Pijn is de diepste gouddelver

Sovjetsoldaten die de Reichstag bestormden poseren bij het puin, Berlijn, 8 mei 1945 © A Kapustyanski / HH

Niet veel schrijvers zullen het beheer van dat archief van menselijk sterven en lijden zo nadrukkelijk tot levenstaak hebben gemaakt als Walter Kempowski (1929-2007). Niettemin is er, voor zover mij bekend, nooit eerder iets van hem in het Nederlands vertaald; opmerkelijk, hij behoort tot de grote literaire chroniqueurs van het naoorlogse Duitsland.

Enkele biografische data zijn daarom onontbeerlijk. Kempowski werd als zoon van een reder geboren in Rostock. Februari 1945, vijftien jaar oud, moest hij als koerier voor de luchtmacht in dienst. Na de oorlog klopte hij vergeefs aan bij uitgeverij Rowohlt in Hamburg. Bij gebrek aan alternatieven zocht hij eind 1947 een baantje in een levensmiddelenmagazijn van het Amerikaanse leger in Wiesbaden. Een paar maanden later werd hij met zijn oudere broer door sovjet-agenten gearresteerd en door een militair tribunaal tot 25 jaar dwangarbeid veroordeeld, officieel wegens spionage, maar in feite, als ‘tegenstander van het regime’, om zijn engagement met een liberale politieke partij. Acht jaar zat hij in de beruchte Bautzen-gevangenis, in 1956 kwam hij vervroegd vrij en verhuisde naar West-Duitsland.

De gevangeniservaringen hebben zijn leven beslissend beïnvloed. Op de binnenplaats hoorde hij telkens een ‘Babylonisch koor’ van klagende, woedende stemmen die nooit door iemand zouden worden waargenomen, laat staan ontsleuteld; hij voelde zich de enige toehoorder. In 1969 publiceerde hij daarover de collageroman Im Block: Ein Haftbericht, het begin van een stroom autobiografische romans onder de verzameltitel Deutsche Chronik. Begin jaren tachtig begon hij onder het motto ‘redden wat er te redden valt’ met het aanleggen van een verzameling documenten van ‘gewone’, vooral onbekende mensen en richtte het Archief van ongepubliceerde autobiografieën op; via een advertentie in Die Zeit stroomden de dagboeken, brieven, foto’s, folders, geluidsbanden, teksten van lezingen en radiotoespraken binnen. Dat was het begin van Das Echolot: Ein kollektives Tagebuch, een uiteindelijk kolossale, tiendelige verzameling teksten en foto’s, waarvan de eerste vier delen, meer dan drieduizend pagina’s, in 1993 werden gepubliceerd.

Ik herinner me de opgewonden discussies in de Duitse media; dit waren de meest intieme zielenroerselen van mensen midden in een ‘totale oorlog’, die bij mij, niet anders dan bij Kempowski, ‘de meest uiteenlopende gevoelens’ opriepen, ‘begrip en verachting, afschuw en rouw’. Maar bij de auteur overheerste uiteindelijk een gevoel ‘dat met het woord “liefde” maar ontoereikend wordt aangeduid’ – het geduldig luisteren naar dat ‘grote koor’ uiteenlopende stemmen ‘kan het mogelijk maken dat we eindelijk in het reine komen met elkaar’.

Ik had zelden iets over de oorlog gelezen dat me zo had aangegrepen

Het eerste boek begint op vrijdag 1 januari 1943 en eindigt op zondag 17 januari van dat jaar. De teksten zijn chronologisch geordend, zonder inmenging in de vorm van interpretatie of commentaar van de auteur. Boven elke tekst staat alleen de naam van de betreffende schrijver, diens geboorte- en overlijdensdatum plus woon- of verblijfplaats; achter in deel vier stond nog een personenregister en een bronnenverwijzing. Het collectieve dagboek, zo bleek, bevatte niet alleen de stemmen van onbekenden, maar ook van politici, schrijvers, journalisten, kunstenaars.

