Het onderbuikgevoel van economen

Pijn is niet fijn

Economen wantrouwen politici en verlangen naar daadkracht; deze gevoelens delen ze met de populisten. Ze hebben ook gemeen dat hun wereldbeeld simpel, soms te simpel is.

Medium economen

DE PRESIDENT van De Nederlandsche Bank Nout Wellink spreekt van een gemiste kans bij de Europese top. Na banken zijn landen in de problemen gekomen. Griekenland heeft als eerste moeten aankloppen bij het Europese noodfonds, en Ierland als tweede, Portugal en Spanje kunnen nog volgen. Deze problemen worden geweten aan de slechte naleving van de Europese begrotingsregels. Strenger straffen zou voortaan moeten zorgen voor een betere naleving, maar Frankrijk en Duitsland hebben hierover geen overeenstemming bereikt. Dat is de gemiste kans volgens Wellink. Hij staat bepaald niet alleen in deze opvatting. Sylvester Eijffinger, hoogleraar in Tilburg, pleit voor volautomatische boetes en Mathijs Bouman, analist bij rtl-z, stelt het liefst politici onder curatele.
Het gevoel van law and order is gediend met straffen voor zondaars, het liefst streng en volautomatisch. Het is niet voor niets dat de pvv - in de overtreffende trap - ervoor heeft gepleit om de zondaars uit de euro te zetten. Het is een onderbuikgevoel en niet meer dan dat.
Lang niet alle problemen zijn toe te schrijven aan het overtreden van de Europese begrotingsregels. Zeker, Griekenland heeft de overheidsfinanciën uit de hand laten lopen en dat een tijd weten te verdoezelen. Maar Ierland kampt met de gevolgen van een uiterst riskant spel van lenen en beleggen door banken. Met garanties op de bankschulden heeft de overheid een te grote last op zich genomen. En Spanje worstelt met de gevolgen van een vergelijkbaar spel. Na het barsten van de zeepbel op de huizenmarkt blijken sommige projecten onverkoopbaar en daarmee onbewoonbaar. Een strikte naleving van de Europese begrotingregels zou geen zier hebben geholpen. Ierland en Spanje hadden in 2007, het jaar vóór de kredietcrisis, een overschot op de overheidsbegroting en een bescheiden overheidsschuld, en waren ver verwijderd van het maximale tekort van drie procent en de maximale schuld van zestig procent van het nationaal inkomen. Als er een kans gemist is, dan is dat door de toezichthouders op de financiële sector die de gevolgen van onverantwoorde speculatie niet goed ingeschat hebben.
Interessanter is om te bekijken welke lessen de goede voorbeelden bieden. Want het is niet zo dat alle politici onverantwoordelijk zijn en aan Europese begrotingsregels gebonden moeten worden. Niet voor niets heeft de financiële markt veel vertrouwen in Nederland, ondanks de opgave van 29 miljard die in de aanloop van de verkiezingen is becijferd. Dat heeft veel te maken met de budgettaire kaders en de daardoor sterke positie van de minister van Financiën in onderhandeling met collega’s van ‘spending departments’. En het heeft te maken met de onafhankelijke projecties en becijferingen door het Centraal Planbureau, die een politiek gekleurde inschatting van de situatie voor-komen. Het is dus een raadsel dat uitgerekend Nederlandse economen alleen pleiten voor Europese begrotingsregels en automatische naleving daarvan.

