Piet meerburg, kinderredder

Piet Meerburg werd op 1 september 1919 in De Bilt geboren. Hij is na de oorlog enige malen getrouwd en heeft drie kinderen. Al tijdens de oorlog bereidde hij de oprichting van studentenbioscoop Kriterion voor. Daarna maakte hij carriŠre in het film- en toneelbedrijf. Hij werkt in die branche nu samen met zijn zoon Krijn en woont in Amsterdam. ..LE ‘Hoe armer en eenvoudiger de mensen waren, hoe groter hun bereidheid was om te helpen. Dat heeft mij altijd enorm getroffen. Als je een gezin in Limburg had met tien kinderen, ach ja, dan konden daar nog best twee bij. Wiebenga in Friesland bijvoorbeeld, die had het allerlaagste beroep dat je je in die tijd in Nederland kon voorstellen: het ledigen van de emmers met uitwerpselen. Juist die man heeft altijd onderduikers en kinderen bij zich gehad. Dan werd die ene pot met pap of aardappelen met letterlijk iedereen die daar op dat moment aanwezig was, gedeeld.’

Piet Meerburg is niet alleen de oprichter van studentenbioscoop Kriterion en vele andere Amsterdamse bioscopen en een van de grondleggers van het Nederlands Filmmuseum, hij was als student ook leider van een van de vier groepen die joodse kinderen liet onderduiken.
Hij was, toen de oorlog uitbrak, net aangekomen als student in de rechten in Amsterdam. De eerste twee oorlogsjaren werkte hij gewoon aan zijn kandidaatsexamen, daarnaast deed hij steeds meer voor de illegale beweging.
‘Ik ben via het studentenverzet in Amsterdam, dat overigens niets voorstelde, in contact gekomen met de zogenaamde Utrechtsche Groep die me vroeg om joodse kinderen op te vangen. Als studenten vlogen we allemaal een andere kant op in het verzet. De een ging in het militaire verzet - dus militante sabotage. Een ander ging in het humanitaire verzet, zoals ik. Het werk bestond in mijn geval uit het vinden van onderduikadressen voor joodse kinderen.
Wij vormden een groepje dat uit twee mannen bestond, Wouter van Zeytveld en ik, en voor de rest uit vrouwen, een stuk of twaalf studentes, allemaal begin twintig. Het probleem voor mannen was dat je als jongen van eenentwintig jaar buitengewoon kwetsbaar was. Je kon bij wijze van spreken uit de trein geplukt worden om in Duitsland te gaan werken. Dus wij konden heel moeilijk reizen. Bovendien was het vreemd zo'n jongen te zien rondlopen met kinderen en baby’s. Daarom deden Wouter en ik het werk achter de schermen, het organisatorische werk. We gingen wel naar Friesland en naar Limburg waar al onze contacten zaten, maar zo min mogelijk met kinderen. Dat deden de meisjes.
Het enige wat de meisjes, heel typerend, niet konden, was de kinderen te vondeling leggen. Wij hebben in het begin nogal wat kinderen te vondeling gelegd. Een prachtige manier om ze te legaliseren, terwijl met de pleegouders natuurlijk alles van tevoren was afgesproken. Toch konden de meisjes dat niet, dan moesten wij altijd mee. Dat te vondeling leggen heeft overigens niet lang geduurd, want na drie maanden hadden de Duitsers het door en toen kon je geen baby’s meer op een stoep leggen. Het heeft wel een aantal kinderen goed de oorlog doorgeholpen, beter dan op die wijze kon het niet.’
'Toen ik in de zomer van 1942 werd benaderd door de Utrechtsche Groep, besefte ik dat ik aan dat illegale werk een dagtaak zou hebben. Ik ben toen volledig met mijn studie gestopt. Die Utrechtsche Groep probeerde reddend werk voor joodse kinderen uit Amsterdam te doen. Dus het was logisch dat zij ons in Amsterdam hierover benaderden. Dat gebeurde in juli 1942 toen de deportaties waren begonnen en we allemaal echt wakker werden.
We zijn direct begonnen met de opvang van kinderen en zijn ons toen ook zelf actief gaan bezighouden met het zoeken naar onderdak voor deze kinderen. In augustus 1942 reisde ik daarom naar Friesland om plaatsen te zoeken en contacten te leggen. Ik vertrouwde op de principi‰le houding van de vele gereformeerden daar, want je moest het vooral hebben van de gelovige mensen.
