De grenzen van de grote mond Vrijheid van belediging

‘Piet is !*#@ gek’

Maandag begint het proces tegen PVV-leider Geert Wilders en daarmee de discussie over de grenzen van de vrijheid van meningsuiting. Mag je moslims afbeelden als een groep vrouwonvriendelijke bommengooiers?

Medium 05788272

STOMMERD, zegt mijn zoontje zo nu en dan. Braaf leg ik hem uit dat ik niet stom ben, maar dat hij eventueel kan zeggen dat ik stom doe. Op zijn school hebben ze beleid om ervoor te zorgen dat kinderen elkaar niet pesten of verbaal in elkaar slaan. Ze mogen niet schelden, treiteren of elkaar beledigen. En als ze dat wel doen moeten ze even uit de groep, dan mogen ze niet meer meespelen.
Gek eigenlijk. We leren onze kinderen de grenzen van het betamelijke, om het fraai te zeggen, en nestelen ons vervolgens achter de computer om anoniem de meest vreselijke verwensingen het internet op te slingeren. Dat mag dan weer wel. Doe ík niet, hoor ik u zeggen. Goed, u niet. U voedt uw kinderen netjes op, leert ze dat schelden niet mag, maar vindt ondertussen de vrijheid van meningsuiting een groot goed. Alles moet gezegd kunnen worden, tegenstanders moeten tegen een stootje kunnen. Want dat hoort bij onze democratie, bij het liberalisme, en zorgt ervoor dat het publieke debat niet monddood wordt gemaakt. Mensen moeten zich maar (verbaal) verdedigen en niet zulke lange tenen hebben.
Kortom: later, als je groot bent, mag je beledigen en kwetsen. Als we gaan morrelen aan de vrijheid van meningsuiting is het einde zoek. Toch?
Niet helemaal. Want laten we wel zijn: het is niet de vraag óf er grenzen zijn aan de vrijheid van meningsuiting, maar waar die grenzen getrokken worden. Als u gemakzuchtig beweert dat ‘alles gezegd moet kunnen worden’ heeft u het fout. U kent de wet niet, of u stapt veel te eenvoudig heen over de knelpunten en botsende rechten die ongebreidelde meningsuiting tot gevolg heeft. Want als u vindt dat de vrijheid van meningsuiting absoluut en grenzeloos is, negeert u de rechten van anderen: op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, om niet gediscrimineerd te worden, om niet opzettelijk en malicieus publiekelijk besmeurd te worden of het doelwit te worden van agressie als gevolg van aanzetten tot haat.

RECENT WAS BLOGGER Bert Brussen te gast bij BNR, voor een debat met Boris van der Ham (D66) en René Danen (Nederland Bekent Kleur). De aanleiding was de aanhouding van Brussen nadat hij een bedreigende tweet over Wilders had doorgestuurd, door hem voorzien van een ironische kop ('Wilders met de dood bedreigen doe je zo’). De aanhouding was onterecht - immers, iedereen kon begrijpen dat Brussen niet opriep om geweld tegen Wilders te gebruiken, maar dat hij juist de aandacht op dit soort nare bedreigingen wilde vestigen - en Brussen maakte zich daar terecht kwaad over. Maar de discussie kreeg een wending die typerend is voor elk gesprek hierover de laatste tijd, of het nu in het café, het parlement of bij Pauw & Witteman, De wereld draait door of BNR is.
Eerst worden er een paar incidenten opgesomd waaruit blijkt dat de vrijheid van meningsuiting in Nederland aan erosie onderhevig is. Hoofdverdachte is minister van Justitie en vermeend fatsoensrakker Ernst Hirsch Ballin. Voorbeelden die langskomen zijn de onverkwikkelijke gang van zaken rond cartoonist Gregorius Nekschot (die niet werd veroordeeld maar waarbij het OM zelf en passant wist te melden dat hij wel schuldig was), de rel over de NSB-kranten op internet, het wetsvoorstel om zonder toetsing informatie van internet te kunnen halen, en uiteraard de rechtszaak tegen Geert Wilders. Vervolgens vraagt Van der Ham of er grenzen zijn aan de vrijheid van meningsuiting.
Brussen: 'Neuh, ik vind alleen dat er grenzen zijn als je iemand bedreigt. Dat is ook makkelijk aan te tonen. Maar het haatzaai-artikel vind ik onzinnig, en artikel 1 ook. Op die manier wordt heel veel mening beperkt. Ik ben een voorstander van de volledige vrijheid van meningsuiting, anders leven we straks in een soort Noord-Korea.’
Daar wordt dan wat tegenin gebracht, bijvoorbeeld dat er toch wettelijke grenzen zijn en dat het er soms wel erg hard aan toegaat op internet. Maar de discussie eindigt met een 'alles moet gezegd kunnen worden’-teneur en de constatering dat het nou eenmaal niet mogelijk is om te voorkomen dat mensen (op internet) op een kwetsende en nare manier hun mening geven. Het is zo, dus zo is het goed.

