Helemaal niets

Pieter Hilhorst

«Wat doet deze ramp met u persoonlijk?,» vroeg de verslaggeefster aan de licht bezwete Klaas de Vries, enkele uren na de ontploffing in Enschede. Het liefst had ze er aan toegevoegd «als mens». «Wat doet deze ramp met u persoonlijk als mens?» Het is een vraag waarvoor zelfs sportverslaggevers zich tegenwoordig schamen. De minister van Binnenlandse Zaken gaf dan ook het enige juiste antwoord: «Helemaal niets». Maar uit het draaien van zijn hoofd bleek helaas dat hij reageerde op een andere vraag van een andere verslaggever die voor de televisiekijker onverstaanbaar bleef.
Dat slachtoffers erkenning willen voor hun lijden, is begrijpelijk. Dat journalisten eisen van de politiek verantwoordelijken dat ze uitzoeken hoe dit mogelijk was, is volkomen terecht. Maar waarom willen we zo graag dat onze gezagsdragers ook persoonlijk zijn aangedaan? Enkele maanden geleden meldde een rechter dat de onderhavige zaak over een zedendelict tegen een minderjarige hem vreselijk had aangegrepen. Hij was immers zelf ook een vader. Daarom had hij zijn taak extra zorgvuldig ter hand genomen. Dat klinkt sympathiek, maar betekent het dat hij bij zaken waarmee hij geen verwantschap voelt er maar een slag naar slaat? Een rechter draagt een toga om uit te drukken dat hij daar niet zit als individu met zijn eigen geschiedenis, met zijn eigen voor- en afkeuren, maar als belichaming van het onpersoonlijke recht. Voor politici geldt hetzelfde. Is Hanja Maij-Weggen een betere politica omdat zij tijdens de parlementaire enquête, jaren na de ramp met het El Al-vliegtuig, nog tranen plengde over de Bijlmer? Er valt net zoveel voor te zeggen dat een politicus die door emoties wordt overmand, de heldere blik ontbeert om de juiste afwegingen te maken.
De Amerikaanse socioloog Richard Sennett heeft twintig jaar geleden al gefulmineerd tegen het oprukken van normen uit de privé-sfeer in de politiek. Van een vriend verwachten we dat hij medeleven toont als wij rouwen. Van een politicus verwachten we meer dan een sympathiebetuiging. We willen dat hij onderzoekt wat er is gebeurd en maatregelen neemt om de ellende van de nasleep te verzachten. Het probleem is alleen dat we het geduld niet hebben om af te wachten of de genomen maatregelen deugen. Om toch een onmiddellijk oordeel te kunnen vellen, verlaten we ons maar op zijn intenties. We willen zien dat de ellende hem niet onverschillig laat. Dat lijkt logisch. De nasleep van de Bijlmer heeft immers laten zien dat slachtoffers zich door de autoriteiten danig geschoffeerd kunnen voelen. Het is echter een fout om te denken dat dit te wijten is aan onverschilligheid van de gezagsdragers. De bewoners van de Bijlmer werden eerder het slachtoffer van bureaucratische onverschilligheid, waarbij geen rekening werd gehouden met alles wat niet past in de professionele logica en de ambtelijke regels. Tranen van een bewindsman of slapeloze nachten van een burgemeester geven geen enkele garantie dat die bureaucratische onverschilligheid effectief wordt bestreden.
Mij was het daarom liever geweest als Klaas de Vries de naar human interest hengelende journaliste recht in het gezicht had geantwoord: «De ramp doet me helemaal niets en als het me wel wat deed zou ik het voor me houden. Mijn emoties zouden u maar in slaap sussen want de tranen van een politicus zijn droog, lang voor het leed is geleden. »