Dat zie je ook in het verschil in houding tussen de twee universiteiten van Amsterdam. De Gemeenteuniversiteit was een mengeling van heel nare meelopers en NSB'ers; ondanks goede professoren was het er in zijn totaliteit n¡et goed. Mijn schoonvader, professor Van Loghem, hield in september 1940 een inaugurele rede die niet om de zaken heendraaide - de volgende dag werd hij prompt ontslagen. De Vrije Universiteit daarentegen was geweldig. Wij zijn daar dan ook naar overgegaan. De leidende gedachte uit hoofde van hun godsdienstige overtuiging was heel sterk!
Ik heb ooit verschrikkelijk in de benauwdheid gezeten. Dat was toen ik weer eens in Friesland was. Ik moest, samen met een vriendin, twee kinderen brengen naar iemand die iedere zaterdag met een vrachtwagen naar Amsterdam ging, die helemaal vollaadde met mensen die wilden onderduiken, en terugreed naar Friesland. We aten daar en we sliepen daar. Na het eten, toen ik nog wat met hem zat te praten, zei hij opeens: “Ik doe dit alleen omdat de joden mijn vijanden zijn, want ze hebben Christus gekruisigd. Maar er staat in de bijbel: hebt uw vijanden lief.”
Ik heb er de hele nacht niet van geslapen. De volgende dag ben ik ogenblikkelijk naar Leeuwarden doorgereisd, naar Krijn van der Helm, de topman van het Friese verzet en onze contactman. Die stelde me gerust en overtuigde me ervan dat die man volledig te vertrouwen was.
In eerste instantie gingen wij naar de dominees en pastoors, want die wisten wie er wel en wie niet goed was. De opnamebereidheid is in Friesland buitenproportioneel groot gebleken, maar in augustus 1942 was dat nog niet zo, simpelweg omdat men niet geloofde dat er razzia’s plaatsvonden om de joden weg te voeren. Ik kreeg geen poot aan de grond, totdat ik in Sneek bij dominee Mesdag terechtkwam. Toen ben ik doorgestoten. Drie, vier maanden later geloofde men het wÇl. Dominee Mesdag vond dat de kapelaan, met wie hij goede contacten onderhield, ook bij de zaken betrokken moest worden. Met andere woorden: voor het eerst werd hier uit pure menslievendheid de oecumenische gedachte in daden omgezet. De katholieke kerk, de paus daargelaten, verdient wat betreft de opvang van kinderen alle lof, althans wat ik daarvan ervaren heb. De Utrechtsche Groep heeft een deal gemaakt met de katholieken dat de joodse ondergedoken kinderen in Limburg niet gedoopt zouden worden en dat is ook bijna niet gebeurd. Bovendien is er ook nog dat herderlijke schrijven geweest, van alle kansels voorgelezen, wat in alle opzichten moedig is geweest. In Friesland was het de gereformeerde kerk die de motor vormde achter het verzet.’
'Uit de crŠche tegenover de Hollandsche Schouwburg in Amsterdam - waar de ouders, in afwachting van hun transport naar Westerbork, gescheiden van hun kinderen zaten opgesloten - zijn heel veel joodse kinderen gered door het werk van Walter SÅsskind, Felix Halverstad en Bert de Vries Robles, een arts. Binnen de crŠche heeft Virrie Cohen, de dochter van de voorzitter van de Joodsche Raad, onschatbare diensten bewezen. Maar Walter SÅsskind was de spil. Hij woonde naast de crŠche, en vanuit zijn huis werd er geopereerd.
Omdat hij als medewerker van de Joodsche Raad in de Schouwburg werkte, wist hij welke ouders wensten dat hun kinderen naar een onderduikadres gingen. Wij wachtten die kinderen aan de achterkant van de crŠche op en namen ze mee, want de crŠche werd niet bewaakt.
Veel ouders hoopten dat ze en famille naar Polen zouden gaan om er te werken. Maar dat is de hoop van een ongeneeslijk zieke die voor zijn speciale geval toch nog op een wonder hoopt. Anderen hadden die hoop al laten varen en waren bereid naar Westerbork te gaan, als hun kinderen in godsnaam konden worden gered.
Wij waren allemaal in de twintig, eigenlijk te jong om te beseffen hoe verschrikkelijk moeilijk het voor die ouders geweest moet zijn je los te scheuren van je kind en dat aan een volslagen onbekende over te laten, de onbekendheid tegemoet, niet wetende of je het ooit terug zal zien. En vergeet niet dat de Joodsche Raad er alles aan heeft gedaan, onder andere door de afdeling Hulp aan Vertrekkenden, om de zaken te verdoezelen.
