Pietepaf en andere uitgeverssuccessen

Wim Wennekes, Geert Lubberhuizen, uitgever: Het mysterie van de Van Miereveldstraat. Uitgeverij Bas Lubberhuizen & De Bezige Bij, 291 blz., f39,50
EIGENLIJK IS DE Bezige Bij voortgekomen uit een samenloop van omstandigheden. Het was 1943, oorlog; er was verzetswerk te doen. De corpsstudenten in Utrecht die als Utrechts Kindercomite joodse kinderen lieten onderduiken, persoonsbewijzen en bonkaarten vervalsten en kunstenaars ondersteunden die niet voor de Kultuurkamer hadden getekend, hadden dringend geld nodig. Een studente had het gedicht De Achttien dooden van Jan Campert in handen gekregen. Gezamenlijk werd besloten het gedicht als rijmprent af te drukken en clandestien te verkopen. Een van de studenten, Geert Lubberhuizen, bood aan de zaak te organiseren.

Het is een spannend verhaal - een waar gebeurde mythe. De studenten hielden het niet bij het gedicht van Jan Campert. Nadat zij hadden ontdekt dat het publiek bereid was veel geld uit te geven voor lectuur die niet uit de koker van de bezetters kwam, besloten zij meer boeken uit te geven om het verzetswerk te bekostigen. Op 12 november 1944 passeerde kandidaat-notaris Pieter Willem van der Ploeg in Amsterdam in het geheim de oprichtingsakte van de Cooperatieve Vereniging De Bezige Bij, tot uitgave van boeken en tijdschriften.
Dit jubileum wordt komende week gevierd, maar in feite bestond de uitgeverij bij de oprichting al anderhalf jaar. De jongen die de organisatie op zich genomen had, liet eind 1944 weten dat hij na de bevrijding het uitgeverswerk wel voort wilde zetten. Die jongen was Geert Lubberhuizen, student scheikunde. Hij werd een van de drie directeuren van de uitgeverij - en hij zou tot zijn pensioen in 1981 directeur blijven.
De ontstaansgeschiedenis van De Bezige Bij is al eens uitgebreid beschreven. In 1972 promoveerde Richter Roegholt op een onderzoek naar de eerste vijfentwintig jaar van De Bezige Bij. Het is een inmiddels onleesbaar, oubollig boek waarin de nadruk ligt op de oorlogsjaren en de structuur van De Bezige Bij.
Ter gelegenheid van het vijftig jarig bestaan van De Bezige Bij verscheen vorige week een biografie van de oprichter en de uitgever van 1944 tot 1981: Geert Lubberhuizen, uitgever: Het mysterie van de Van Miereveldstraat. Het specialisme van biograaf Wim Wennekes is de geschiedschrijving van het Nederlandse bedrijfsleven. Dat zijn interesse ligt bij de wijze waarop Geert Lubberhuizen de uitgeverij bestierde, komt duidelijk tot uiting. In zijn inleiding schrijft Wennekes dat alle personen die hij had gesproken, hem min of meer hetzelfde vertelden: Geert was een bijzondere man, maar hoogte kreeg je niet van hem. Tot bespiegelingen over het karakter van Lubberhuizen heeft de biograaf zich dan ook niet laten verleiden.
De Bezige Bij was voor Wennekes een interessante onderneming, in die zin dat het de enige uitgeverij in Nederland is die officieel in handen is van de auteurs die bij de uitgeverij publiceren. De auteurs maken deel uit van de cooperatie en kiezen uit hun midden een bestuur. Deze structuur had echter in het tijdperk-Lubberhuizen niet als consequentie dat de schrijvers de baas waren: Lubberhuizen besliste in principe alles en slechts achteraf kon het bestuur hem een berisping geven voor al te eigengereid beleid - kritiek die hij vervolgens naast zich neerlegde.
IN DE BIOGRAFIE ligt de nadruk nogal op de financiele en administratieve ontwikkeling die de uitgeverij en daarmee ook de directeur doormaakte. Wennekes geeft smakelijke details over het salaris van Lubberhuizen. De directeuren van De Bezige Bij verdienden altijd meer dan de redacteuren en andere medewerkers. Lubberhuizen begon met vierhonderd gulden en verdiende bij pensionering tienduizend gulden per maand. Ter vergelijking: redacteur Adriaan Morrien begon in 1945 als lezer van manuscripten met een salaris van honderd gulden per maand, dat in 1973, bij zijn pensionering, was opgetrokken tot netto 225 gulden per maand.
Geert Lubberhuizen had in 1945 twee collega-directeuren, van wie de ene, Charles van Blommestein, in 1949 verdween om in Indonesie te gaan werken, en de tweede, Wim Schouten, in 1956 bij papiergroothandel Proost en Brandt directeur werd. Adriaan Morrien en Bert Schierbeek werkten jarenlang als Bij-redacteuren, later bijgestaan door Oscar Timmers. Zij komen uitgebreid aan het woord; in feite is de biografie van hun werkgever ook een monument voor de betekenis die hun werk voor de ontwikkeling van de Nederlandse literatuur heeft gehad.
GEERTJAN LUBBERHUIZEN werd in 1915 in Haarlem geboren. Hij groeide op in Arnhem. In 1935 ging hij scheikunde studeren in Utrecht en in 1936 sloot hij zich aan bij het Utrechts Studenten Corps. Met zijn corpsgenoten raakte hij in 1941 betrokken bij verzetswerk. In 1942 stichtte hij met enkele medestanders brand in de cartotheek van het inschrijvingsbureau van de universiteit van Utrecht. Hij plakte pamfletten en werkte als koerier. Later in de oorlog richtte hij zich voornamelijk op het illegale uitgeverswerk. Hij zocht contact met zetters en drukkers, scharrelde papier op en organiseerde een distributienetwerk.
