Film

Pijn is iets moois

Film: ‹Spring, Summer, Winter, Fall… And Spring› van Kim Ki-duk (vanaf 21 maart)

Een boeiende stijlfiguur in de filmtaal is het verborgen houden van informatie die de sleutel tot het verhaal zou kunnen bevatten. Het mooiste voorbeeld komt uit Wong Kar Wai’s meesterstuk In the Mood for Love (2000) waarin de verliefde Tony Leung iets onhoorbaars fluistert in een gat in een muur bij de Angkor Wat in Cambodja. Op nogal dubieuze wijze «leent» Sofia Coppola deze scène voor haar Lost in Translation (2003), waarin Bill Murray iets fluistert in het oor van Scarlett Johansson. Een stapje verder gaat Kim Ki-duk in zijn nieuwste film Spring, Summer, Winter, Fall… And Spring. Tegen het einde introduceert hij een vrouw die zich verschuilt achter een doek om haar gezicht. De vraag wie de vrouw is, blijft onbeantwoord.

Suggestie en symboliek overheersen in deze film, net als in The Isle (2000), waarin Kim Ki-duk de pijn van begeerte uitbeeldt door gruwelseks met vishaakjes. In beide werken openbaart de regisseur de thematische inhoud door beeldspraak, in Spring hoofdzakelijk van boeddhis tische aard.

De transcendentale sfeer is vanaf het eerste beeld voelbaar als op het scherm een deur opengaat en daarachter een fabelachtig landschap verschijnt: groene bergen tot ver voorbij de wolken en een meer met een drijvend houten kloostertje waar een oude monnik woont, samen met zijn leerling, een jongen van een jaar of zes.

Het leven van de personages trekt voorbij met de seizoenen. Maar de serene setting is bedrieglijk: de personages belanden in een draaikolk van dramatische ontwikkelingen. Als de jongen een tiener is, arriveert een mooi meisje bij het klooster. Ze schijnt ziek te zijn, maar in werkelijkheid is ze haar seksualiteit aan het ontdekken. In een reeks prachtige verleidingsscènes wordt de jongen verliefd op haar. De oude monnik merkt de erotische ontlading. Wel, zegt de monnik, dan was dat (seks) voor jou het beste medicijn. Maar dat ze «gezond» is, betekent ook dat ze weg moet. Voor de jongen is dat het einde van de wereld; hij ontvlucht de vallei.

Jaren later, als de oude monnik dood is, keert een man terug naar het verlaten klooster. Op het bevroren meer ligt het huisje stil en onwerkelijk als in een sprookje. De nieuwe monnik maakt het weer bewoonbaar. Wie is hij? De verliefde tiener als man? Dan arriveert een vrouw met haar baby, zij met een doek om haar hoofd. Schuilt daarachter het meisje op wie hij ooit verliefd was?

Leven en dood, begeerte en vervulling en pijn en extase liggen in deze film dicht bij elkaar. Dat zijn ook de kernelementen van bovengenoemde werken, waarin de regisseur de kijker cruciale informatie onthoudt. De begeerte blijft onvervuld. En dat is het punt. Bij Wong Kar Wai, Sofia Coppola en Kim Ki-duk is pijn iets moois: je begeert wat je niet kunt hebben, of horen… of zien. En in die leegte openbaart zich het sublieme.