DE WENS van strenge regels komt voort uit een onderbuikgevoel over politici. Zij zouden zich laten leiden door volkse sentimenten en daarmee door kortzichtigheid die op termijn de economie schade kan toebrengen. De wens van volautomatische sancties past in een patroon. Economen als Arnoud Boot en Willem Buiter hebben gepleit voor een apart agentschap om de staatsdeelnemingen in banken te beheren, uit vrees dat politici onredelijke eisen aan banken stellen. Economen als Bas Jacobs en Coen Teulings hebben gewaarschuwd voor de deeltijd-WW, uit vrees dat noodlijdende bedrijven overeind gehouden worden. Economen als Sylvester Eijffinger hebben zich gekeerd tegen het opkopen van staatsobligaties door de Europese Centrale Bank, uit vrees dat het op termijn leidt tot hoge inflatie. Er is een voorkeur voor een beperking op het begrotingstekort, uit vrees dat er op termijn te weinig wordt gespaard om de gevolgen van vergrijzing op te vangen. Alleen, de vrees is vaak niet terecht: zo zijn er geen voorbeelden van onredelijke eisen aan banken, wordt de deeltijd-WW afgebouwd, is de verwachte inflatie laag en gaat het tekort omlaag. De vrees komt vooral voort uit een onderbuikgevoel: economen wantrouwen politici.
Het onderbuikgevoel van economen is niet alleen dat politici de makkelijkste oplossingen voor de korte termijn kiezen maar ook dat ze de lastige keuzes voor de lange termijn ontlopen. Het verwijt is in de regel dat de politici slechts op de winkel passen en pijnlijke maatregelen vermijden. Hopelijk met een knipoog is ooit het motto 'bloed is goed, pijn is fijn’ voorgesteld.
Toch is het verwijt van gebrek aan leiderschap niet doeltreffend. Opvallend is juist dat de politieke partijen, met uitzondering van de pvv en de sp, in hun verkiezingsprogramma’s voorstellen hebben gedaan om het tekort met 29 miljard of meer te verminderen. Veel van die voorstellen zijn bezuinigingen die pijnlijk te noemen zijn, zoals de verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd, beperking van hypotheekrenteaftrek, kortere WW-uitkeringen, versoepeling van het ontslagrecht of vermindering van studiebeurzen. Veel partijen hebben verscheidene van deze maatregelen in hun verkiezingsprogramma opgenomen, en d66 en GroenLinks hebben zelfs alle maatregelen omarmd. Dit past in de Nederlandse traditie om het huishoudboekje van de overheid op orde te houden. Nederland is geen Griekenland.

ECONOMEN wantrouwen politici en verlangen naar daadkracht; deze gevoelens delen ze met de populisten. Ze hebben ook gemeen dat hun wereldbeeld simpel, soms te simpel is. Hun inzichten, hoe waardevol ook, ontlenen economen aan een eenvoudig model waarin de samenleving niet méér is dan een losse verzameling van rationele individuen en waarin hervorming van de economie vooral een betere werking van markten is. Vergeten is de aandacht voor fairness door Adam Smith en animal spirits door John Maynard Keynes. Met uitzondering van de (sociaal-) liberalen kunnen en willen politici een dergelijke opvatting van mens en maatschappij niet huldigen. Abram de Swaan sprak in de Thomas More-lezing eind vorig jaar een tikje provocatief van een dwaalleer.
Het is in elk geval duidelijker dan ooit dat de werkelijkheid weerbarstiger is dan het model van economen. Paul Krugman, Nobelprijswinnaar voor de economie, durfde in september 2009 hardop en ook een tikje provocatief te vragen: 'How Did Economists Get It So Wrong?’ Het idee van efficiënte markten en rationele individuen heeft te veel economen het zicht op een financiële zeepbel ontnomen. Want alle bezweringen van Nout Wellink ten spijt is niet luid en duidelijk gewaarschuwd voor de instabiliteit van financiële markten en voor de gevolgen die die zou kunnen hebben.
Sinds het stuk van Paul Krugman zijn bovendien de gevolgen voor de arbeidsmarkt helderder geworden. De arbeidsmarkt is vaak gezien als hét verschil tussen het dynamische, flexibele Amerika en het trage, logge Europa. Hervormingen als versoepeling van het ontslagrecht zouden de arbeidsmarkt in Europa beter moeten laten werken. Door de kredietcrisis is het verschil echter niet verscherpt maar omgekeerd. In de Verenigde Staten is de werkloosheid grofweg verdubbeld, van zo'n vijf procent eind 2007 tot iets meer dan tien procent eind 2009. De oeso verwacht dat de werkloosheid aan het einde van dit jaar nog steeds boven de acht procent ligt, en uit de vrees dat het aantal langdurig werklozen zal stijgen en zij tot armoede zullen vervallen.
In de Europese landen heeft de crisis op de werkloosheid minder effect gehad. Dat geldt in het bijzonder voor Nederland. Ook hier is de verwachting geweest dat de werkloosheid zou verdubbelen, maar het Centraal Planbureau heeft die verwachting steeds moeten bijstellen. In Nederland is de werkloosheid tot 5,5 procent gestegen en daarna weer gaan dalen. De arbeidsmarkt is flexibeler gebleken dan eerder gedacht, ondanks de ontslagbescherming. Het probleem schuilt vooral in de verdeling van de klap: die is opgevangen door tijdelijke contracten en zzp'ers, en is voorbijgegaan aan werk-nemers in vaste dienst.

