Piet bukman

Jarenlang had hij altijd een kistje hard en zacht fruit bij zich. Want vóór alles is Piet Bukman een tuinder uit de Glazen Stad. Zijn favoriete gereedschap is echter de voorzittershamer. Nu mag hij twee jaar lang die van de Tweede Kamer vasthouden. En daarmee leiding geven aan waar hij in wezen een grote hekel aan heeft: discussie.
IN HUIZE Tjeenk Willink (PvdA) staat een grote bos bloemen. Afzender: Piet Bukman (CDA). Althans, die bos bloemen behoort er te staan. Want als de huidige voorzitter van de senaat niet zo nodig tot ‘onderkoning van Nederland’ benoemd moest worden, tot vice-voorzitter van de Raad van State dus, dan was Bukman gepasseerd voor een job die in ieder geval past bij zijn ambitieniveau: het voorzitterschap van de Tweede Kamer.

Maar dat is niet gebeurd. Het moet diep bevredigend voor hem zijn. En wat het nog mooier maakt: dankzij de PvdA is er, vanwege overschatting van de Raad van State, door de paarse fracties een staaltje mannetjesmakende achterkamerpolitiek opgevoerd waarvan iedereen dacht dat de christen-democratie er het patent op had. En het allermooiste: zijn uitverkiezing heeft Bukman een tweede maal verliezen van een vrouwelijke collega bespaard. Dat is Piet Bukmans carrière ten voeten uit: ambitie, het onderspit, maar dankzij het ongeluk van een ander toch weer boven komen drijven.
BUKMAN WERD in 1934 in Delft geboren als zoon van een Zuidhollandse tuinder. En tuinder is Piet altijd gebleven. Tuinder en voorman van de landbouwlobby. Begin jaren zestig trad Bukman in dienst van de Christelijke Boeren- en Tuindersbond (CBTB). Hij zou er, op een haar na, twintig jaar blijven. Daar leerde hij onder anderen Jan de Koning kennen, dezelfde die hem in 1979 pushte toen CDA-voorzitter Piet Steenkamp liet weten zijn lier aan de wilgen te willen hangen.
Hoewel Bukman bij de vrinden van CHU en KVP nagenoeg onbekend was, had hijzelf inmiddels kennis gemaakt met de genoegens van de voorzittershamer: vanaf 1975 leidde hij de CBTB en een jaar later werd hij zelfs eerste man van het Groene Front: voorzitter van het Landbouwschap. Toch ging het voorzitterschap van de partij nog bijna aan zijn neus voorbij. De ARP'er Bukman ondervond ineens heftige concurrentie van partijgenoot Hans de Boer. Maar opeens zag De Boer van zijn kandidatuur af. Een verklaring is nooit gegeven voor deze afgang van de prominente mannenbroeder. De tweede al, na die van de door zijn oorlogsverleden ingehaalde Aantjes. Het ligt voor de hand dat De Boers ‘geaardheid’, zoals dat in christelijke kringen heet, hem parten heeft gespeeld.
Partijvoorzitter: het werd Bukmans finest hour. De man die al eerder als 'onbehouwen’ was gekenschetst, kreeg door zijn optreden alras bijnamen als de 'knoet’, de 'drilboor’ en de 'Lenin van Voorschoten’ (Bukmans woonplaats). Aan die laatste bijnaam doet ook de kwalificatie denken die in het wetenschappelijke blad van de partij werd toegekend aan Bukman en zijn getrouwen: 'het politbureau’. Dat was een uiterst select gezelschap uit het dagelijks bestuur van het CDA, een gezelschap dat in feite aan de touwtjes trok.
Wat de partijraad betreft, het parlement van het CDA, daarvoor gold Bukmans adagium: 'Geen discussie, geen vragen, alleen applaus.’ De discussie werd gesmoord, de deelname aan de partijraad liep navenant terug.
Ook met de politieke inhoud bemoeide de voorzitter zich. Van hem is, in verband met het aanhoudende gedoe met loyalisten in de fractie, de uitdrukking dat 'het speelkwartier voorbij is’. Maar al had Bukman niets op met discussies en dissidenten, en zorgde hij ervoor dat alle fractieleden een loyaliteitsverklaring tekenden, hij waakte ervoor de 'loyalisten’ uit te drijven. De laatste twee, Dijkman en Scholten, werd het vuur echter zo na aan de schenen gelegd dat zij uiteindelijk zelf opstapten.