MAAR IS DAT ZO? Eerst een uitstap naar het buitenland. In veel landen wordt de rechterlijke macht misbruikt om onwelgevallige meningen de kop in te drukken. Keer op keer worden schrijvers veroordeeld omdat ze de goede naam van de president of de premier hebben aangetast, of worden journalisten opgesloten omdat ze iets hebben geschreven over een dubieuze zakenman. Als de 'internationale gemeenschap’ klaagt over dit soort zaken krijgt ze te horen: maar jullie hebben toch ook wetten tegen smaad en belediging? Ja, die hebben we. Nederland ook, en ze worden uitgebreid en in toenemende mate gebruikt. En het probleem is dat, als je niet oppast, telkens het OM moet aantreden als iemand zich beledigd voelt.
Een tweede zorgelijke trend, internationaal, is de neiging om religies sterke bescherming te bieden. Vorig jaar nam de Human Rights Council van de Verenigde Naties een, overigens niet bindende, resolutie aan waarin staat dat 'smaad van religie’ niet alleen pijnlijk is voor gelovigen, maar ook 'aanzet tot geweld’. De EU distantieerde zich natuurlijk van de tekst, maar ook in Europees verband knaagt de bescherming van minderheden, het bevorderen van tolerantie en het toch vooral begripvol omgaan met gelovigen steeds meer aan de vrijheid van meningsuiting.
Neem de Raad van Europa, de hoeder van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Er wordt altijd gerefereerd aan artikel 10, dat de vrijheid van meningsuiting garandeert. Er wordt dan opgeschreven dat beperkingen zeldzaam zijn, nauw omschreven moeten worden en vooral 'noodzakelijk moeten zijn in een democratische samenleving’. Uitspraken van het Hof worden aangehaald om aan te tonen dat meningen ook best schokkend en krenkend mogen zijn en dat bijvoorbeeld politici veel vrijheid genieten om te zeggen wat ze vinden.
Ondertussen neemt diezelfde Raad van Europa in de afgelopen jaren verschillende resoluties aan om tolerantie te bevorderen. De raad vaardigt aanbevelingen uit om 'intercultureel begrip’ te kweken en spanningen tussen bevolkingsgroepen te verminderen. Dat is mooi en goed, maar heeft ook implicaties. Hoewel bijvoorbeeld opgemerkt wordt dat 'religieuze groepen’ kritiek moeten kunnen verdragen en niet meer bescherming genieten dan anderen, staat er ook dat gelovigen natuurlijk niet opzettelijk beledigd moeten worden. Hetzelfde geldt voor aanbevelingen over discriminatie, persoonlijke levenssfeer en andere zaken die op gespannen voet met de vrijheid van meningsuiting kunnen staan. Het lijkt futiel, maar recente uitspraken van het Hof tonen aan dat het wel degelijk doorwerkt. Het Hof schuift een beetje. Het vond bijvoorbeeld dat Jean Marie Le Pen en Daniel Féret (beiden Front National, in respectievelijk Frankrijk en België) best veroordeeld mochten worden vanwege discriminatie.