ONDERBUIKGEVOELENS vanuit een simpel wereldbeeld: dat hebben populisten en economen gemeen. Maar er is een cruciaal verschil. Terwijl de populisten zich afzetten tegen de arrogante elite en kiezen voor het volk keren de economen zich juist tegen naar het volk neigende politici. Men zou kunnen zeggen dat economen nog een tikkeltje arroganter zijn dan de politieke elite. Maar belangrijker is het verschil tussen het economische en het volkse wereldbeeld.
Er is een kloof tussen de inzichten van economen en de opvattingen van kiezers. Vanuit dit perspectief zijn economen wereldvreemd of eigenlijk volksvreemd. In Amerika heeft een enquête (in 1996) deze kloof goed in kaart gebracht: Amerikaanse kiezers wijten hogere olieprijzen aan de oliemaatschappijen en economen aan vraag en aanbod; uitbesteden door grote bedrijven zien kiezers als slecht en economen als goed; kiezers vrezen te veel immigranten en economen doen dat niet, et cetera. Algemeen zijn kiezers (veel) banger voor vernietiging van banen, voor vormen van internationalisering en voor de toekomst dan economen dat zijn. Deze uitkomsten zullen voor Nederland niet veel anders zijn. In de afgelopen jaren hebben de sp en de pvv winst geboekt. Dit zijn de partijen die sociaal-economische zekerheden proberen te bieden die volgens economen niet nodig of zelfs contraproductief zijn. Terwijl bij de sp de standpunten passen bij de opvattingen over mens en maatschappij heeft de pvv een electorale keuze voor sociaal-economisch conservatieve standpunten gemaakt. Geert Wilders heeft de angst onder het electoraat goed ingeschat.
Het is aan politici om de kloof tussen inzichten over het economisch beleid en de opvattingen van kiezers te overbruggen. Zij moeten hun achterban en kiezers tevreden houden of zien te overtuigen. Dat is nog geen makkelijke opgave: de kloof is niet te dichten met alleen een duidelijke uitleg. Hiervoor hebben economen te weinig begrip. Ze wijzen liever met de vinger naar politici die naar populisme neigen en geen daadkracht vertonen.
De afgelopen jaren heb ik als econoom en politicus de kloof gevoeld. Soms heb ik - na een langdurige discussie en uit lichte wanhoop - collega-economen geopperd om zelf een eigen partij te starten. Dat is taal die ze verstaan. De markt voor stemmen is competitief. De drempel tot toe- en uittreding is laag. Er zijn in de afgelopen jaren veel partijen bij gekomen. Bovendien zijn kiezers minder trouw aan een partij dan consumenten aan een merk van een auto of frisdrank. Een partij die pleit voor een reeks van pijnlijke maatregelen onder het motto 'pijn is fijn’ hoeft niet te rekenen op massale steun onder de bevolking. Hooguit een deel van de hoogopgeleiden, dat zichzelf prima weet te redden, zal zich misschien aangetrokken voelen. Dat wordt wel begrepen. Zo volksvreemd zijn economen ook weer niet.
Onderbuikgevoelens maskeren dat de kloof tussen inzichten van economen en opvattingen van burgers een belangrijk raadsel in het wereldbeeld van economen is. In het economische model maakt de burger als consument vanuit eigenbelang een rationele keuze tussen alternatieven. Maar voor de burger als kiezer is dat blijkbaar anders. Of burgers stemmen niet uit eigenbelang. Of burgers kiezen niet ratio-neel, omdat ze niet goed begrijpen wat hun eigenbelang is. In elk geval verlangen burgers van politici voorstellen die voor henzelf schadelijk zijn, volgens economische inzichten. Dat is voer voor economen.
Als u economen hoort klagen over politici, die te veel het oor laten hangen naar sentimenten en te weinig pijnlijke maatregelen durven te nemen, dan hoort u ze klagen over u of uw buurman.


Paul Tang is econoom. Hij werkte als ambtenaar bij Economische Zaken en het Centraal Planbureau en zat voor de PvdA in de Tweede Kamer van maart 2007 tot juni 2010