Pijen aan de waslijn

Het nieuwe boek van wetenschapper Paul van der Velde over het boeddhisme is in vele opzichten een standaardwerk. Hoe vreedzaam zijn de monniken nu werkelijk en hoe compassievol waren de vorige dalai lama’s?

Voorbereidingen voor het feest Vesak waarbij de geboorte, verlichting en het overlijden van Boeddha worden herdacht, Ipoh, Maleisië © Mohd Samsul Mohd Said / Getty

Het moest ervan komen. Na twee meer specifieke teksten heeft Paul van der Velde met In de huid van de Boeddha een algemeen overzichtswerk over het boeddhisme geschreven. In De oude Boeddha in een nieuwe wereld behandelde hij vooral het westerse boeddhisme. In De huid van de goden ging het over de hindoeïstische en boeddhistische kunst in Azië en de vele religieuze praktijken en verhalen die hiermee verbonden zijn. Nu hebben we dus een brede inleiding, waarvan ik verwacht dat het een standaardwerk kan worden. Dat we daarvoor misschien een snelle tweede druk moeten afwachten, zeg ik er eerlijkheidshalve maar meteen bij.

Maar eerst mijn lof en aanprijzing. Daar zijn veel goede redenen voor. Die liggen vooral in de manier waarop de Nijmeegse hoogleraar hindoeïsme en boeddhisme wetenschappelijke en persoonlijke betrokkenheid weet te combineren. De wetenschappelijkheid toont zich in de bijna vanzelfsprekende greep op de stof. De vele overleveringen over het leven van de Boeddha zijn hierbij het uitgangspunt. De verschillende scholen en de verbreiding van het boeddhisme in Azië zijn het logische vervolg en het moderne westerse boeddhisme is het voorlopige eindpunt. Deze historische lijn maakt meteen goed duidelijk dat het boeddhisme net als christendom en islam, maar in tegenstelling tot bijvoorbeeld het hindoeïsme, een zendingsreligie is. Het weet zich steeds op bewonderingswaardige wijze aan te passen aan de vele culturen en bevolkingen waar het mee in contact kwam. Het zenboeddhisme in China en Japan is hier een mooi voorbeeld van. Interessant is vervolgens hoe dit met name via de filosoof Suzuki in het Westen belandde.

De persoonlijke betrokkenheid van de auteur met zijn onderwerp manifesteert zich gelukkig min of meer terloops in vooral korte anekdotes. Zo beschrijft hij zonder al te veel normatief commentaar zijn deelname aan het ritueel ‘Voed je demonen’. Oorspronkelijk was dit schrikwekkende ritueel bedoeld om via de aanbieding van het lichaam aan gruwelijke goden of verschijningsvormen Boeddha’s macht over een godheid af te dwingen. De verhalen erachter over asceten die op één teen in koud water staan of die letterlijk delen van hun lichaam offeren, zijn schitterend. Maar wat moet je daarmee op een warme zomerdag in een Utrechtse werfkelder als deelnemer aan een meditatiegroep? Van der Velde visualiseert in zijn oefening eerst Hernia als de godin van de lagere rugklachten. Ze neemt al gauw de gestalte aan van de angstaanjagende god Mahakala. Nuchter beschrijft hij het proces. ‘De oefening komt tot een einde en de hernia is even niet te voelen. Even althans.’

Op dezelfde nuchtere manier schrijft hij over de toeristenreizen naar Azië, die hij soms begeleidt. Vaak zijn de deelnemers teleurgesteld over het gebrek aan meditatie bij de boeddhisten die zij ontmoeten. Daar draait het immers volgens hen om bij de navolging van de Boeddha. Neen dus, laat Van der Velde met veel historische voorbeelden zien.

De Boeddha zou ‘de eerste feminist, milieu-deskundige, socialist, enz.’ zijn geweest? 'Wishful thinking', volgens Van der Velde

Hier ligt een tweede reden waarom In de huid van de Boeddha zo’n overtuigend overzichtswerk is. Na de dood van de Boeddha zijn er onder zijn volgelingen al snel allerlei scholen en richtingen ontstaan, die stuk voor stuk beweerden de ‘echte’ leer van de Boeddha te belijden. Die claim werd dus later ook door westerse boeddhisten herhaald. Van der Velde moet niets hebben van dit soort ‘echtheids’-claims. Het blijkt vanwege de veelheid van overleveringen onmogelijk om terug te vallen op zoiets als ‘de leer van de Boeddha’. Daarnaast acht hij het als wetenschappelijke buitenstaander niet gewenst om een religie normatief te beoordelen. In plaats van naar zoiets als een oorspronkelijke kern of een essentie te zoeken, kun je beter kijken naar wat de aanhangers ervan concreet doen. En dat blijkt binnen het boeddhisme, net als bij het christendom en de islam, heel verschillend te zijn. De wetenschapper heeft geen enkele reden om de ene praktijk als beter of echter dan een andere te beoordelen.

