Popmuziek: Parkway Drive & Architects

Pijn als fundament

Parkway Drive © Kane Hibberd

Wat fascinerend is aan de muziek van Architects en Parkway Drive: die is keihard, werkelijk snoeihard, zal nooit op welke mainstream radiozender dan ook te beluisteren vallen, en klinkt toch vooral heel gelíkt.

Ook fascinerend: muziek met als belangrijkste kenmerk een extreem verschil in dynamiek, muziek die letterlijk van het ene moment op het andere totaal kan omslaan in gemoed, die iets ronduit schizofreens in haar diepste wezen draagt, en dus op papier haar gevaar vooral ontleent aan een grote mate van onberekenbaarheid, en die toch volkomen voorspelbaar is – omdat zelfs onvoorspelbaarheid kan uitgroeien tot een formule.

Beide bands spelen de komende weken in de AFAS Live. Twee bands, grootmeesters in hun genre, opgeklommen op de schouders van bands die het nooit tot zulke zalen hebben geschopt. Bastaardkinderen die hun ouders zijn ontstegen, met een vleugje vadermoord.

Hardcore, het hardere broertje van punk, kreeg in de jaren negentig gezelschap van twee subgenres. Metalcore mixte het tempo en de agressie van hardcore met de techniek en de zware logheid van metal, in emocore werd de agressie afgewisseld met slepende, vaak tragere emotioneel geladen passages, waarin ook de zang totaal anders was: het woeste gebrul vloeide opeens over in melodieuze, cleane zanglijnen. Op zulke momenten klonken soms zelfs keyboards, een in de hardcore volstrekt ondenkbaar instrument, achtergelaten op de vuilnisbelt van de jaren tachtig.

De subgenres ontstegen, zeker in de laatste jaren, verrassend genoeg de moedergenres, en emocore liep grotendeels over in metalcore. Waar vrijwel alle hardcorebands maximaal in clubs van Melkweg-grootte spelen en speelden, en die kleinschaligheid ook altijd hebben gecultiveerd als een afkeer van commercie en een bewijs van het undergroundkarakter van het genre zijn sommige metalcorebands dus doorgestoomd naar de grotere zalen. Architects en Bring Me The Horizon uit Groot-Brittannië en Parkway Drive uit Australië (de invloedrijkste hardcorebands kwamen altijd uit de Verenigde Staten, ook die dominantie is voorbij) hebben ook een shów die bij die status past: hier rammelt niets meer, hier knalt vuurwerk, dwarrelt confetti en schemert soms zelfs choreografie door. Hier is ambitie geen vies woord en ‘credible of niet’ een discussie uit een verre achterhoede. Ook opvallend, en een groot verschil met de eerste generatie metalcorebands als Hatebreed en Killswitch Engage: het veel grotere aantal vrouwelijke fans.

Onveranderd is de rol van dit genre als uitlaatklep voor elke variant van Die Leiden des jungen Werthers. Op hiphop na zal geen genre door de, ook hier vaak jonge, fans zo direct, haast fysiek, als uitlaatklep worden ervaren als metalcore. Pijn is het fundament van metalcore.

Op het laatste album van Architects, Holy Hell, is die pijn zeer herleidbaar. De bandleden verloren na hun vorige album hun gitarist Tom Searle, en veel nummers op Holy Hell zijn een vorm van rouwverwerking. Hoe tot in de puntjes geproduceerd het bandgeluid ook is, er zijn momenten waarop de zinnen van zanger Sam Carter daar dwars doorheen weten te scheuren: ‘I see no silver linings/ When the days are so dark.’


Architects, Holy Hell. Architects speelt op 12 januari in AFAS Live, en Parkway Drive op 6 februari