Wij wisten dat de werkkampen in Polen een smoes waren en dat men, als men daar naar toe ging, ter dood veroordeeld was. Van de vergassingen wisten we pas in 1943, maar we wisten wel al dat de mensen eraan gingen in de concentratiekampen. Dat was ook onze drijfveer, anders hadden we nooit ons eigen leven in de waagschaal gesteld. Wij hebben de Friese onderduikverleners ook altijd gewezen op het gevaar dat de joodse kinderen bedreigde, maar ook dat zij, de onderduikverleners, ten dode waren opgeschreven als ze zouden worden gesnapt. Het was onze plicht hen te waarschuwen voor het risico dat zij namen. Maar die mensen hebben dat toch maar allemaal genomen. Ik schat voor Friesland: zeven- tot achthonderd gezinnen. Dat is niet mis!’
'In het laatste oorlogsjaar, toen we door de hongerwinter opgesloten zaten in Amsterdam, hebben we ook andere dingen gedaan. Zoals transporten organiseren van creperende kinderen naar Friesland. Van directieven uit Holland hebben we nooit last gehad. We zouden ons er ook niets van aangetrokken hebben omdat we totaal op onszelf stonden.
Wij konden ook zelfstandig zijn omdat er geen geld in het geding was. Het is bijna niet te geloven, maar voor zover mij bekend is, hebben de onderduikverlenenden nooit ÇÇn cent gevraagd. Ook niet de mensen die zelf nauwelijks iets hadden, die zouden zich er bij wijze van spreken voor generen als ze geld zouden vragen vanwege een kind.
Mijn grote desillusie was dan ook dat mensen die geld hadden, niet bereid waren risico te lopen voor die ten dode opgeschreven kinderen. Ik ken maar ÇÇn man die multimiljonair was die alles heeft gedaan wat God verboden had en zijn pakhuis vol met wapens had zitten. Hij was nog Duitser ook. Wetzlar heette die man, en hij heeft onder meer het verzet in Friesland gefinancierd.’
'Het ontroert me steeds opnieuw bij Yad-Vashemhonoreringen: die oude, gerimpelde, nietige, heel gewone mensjes die onderscheiden worden vanwege de ongemeen heldhaftige, buitengewone rol die ze indertijd voor hun verdrukte medemens hebben gespeeld.
Wat mij dwarszit, is dat er niet ook een onderscheiding is voor joden die ontzettend veel gedaan hebben en dubbel risico liepen. Dit temeer omdat het fabeltje dat de joden zich als vee naar de slachtbank hebben laten leiden, nog altijd rondgaat. Terwijl het juist de joden zijn geweest die als eersten van zich af hebben geknokt.
Er zijn tot nu toe in Nederland vierduizend onderscheidingen door Yad-Vashem uitgereikt voor het onderdak bieden aan joodse mensen. Die onderduikverleners zijn de ware verzetshelden en niet die zogenaamde september-illegalen, de mensen die na Dolle Dinsdag opeens zonodig het verzet in moesten en bij de Binnenlandse Strijdkrachten gingen. Dat was een groep die ook nu nog de allergrootste mond heeft en bij iedere herdenking in de voorste rijen staat. Maar die pleegouders hebben echt hun leven ingezet, niet even maar vele jaren lang.’
'Na de oorlog heb ik op de kop af drie maanden bij de OPK (Oorlogs Pleeg Kinderen) gewerkt, de organisatie die zaken regelde voor de oorlogspleegkinderen. Toen ben ik daar gillend weggelopen. Op het moment dat de oorlog voorbij was, vond ik dat mijn taak, en ook die van andere mensen, afgelopen was. Ik voorzag dat er een enorme strijd zou komen over de kinderen. Gesina van der Molen en anderen vonden dat de kinderen, als de ouders niet terugkwamen, in principe in het pleeggezin moesten blijven. Ik was het daarmee pertinent oneens, ik vond dat dat heel zorgvuldig, van individu tot individu, bekeken moest worden en dat het soms ook in het belang van het kind was teruggenomen te worden door de joodse gemeenschap.
Toen de strijd ontbrandde tussen de pleegouders en de joden, heb ik me er zo snel mogelijk van gedistantieerd, want toen werd het ÇÇn grote zieltjeswinnerij.’