Lubberhuizen sprak na de bevrijding zelden over de oorlogsjaren. Wim Wennekes heeft de meeste gebeurtenissen gereconstrueerd uit interviews die Lubberhuizen gaf, waarbij hij altijd maar een of twee anekdoten vertelde en dan van onderwerp veranderde. Ook over het vak sprak hij niet veel. De uitgever vertelde liever over zijn auteurs.
Tussen de regels door reconstrueert Wennekes de geschiedenis van de boeken die De Bezige Bij heeft uitgegeven. Uiteraard staat hij stil bij De achttien dooden van Jan Campert, de rijmprent met een illustratie van Fedde Weidema waarmee het allemaal begon. Die prent verscheen in een eerste oplage van vijfhonderd exemplaren en kostte vijf gulden. Uiteindelijk werden er tijdens de oorlog meer dan vijftienduizend exemplaren van verkocht en na de bevrijding nog eens 63-duizend exemplaren.
Het eerste boek dat na de bevrijding verscheen, was de roman Die van ons van Willy Corsari. Het literaire succes kwam snel. De Bij publiceerde in 1948 De avonden, van ene Simon van het Reve. In 1951 legde de uitgeverij de hand op archibald strohalm van een jonge schrijver uit Haarlem, Harry Mulisch. Simon van het Reve bleek Gerard te heten en stapte over naar Geert van Oorschot, maar Harry Mulisch bleef. Mulisch zegt hierover in de biografie: ‘Verder vond ik het geweldig dat daar ineens een hele generatie schrijvers binnenliep, uit kringen van allerlei literaire bladen. Voor mij was het echt de uitgeverij waar ik bij wilde - en wil - horen en ik heb nooit enige reden gehad om een andere uitgever te zoeken.’
Na een financieel moeilijke start was vrijwel alles raak. 'Iedereen’ publiceerde bij De Bezige Bij: Mulisch, Claus, Lucebert, later ook Hermans en Wolkers. Daarnaast verzon de uitgever voortdurend nieuwe plannen om het bedrijf draaiende te houden. De Literaire Reuzenpocket ontstond in 1959, naar een idee van Harry Mulisch.
In 1963 kreeg Geert Lubberhuizen een boek in handen dat het grootste verkoopsucces uit zijn carriere zou blijken. Bert Schierbeek herinnerde zich: 'Op een dag kwam ik de directiekamer binnen en zat Geert achter zijn bureau met rode oortjes een heel dik manuscript te lezen. Dat verwonderde me nogal, dus vroeg ik wat hij daar om handen had en dat bleek “Ik Jan Cremer” te zijn.’
Ik Jan Cremer was slechts een van de boeken waar gedoe om kwam tussen uitgever en bestuur. De meeste auteurs, ook de bestuursleden, hebben echter een jarenlange band met hun uitgever gehad. Uit de biografie blijkt hoe hecht het contact was tussen Lubberhuizen en zijn auteurs. Wim Wennekes citeert een interview dat Lubberhuizen in 1969 gaf: 'Je bent vaak ook sociaal werker. Vindt u het normaal wanneer ik met een ijskast van Cremer de trap afsjouw omdat de ijskast naar zijn moeder in Enschede moet? Het hoort bij het werk.’
Mieke Vestdijk herinnert zich hoe Lubberhuizen na de dood van Simon Vestdijk bijsprong. 'Al mijn sores kon ik bij Geert en Corrie kwijt.’ Remco Campert vertelt: 'De enige keer dat ik Geert heb zien huilen was de dag nadat in 1974 Jan Arends uit het raam was gesprongen. Geert was bij iedereen erg betrokken, vooral met de brekebenen onder ons. Misschien was hij zelf wel een brekebeen.’
BEHALVE IN DE uitgeverij was de onvermoeibare Lubberhuizen ook actief in de Uitgeversbond, talloze culturele stichtingen en de organisatie van Poetry International. Het programma Poetry in the Park als onderdeel van het festival had hij bedacht. Na zijn pensionering ging de uitgever met (zijn vierde) echtgenote Corrie in Ierland wonen. Daar begon hij met zijn vrouw opnieuw een uitgeverij, Cornamona Pers, in bibliofiele boeken. In 1983 werd bij hem een hersentumor geconstateerd, waaraan hij in juli 1984 overleed.
Wennekes besluit met de begrafenis van Geert Lubberhuizen in Ierland, op 20 juli 1984. Over de voortgang van het bedrijf sinds die datum meldt hij niets. Dat is jammer, want zo saai zullen de tien jaar die sindsdien zijn verstreken niet zijn geweest.
Wat valt er over deze biografie nog meer te vertellen? Dat Wennekes exact heeft uitgezocht hoe het komt dat Mischa de Vreede in 1977 bij De Bezige Bij een sleutelroman mocht publiceren over haar verhouding met uitgever Lubberhuizen? Dat de auteurs in 1959 bijna besloten tot een steunfonds voor Remco Campert, omdat hij nooit geld had? De ruzies in het bestuur over Ik Jan Cremer? De ontstaansgeschiedenis van Pietepaf het circushondje, het legendarische eerste Gouden Boekje uit 1954?
Het is, dat moge duidelijk zijn, een kostelijk boek.