Bukman had zijn klus geklaard, hij moest dus - want zo gaat dat nu eenmaal - beloond worden. Een ministerschap. Lubbers vormde zijn tweede kabinet, wist zich te ontdoen van het intellectuele en eigenzinnige VVD-echtpaar Pais en Schoo, en reserveerde het departement van de laatste voor de scheidende partijvoorzitter. Hoewel Bukman bij het woord waarschijnlijk nooit andere associaties had gekend dan die van een tuinbouwcoöperatie, mocht hij zich nu 'minister zonder portefeuille belast met ontwikkelingssamenwerking’ noemen. Over dat ministerschap kunnen we kort zijn: niemand kan het zich nog herinneren.
Desalniettemin wilde Piet in het derde kabinet-Lubbers graag opnieuw meedoen. Hij was, opmerkelijk voor een man die algemeen een koele kikker wordt genoemd, heftig geëmotioneerd toen Lubbers niet alleen de voorkeur gaf aan Koos Andriessen voor het ministerie van Economische Zaken, maar ook May-Weggen uit Straatsburg haalde onder het motto: 'Er moet een vrouw bij.’ Van minister zonder portefeuille werd Bukman nu minister van Handelsbevordering. Althans in het buitenland. In Den Haag heette hij gewoon staatssecretaris van Economische Zaken, onder Andriessen. Maar niet voor lang. Het ongeluk wilde dat minister Braks, landbouwman in hart en nieren, beklemd raakte in de visserijfraude. Bukman betreurde het vertrek van zijn collega zeer, maar ging, nadat hij concurrent Heerma achter zich had gelaten, wel op diens stoel zitten.
De clientèle van de minister was minder tevreden. Met name de boeren in Brabant en Limburg, maar ook de akkerbouwers in het noord-oosten liepen tegen het door Europa afgedwongen beleid te hoop. Bukman 'straalde te weinig warmte uit’, en de boeren ventten hun mestprobleem uit onder 'die verdomde zwarte vlaggen’, zoals hij ze noemde.
Het kabinet-Lubbers III spiraalt ten einde, het CDA pleegt bijna harakiri. Ook al door het amice-briefje van Bukman aan zijn collega van Economische Zaken waarin hij, vanwege de electorale belangen van de partij, dringend pleit voor uitstel van een verhoging van de gasprijs voor tuinders. Het briefje lekt uit, Lubbers valt zijn landbouw-collega in scherpe woorden af, maar deze heeft nooit willen erkennen dat hij staatsrechtelijk en anders fout zat. Bij de verkiezingen wordt de VVD onder de landbouwers de grootste partij.
PAARS KOMT en Bukman belandt bij de rompfractie in de Tweede Kamer. Niet hij maar Heerma wordt de politiek leider van de onwennige oppositiepartij. Bukman verbeidt zijn tijd; zijn bijdragen aan het ondermijnen van paars zijn onbekend. Zoals dat gaat met politici die vooruit willen, heeft Piet inmiddels een paar commissariaten en een handvol bijbanen. En nu heeft Bukman dus, na het verslijten van tal van hamers in tal van organisaties, de voorzittersstoel van de Tweede Kamer bereikt. Voor een man met zijn staat van dienst als volksvertegenwoordiger geen geringe prestatie.
Natuurlijk tekent het zijn ijdelheid dat hij, bij alle discussie over zijn persoon en alle gepruil over zijn geslacht, zich gedeisd hield in plaats van ferm uit te doeken te doen dat hij de geknipte figuur voor de post was. Maar het gezeur van de coalitiepartijen is nog beschamender. Te meer omdat mevrouw Doelman-Pel uit Hoogezand opeens het ideaal belichaamt. Paars had de macht om anders te beschikken. Het had dat fatsoen ook moeten tonen. Maar ja, stoelendans blijft de gemeenschappelijke hobby.
Of Bukman veel plezier aan zijn nieuwe functie zal beleven? Hij weet dat het maar voor een jaar of twee is - dan volgt Erica Terpstra hem op. En dat de Majesteit straks zijn formatie-adviezen gretig zal volgen, is tenminste twijfelachtig. Laat staan dat hij in zijn dagelijks werk veel zal genieten. Als er één plek is waar veel vragen leven en veel discussie bestaat, is het de Tweede Kamer. En applaus? Dat moet door de voorzitter ingevolge het reglement van orde worden afgehamerd.
Bukman is geen slechterik. In het Haagse circuit is zelfs niet één sappige roddel over hem te verkrijgen. Alleen kwalificaties als 'contactgestoord’, 'afstandelijk’, 'niet spetterend’. Er hangt geen geur om hem heen, anders dan die van hard en zacht tuindersfruit. Bukman staat slechts symbool voor het soort politici dat, bij tijd van leven, altijd weer een baantje binnensleept. En juist hij wil nu dat het Binnenhof 'meer Buitenhofs’ gaat spreken. Dat de Heere ons beware.