Het begint met de nieuwjaarswensen van ‘Hitler, Adolf 1889-1945’, uit het ‘Führerhauptquartier’: ‘Als God ons de kracht heeft gegeven de winter van 1941 op 1942 te doorstaan, zullen we deze winter en het komende jaar zeker ook overleven’ – let wel, hij spreekt vooral de ‘heldhaftige’ troepen toe die in Stalingrad toen al een beslissende nederlaag hadden geleden. Dan volgen, onder veel meer, Max Beckmann, Joseph Goebbels (‘de meest radicale en totale oorlog is de kortste, en hij brengt de meest beslissende overwinning’), Thomas Mann (die in de VS in zijn dagboek noteert hoe hij na de koffie en een wandelingetje aan ‘het begrafenishoofdstuk’ heeft gewerkt), Ernst Jünger (die zich voorneemt ‘matig te leven’ en altijd ‘oog te hebben voor de ongelukkigen’), Anaïs Nin, Henry Miller (brief aan Anaïs Nin), Hans Fallada, Theodor Morell (Hitlers lijfarts), Sophie en Hans Scholl, Erwin Rommel, Bertolt Brecht, en vooral, naar het oorspronkelijke idee, vele, vele onbekenden.

Daaronder verbijsterende verslagen uit het getto in Lodz en het commentaar van een Duitse jood op de kersttoespraak van de paus, die de gelovigen vrede op aarde wenste, maar ‘het afslachten van honderdduizenden joden in Europa door christenen (…) niet vermeldenswaard vond’. Maar ook hopeloze brieven van soldaten aan het front, Duitse en Russische, in hun verlorenheid vaak onderling verwisselbaar. Dagenlang ondergedoken in dit helse archief begreep ik waarom Kempowski geen behoefte had gevoeld om al deze teksten van commentaar, laat staan van een beoordelend commentaar te voorzien.

Maar niets begreep ik van de kritische geluiden in de Duitse pers, waarin men zich afvroeg of zulke tekstverzamelingen wel iets met literatuur te maken hadden. De een had het, denigrerend, over een ‘monomane verzameldrift’, de ander – Marcel Reich-Ranicki, de immer subtiel formulerende voorzitter van het indertijd befaamde Literarische Quartett – vond het ergerlijke rommel, wat moest hij ermee, hij las geen telefoonboeken. Of het om literatuur ging, had ik me geen moment afgevraagd; wel wist ik dat ik zelden, zeker niet in traditionele fictie, iets over de Tweede Wereldoorlog had gelezen dat me zozeer had aangegrepen en aan het denken gezet.

En nu is er dan ook voor de Nederlandse lezer het afsluitende deel van Das Echolot, Zwanenzang 1945. De opzet is onveranderd. Ditmaal concentreert Kempowski zich op slechts vier dagen aan het eind van de oorlog, 20 april, 25 april, 30 april en 8/9 mei. Terwijl het Rode Leger oprukt naar Berlijn, ‘viert’ Hitler, gevangen in zijn ondergrondse bunker, zijn 56ste verjaardag – die wilde hij nog meemaken omdat zijn horoscoop voor die dag iets bijzonders had voorspeld. Maar de verjaardagsrede van Goebbels, aldus een verbindingsofficier, ‘straalde geen enkel vertrouwen meer uit. Het klonk als een zwanenzang toen de spreker tot slot trouw zwoer aan “onze Hitler”. Het gegeneerde zwijgen van de verzamelde menigte vluchtelingen en uiteengeslagen soldaten vormde de echo van deze toespraak.’ Tien dagen later, 30 april, zijn we via Hitlers kamerdienaar, lijfarts, architect, chauffeur, telefonist, hondengeleider en adjudant getuige van zijn en Eva Brauns zelfmoord; kort daarna van zijn lijkverbranding.

Aan het slot van zijn epiloog geeft Kempowski het woord aan een Russische soldaat, werkzaam bij de nieuwsdienst van het Rode Leger. Hij vertelt het krankzinnige verhaal van ‘soldaat Popov’, wiens hoofd ‘vol vreemde ideeën zat’. Hoe het met hem afliep zal ik niet verraden, maar wel dit: Popov hield een dagboek bij in ‘een dik, door hemzelf ingebonden schrift van zacht krantenpapier. (…) Ieder vrij moment zat hij met het stompje van zijn kopieerpotlood te schrijven.’ Aldus zet Kempowski via deze ‘vreemde’ geestverwant alsnog zijn handtekening onder dit verbijsterende mammoetproject.