KORT GEZEGD, wereldwijd doen smaad en godslastering hun herintrede. En hoewel Nederland niet vergeleken moet worden met autoritaire landen zonder onafhankelijke rechterlijke macht, is er wel reden om het wettelijk kader aan te scherpen. Want de bescherming van de vrijheid van meningsuiting is niet gebaat bij totale grenzeloosheid, maar bij een zeer beperkt aantal scherp gestelde grenzen.
Ten eerste de godslastering. Terecht is D66 van mening dat het verbod geschrapt kan worden. Niet alleen omdat het niet gebruikt wordt (dat doen Engeland, Noorwegen en Denemarken ook al bijna honderd jaar niet meer), maar omdat het onnodig is. De opinie van religieuzen is niet waardevoller dan die van anderen. Spanje en Zweden gingen al voor en schaften het af.
Ten tweede de baaierd aan opties om belediging tegen te gaan. Beledigen, groepsbelediging, smaad, laster - het mag formeel allemaal niet, en het is vaak niet duidelijk onder welke condities je wél een ongezouten mening mag geven of iemand (terecht of onterecht) van iets mag beschuldigen. Beledigen is alleen een negatieve opmerking maken ('Piet is gek’), smaad is specifieker en gericht op de goede naam ('Piet heeft de kassa achterover gedrukt’), laster is smaad terwijl je donders goed weet dat het niet waar is. Iedereen voelt op zijn klompen aan dat dat laatste niet mag, en misschien een zaak is voor het OM. Maar beledigen? Dat is een civiele zaak.
Dat is het derde punt. In veel landen wordt smaad of belediging strafrechtelijk vervolgd, soms ook in Nederland. Het is te makkelijk - u voelt zich beledigd, stapt naar de politie, doet aangifte en vervolgens zit het OM ermee. Terecht zegt het Hof in de zaak-Wilders dat beledigen eigenlijk buiten het strafrecht valt. Immers, iemand die zich beledigd voelt kan zelf naar de rechter stappen en een civiele zaak aanspannen. Dat verhoogt de drempel en beperkt dus het aantal klachten. Frankrijk en Ierland kondigden vorig jaar aan belediging uit het strafrecht te schrappen, andere landen gingen hen al voor (verrassend genoeg Roemenië, en natuurlijk de Verenigde Staten). Het burgerlijk wetboek volstaat in die landen. Dat dit in Nederland best kan werken bewijst bijvoorbeeld de civiele rechtszaak tegen Maurice de Hond, die 120.000 euro moest betalen aan de 'klusjesman’ die hij beschuldigde van moord op de weduwe in de Deventer-moordzaak.
Iemand vroeg mij laatst wat groepsbelediging nou precies is. Wilders staat onder meer daarvoor terecht. Mag je moslims afbeelden als een groep vrouwonvriendelijke bommengooiers, of joden als een stel geldbeluste haakneuzen? Hangt dat ervan af of zij zich beledigd voelen, of van jouw intentie om hen te beledigen, en maakt het nog iets uit of het waar is of niet? Het Hof heeft, in een voorschot op de zaak-Wilders, al aangegeven dat er sprake moet zijn van eenzijdige, generaliserende opmerkingen, met een opruiend karakter en met de bedoeling een 'conflictueuze tweedeling’ te schetsen tussen de ene groep en de rest van de samenleving. Die scherpe bepalingen zijn terecht.
De wetgever zou een glashard onderscheid moeten maken. Alleen als er echt strafbare feiten zijn, met potentieel ernstige gevolgen zoals aanzetten tot geweld en haatzaaien, moeten het strafrecht en het OM in stelling worden gebracht om de vrijheid van meningsuiting te beperken. Maar het aantasten van iemands goede naam, het schenden van de privacy of het beledigen van een groep kunnen prima civielrechtelijk worden afgehandeld. Als het gaat over fatsoen, omgangsvormen, elkaar niet beledigen of besmeuren kunnen we het wel zelf oplossen. Voor de rechter, welteverstaan, maar zonder Hirsch Ballin. Grenzen moeten er zijn, maar laat het bij voorkeur niet aan de overheid om ze te bewaken.

foto: Marco Okhuizen/HH