Over het boeddhisme wordt, vaker dan over het christendom of de islam, beweerd dat het een vreedzame religie zou zijn. Latere gewelddadige ontwikkelingen zouden de vreedzame oorsprong hebben aangetast. Wie dit graag gelooft, moet het hoofdstuk over ‘Boeddhistisch geweld’ maar eens tot zich nemen. Het boeddhisme wordt allereerst gekenmerkt door een uiterst gewelddadige symboliek. Stap een boeddhistische tempel in Azië binnen en geweld is overal. Bovendien worden de tempelpoorten in Tibet, China, Japan en Korea door enorme gewelddadige poortwachters bewaakt. Daarnaast zijn afbeeldingen van de verschrikkingen in de hel in boeddhistische tempels minstens zoveel aanwezig als in middeleeuwse kerken. In de omgeving van de Boeddha zelf heerste vervolgens ook veel geweld, waaraan hij zich niet altijd kon onttrekken. De geschiedenis na zijn dood zit vol van oorlogen om relieken, zoals de tand van de Boeddha. Deze en andere herinneringen aan de Boeddha werden in stoepa’s bijgezet, maar leidden vervolgens tot veldtochten waarbij de stoepa werd opengebroken om de kostbare reliek die erin zat te bemachtigen. Als we de grote stap naar het heden maken, zien we in Myanmar hoe boeddhistische monniken actief betrokken zijn bij wat als ‘genocide’ tegen de islamitische Rohingya wordt omschreven.

In het verlengde van de claim van vreedzaamheid ligt de westerse idee dat, zoals Van der Velde schrijft, ‘de Boeddha de eerste feminist, milieudeskundige, socialist, enz.’ zou zijn geweest. Ook zou hij in het India van de kastenongelijkheid de gelijkheid van alle mensen hebben gepredikt. Dit acht Van der Velde zonder meer onjuist ‘wishful thinking’. In elk geval laat de Aziatische traditie van het boeddhisme hier niets van zien. De Boeddha was er aanvankelijk tegen dat vrouwen tot de sangha, de gewijde gemeenschap van volgelingen, werden toegelaten. Toen hij ten slotte toestond dat vrouwen tot non konden worden gewijd, kregen ze veel extra regels opgelegd en werden ze onderworpen aan de monniken. Nog steeds is het Aziatisch boeddhisme masculien en vrouwonvriendelijk. Een leuk voorbeeld: in Thailand mogen vrouwen niet onder de pijen van monniken door lopen als die aan de waslijn hangen. Dat tast de ascetische kracht van de monniken aan. Vanzelfsprekend aanvaardt Van der Velde de gelijkwaardigheid van mannen en vrouwen in de westerse sangha wel als een voorbeeld van aanpassing aan onze moderne cultuur.

Wat moeten we na de ontmaskering van de boeddhistische vreedzaamheid met de Tibetaanse dalai lama, die uitsluitend compassie predikt? Van der Velde wijdt een heel hoofdstuk aan het instituut van de dalai lama. Die werd in Tibet vanaf de veertiende eeuw gezien als de incarnatie van een bodhisattva, iemand die de verlichting heeft bereikt maar de overgang naar het nirwana uitstelt om op aarde zijn medemensen te ondersteunen. De huidige dalai lama is de veertiende in de opvolgingsreeks. Dat hij uiterst vreedzaam opereert, onderkent Van der Velde, maar hij acht dit vooral een voorbeeld van upaya, van de boeddhistische vaardigheid om zich aan culturen aan te passen. Tegenover het grote en machtige China lijkt gewelddadig verzet tegenwoordig immers niet aanbevolen. Voorgangers van de huidige dalai lama blijken echter grote vechtersbazen te zijn geweest. Dat paste goed in hun tijd van oorlogen tussen kleine vorstendommen.

Een laatste reden om Van der Velde’s In de huid van de Boeddha te lezen wordt fraai uitgedrukt in een aanbeveling van Adriaan van Dis: ‘Gul geleerde die zijn immense kennis van het boeddhisme aanstekelijk kan overbrengen.’ Beter zou ik het niet kunnen formuleren. Van der Velde geniet er zichtbaar van om enthousiaste verhalen te vertellen en – dat moet ik er uitdrukkelijk aan toevoegen – afbeeldingen van boeddha’s en goden te tonen en te beschrijven. De god Mahakala die bij hem tijdens zijn visualisatie verscheen, ziet er inderdaad schrikwekkend uit.

Genoeg redenen om In de huid van de Boeddha als een standaardwerk voor de toekomst te beschouwen. Waarom hield ik dan in het begin van mijn bespreking een slag om de arm? Van der Velde demonstreert zijn gulheid door met namen en termen uit het boeddhisme – ik gebruikte er hierboven al enkele – te strooien die hij, zeker als ze eerder gebruikt zijn, niet meer definieert. Zelf maakte ik daarom een klein namen- en zakenregister om terug te kunnen bladeren. Wat zou het fantastisch zijn als de uitgever als voorbereiding op de tweede druk, die er ongetwijfeld snel komt, hier vast een begin mee zou maken.