en alleen. De eerste, de voorste, de enige mens ter wereld. Diep in de nacht lag ik nog wakker, verbaasd over de hemel die helder afstak tegen de flatgebouwen. Ik noteerde: ‘Het wordt hier nooit donker. De lucht blijft oranje. De meeuwen zijn puntiger dan thuis.’