Pieter Muysken, 11 april 1950 – 6 april 2021

De wereld was zijn werkterrein, en als we taal willen begrijpen moeten we inzien dat mensen niet leven met één taal, vond hij, maar met verschillende. En net als mensen staan talen met elkaar in contact.

Boven de grond kun je denken dat talen telbaar zijn als kiezelstenen: wij spreken Nederlands, jullie spreken Berber, ik spreek twee talen, jij spreekt er maar één. Maar als ergens een mijngroeve geopend wordt, stromen overal vandaan mensen toe, op zoek naar mineralen, werk, geluk. Tijd om elkaars talen in de finesses te leren is er niet, maar gecommuniceerd moet er worden. Zo ontstaan er voortdurend nieuwe taalvormen, mengtalen met wat woorden van hier en grammaticale constructies van daar. Taal blijkt dan een geologische laag – alles loopt in alles over.

De mijnen bepaalden hoe de taalwetenschapper Pieter Muysken naar taal keek. Hij werd geboren in de Boliviaanse mijnwerkersstad Oruro waar zijn Nederlandse vader als ingenieur werkte. Het gezin verhuisde later naar Zuid-Limburg, opnieuw dicht in de buurt van mijnschachten. Hij schreef later over de taal in beide streken van zijn jeugd, maar ook als hij nadacht over talen elders – in Zuid-Afrika, in Amsterdam-Oost of op Curaçao – waren de mijnen nooit ver weg.

Contact en variatie waren voor Muysken sleutelbegrippen om de taal te begrijpen. De natuurlijke staat van de mens was niet om te leven met één taal, maar met een hele zwik talen. In grote delen van de wereld functioneren allerlei talen naast elkaar en door elkaar heen. Daarmee droeg Muysken ook een mensbeeld uit. Mensen zijn net als talen allemaal anders en allemaal direct of indirect met elkaar in contact.

Na een jeugd in Brunssum en een bachelor Latin American Studies aan Yale kwam Muysken in de vroege jaren zeventig terecht bij algemene taalwetenschap aan de Universiteit van Amsterdam. Een opwindende tijd. Onder taalkundigen werd de hoofdstedelijke sfeer van opstandigheid en vrijgevochtenheid verbonden met revoluties in het vak, aangewakkerd door de Amerikaan Noam Chomsky, die tegen de oorlog in Vietnam was én een nieuwe taalkunde voorstond. Het stof werd van het vak geblazen, eindelijk zou men de taalkunde wetenschappelijk bedrijven.

Muysken liep er volgens zijn generatiegenoten rond met lange haren, uitstaande oren, een grijns die hem zijn leven lang zou begeleiden en een tuinbroek. Hij trok al snel zijn eigen plan. Chomsky had even weinig oog voor het voortdurende contact tussen talen als zijn tegenstanders en ging juist uit van het idee van één afgebakende taal per individu. Muysken schreef een scriptie over de taalvermenging op de plantages van slavenhouders waaruit bijvoorbeeld het Sranan en het Papiamento zijn ontstaan (creolisatie), en later een proefschrift over de structuur van het Quechua, een taal die onder andere in Ecuador en Bolivia wordt gesproken en die hij als kind had geleerd. Hij schreef ook een beroemd geworden artikel over al weer een mengtaal, Media Lengua, met Quechua-woorden en de grammatica van het Spaans.

Muysken was opgetogen toen Amsterdam zich vulde met Surinamers

Al snel bleek de wereld zijn werkterrein. Zo leerde hij verschillende regio’s in Afrika goed kennen: West-Afrika om er te onderzoeken welke plaats de talen daar hadden gehad in de specifieke mix van de talen van Suriname; Zuid-Afrika, waar hij sinds 2010 een bijzonder hoogleraarschap had. Taal is overal waar mensen zijn en met mensen kon Pieter Muysken ook meestal goed overweg, al was het maar vanwege zijn opgeruimde karakter. Voor de taalwetenschap die hij voorstond moest je ook goed met mensen kunnen omgaan, want veel van die mengtalen worden nooit opgeschreven.

Hij werd er door de wetenschappelijke wereld om gewaardeerd. De knaw noemde hem ‘de invloedrijkste taalkundige van Nederland’, hij was hoogleraar in achtereenvolgens Amsterdam, Leiden en Nijmegen en lid van tal van geleerde genootschappen. Hij kreeg zo’n beetje elk eerbewijs en elke subsidie die een Nederlandse onderzoeker krijgen kan.

Ook aan Nederland en het Nederlands interesseerde hem vooral het kosmopolitische, het contact met andere talen. Medestudenten vertellen hoe opgetogen hij was toen Amsterdam zich in de vroege jaren zeventig vulde met Surinamers. Aan het begin van deze eeuw voerde hij een project uit over de manier waarop jonge Marokkanen in Amsterdam en Utrecht het Nederlands naar eigen hand zetten. Een paar jaar geleden vertaalde hij nog gedichten van de Curaçaose dichteres Hilda de Windt Ayoubi uit het Papiaments in het Nederlands. Na zijn emeritaat aan de Radboud Universiteit in 2017 zette hij in zijn woonplaats Weesp een ‘taalcafé’ op om nieuwkomers wegwijs te maken in het Nederlands.

Met veel van zijn promovendi bleef hij een band houden en veel collega’s waren op hem gesteld. Als hij een grote subsidie kreeg, reserveerde hij ook bedragen voor taalkundigen die omhoog zaten – een postdoc die wat tijd te overbruggen had, iemand die nog een boek uitgegeven wilde krijgen. Als je hem iets kunt verwijten is het misschien dat hij met al zijn respect voor diversiteit zijn middelen soms iets te zeer versnipperde. Een knaw-rapport over de Talen van Nederland dat onder zijn voorzitterschap geschreven moest worden werd in 2019 almaar dikker: telkens als iemand zei dat een bepaalde taal óók aan de orde moest komen, kwam er een nieuwe paragraaf, tot uiteindelijk een lid van de commissie zich gedwongen zag het snoeimes ter hand te nemen.

Muysken was van plan om naar Ecuador terug te gaan en zijn proefschrift van veertig jaar geleden over te doen: wat was er veranderd aan de taalsituatie? Aan zijn eigen inzichten? Begin dit jaar werd hij ineens ziek en binnen een paar maanden kwam er een einde aan een stroom inzichten en publicaties over taal, een onhandige danser en een jongensachtige grijns.