Pijn

Ik rij op mijn fiets en denk opeens aan iets van Shakespeare dat mijn vader altijd citeerde: ‘Woe, destruction, ruin and decay/ The worst is death, and death will have his day.’

Waarom denk ik aan deze zin? Ik weet het niet, het moet met mijn vader te maken hebben, maar dan nog?

Ik rij verder en het ergert me opeens dat ik niet weet waar dit citaat vandaan komt.

En citeer ik het wel juist? (Lange tijd heb ik stoer gedaan met een citaat van Shakespeare dat, nadat ik het eens had ingetikt op Google, helemaal niet van Shakespeare bleek te zijn.)

Ik passeer een café en stap van mijn fiets af! Ik moet weten waar dit citaat vandaan komt en in een café kan ik in mijn eigen tempo dit op mijn mobiele telefoon opzoeken.

Ik doe dat en zie na tien minuten dat het uit Richard II komt. Akte 3, scène 2, regel 102.

Vertederd kijk ik naar mijn mobiele telefoon die steeds vaker mijn hersens moet helpen.

Hij kan alleen geen antwoord geven op de vraag waarom dat citaat in mijn hersens sprong.

Dat ‘woe’ (wee, pijn) zou het geweest kunnen zijn. Ik vind dat een opvallend mooi woord. Jammerklacht betekent het ook wel. Tegenwoordig heet alles maar ‘gezeur’. Jammeren wordt niet meer gebruikt. Een jammerklacht wordt niet meer gehoord. De rest van Shakespeare’s zin bevalt me ook: destruction, ruin and decay. Alle woorden zijn op mij van toepassing. Het niet terugvorderbare verval giert door mijn angstig lichaam. ‘Wee je gebeente.’

Ik bestel nog een koffie. Mijn gedachten gaan terug naar mijn zeventiende jaar toen ik, door een goede lerares Frans en slimme schoolvriendjes, in de ban raakte van Baudelaire. (We hadden gehoord dat Baudelaire dichtte over zieke meisjes, en om de een of andere, niet meer achterhaalbare, reden vonden we dat machtig interessant.)

Bij jeugdige romantiek hoort misschien het verval, maar bij ouderdom ben jij het verval.

Een kenmerk daarvan is wellicht dat de angst voor de dood vermindert, en van de weeromstuit de angst om te leven. Ik voel me de laatste tijd altijd ziek, eigenlijk. Dan heb ik weer hoofdpijn, dan weer pijn in mijn been, dan weer mijn knie, dan weer mijn arm. Laatst tilde ik mijn kleinzoon op en meteen kon ik daarna mijn arm niet meer recht strekken. Je seksualiteit neemt ook af, al betwijfel ik of dat komt door de afname van testosteron; je wéét eenvoudigweg dat je minder te bieden hebt. Je ziet de lekkere meiden wel, maar je bent een oude aap naar wie de zure appels worden gegooid als je niet oppast.

Mijn ouders zijn al lang dood, maar ik had me niet gerealiseerd dat er nog steeds vrienden van mijn ouders in leven waren. Onlangs stierf de laatste – zo iemand van wie ik had vermoed dat die al lang was gestorven. 96 jaar geworden. Ik zie hem nog helder voor me en vond hem altijd een oude man. Niet zo gek, hij was 36 toen ik ter wereld kwam. Ik herinner me hem uit mijn pubertijd, hij was toen ongeveer net zo oud als ik nu ben!

Ik pak een krant die in het café ligt, en schrik opeens: het is de verjaardag van mijn vader!

Dit kan niet waar zijn!

Ik ga na: heb ik gisteren of eergisteren misschien gedacht: morgen of overmorgen is de verjaardag van mijn vader? Nee. Is het dan toeval? Vermoedelijk wel.

Ik reken af en stap weer op mijn fiets. Zelfs denk ik nog even: ‘Oeps, ik heb geen cadeautje voor hem’, maar dat was een flits, meer niet.

Thuis heb ik hoofdpijn en pijn in mijn rug.

De troost die men zegt die poëzie kan bieden, moet wel ondersteund worden met ibuprofen.