Profiel: Alice Walker

Pijn lijden om te groeien

Voor de Amerikaanse schrijfster en ‘womanist’ Alice Walker zijn kunst en activisme inherent verbonden. Beide zijn creatieve reacties op de pijn die voortkomt uit onrecht. De overleving van de zwarte vrouw in een ‘misogynoire’ wereld – dat is waar het om draait bij Walker.

Alice Walker in 1976, door Bernard Gotfryd. Gelatine zilverprint © National Portrait Gallery, Smithsonian Institution © The Bernard Gotfryd Revocable

Op de dag dat 250.000 Amerikanen bijna zestig jaar geleden bij het Lincoln Memorial luisterden naar de historische speech van Martin Luther King Jr. zat ergens in die zee van mensen Alice Walker op de tak van een boom. Ze was negentien. Dankzij een beurs was ze net begonnen met een studie letteren aan een prestigieus wit college in New York. Gezien haar afkomst uit een arme familie van het platteland in Georgia kon het contrast niet groter zijn. In het midden van de mensenmassa kon Walker niet veel zien, maar elk woord kon ze luid en duidelijk horen. ‘Go back to Mississippi, go back to Alabama, go back to South Carolina, go back to Georgia, go back to Louisiana (…) knowing that somehow this situation can and will be changed.’ Kings oproep aan Afro-Amerikanen om het Zuiden, waar Walker vandaan kwam, niet op te geven en weer als hun thuis op te eisen, liet een diepe indruk na. Walker sloot zich aan bij de burgerrechtenbeweging en verwerkte haar pijn door gedichten te schrijven.

Het is een patroon dat bepalend zou zijn voor haar levenswerk: de combinatie van schrijven en activisme als creatieve reactie op pijn. De rassensegregatie onder Jim Crow waarin ze opgroeide, de Zuid-Afrikaanse apartheid, vrouwelijke genitale verminking, Israëls mensenrechtenschendingen van de Palestijnen. Het is maar een greep uit de verschillende gevechten die Walker al vijftig jaar lang onvermoeid voert. Maar ze zal vooral de geschiedenisboeken in gaan als de vrouw die andere zwarte vrouwen vierde en centraal plaatste in haar werk.

Maar waarom schrijven zwarte vrouwen zo vaak over zwarte vrouwen? Het antwoord is simpel: omdat niemand anders dat doet, en zeker niet met de nodige aandacht voor de dubbele strijd die ze dagelijks voeren tegen racisme én seksisme. ‘Misogynoir’ – een intersectioneel begrip verwijzend naar de specifieke haat tegenover zwarte vrouwen – zorgt ervoor dat ze nergens echt veilig zijn: noch binnen hun eigen gemeenschappen, noch daarbuiten.

‘Ik ben bezig met de spirituele overleving van mijn mensen’, schrijft Walker me per mail. Wie Walker wil spreken heeft geduld nodig. Na enkele maanden heen-en-weer mailen via verschillende literaire agenten beantwoordt ze ‘met liefde’ mijn vragen. Hoe ze nu kijkt naar de anti-racismebeweging? ‘Witte mensen die hun racial privilege gebruikten, moeten dat nu achterwege laten. En zwarte mensen moeten leren om beter zorg te dragen voor hun fysieke en mentale gezondheid.’

In een wereld na #metoo en #blacklivesmatter is er meer dan ooit behoefte aan stemmen zoals die van Walker: compromisloos feministisch en antiracistisch. Walker wordt vaak in één adem genoemd met andere pioniers in de literatuur van zwarte feministen zoals Angela Davis, Audre Lorde en June Jordan. Via het genre van het essay leggen zij de vinger op de wonde als het gaat om maatschappelijke problemen rond etniciteit, klasse en gender. Hun poëzie is een ode aan hun zwart-en-vrouw-zijn. In Walkers proza krijgt het leed, maar ook de kracht van zwarte vrouwen een gezicht.

Een van die gezichten is Celie, het hoofdpersonage in Walkers bekendste roman The Color Purple (1982), die zich afspeelt in de jaren 1930 in Georgia. Met zes miljoen verkochte exemplaren, vertalingen in meer dan 25 talen, een succesvolle verfilming en een Broadway-musical werd de roman een wereldwijd succes. De literaire kritiek was unaniem lovend. Dit was een werk dat de Amerikaanse literatuur transformeerde. Walker had complexe zwarte vrouwelijke personages gecreëerd met een tot dan toe ongeziene psychologische diepgang. En dat alles in het Afro-Amerikaans Engels. De briefroman, waarin Celie eerst God en daarna haar zus Nettie schrijft over de traumatische vernederingen die ze ondergaat door de mannen in haar leven, werd bekroond met de National Book Award én de Pulitzer Prijs voor fictie – die toen voor het eerst naar een zwarte vrouw ging. Walker kreeg meteen een canonieke status.

‘Toen ik The Color Purple schreef, was ik niet bezig met hoe het door anderen ontvangen zou worden’, blikt Walker nu terug. ‘In 1983, kort na de publicatie, ging ik naar China en was ik verbaasd dat het daar al een underground bestseller was! Ik vroeg aan onze host: hoe is dit mogelijk? Ze antwoordde: “Maar Alice, het is een heel Chinees verhaal.”’ Het was alsof de wereld snakte naar verhalen van niet-witte vrouwen. En nog steeds. Veertig jaar later is The Color Purple aan de zoveelste heropleving bezig. In Nederland toerde in 2018 de eerste Nederlandstalige theaterproductie door het land en in 2020 werd de roman opnieuw in het Nederlands vertaald. Blitz Bazawule, regisseur van Beyoncé’s bekende visuele album Black Is King (2020), werkt momenteel met Warner Bros aan een remake van de musicaladaptatie, die in 2023 op het grote scherm te zien zal zijn. ‘Ik ben dankbaar voor het aandeel van mijn grootouders in de creatie van de roman’, vertelt Walker me. The Color Purple is losjes gebaseerd op het leven van grootouders en hun ouders die de Amerikaanse slavernij overleefden.

Alice Walker werd geboren in 1944 als achtste kind in een arme familie op het platteland in Eatonton, Georgia. Haar vader, Willie Lee Walker, was een deelpachter die voor twaalf maanden harde arbeid amper driehonderd dollar ontving. Haar moeder Minnieh Tallulah Grant Walker was een dienstmeid. Slavernij was in die periode dan wel officieel voorbij, de uitbuiting van Afro-Amerikanen in de Deep South nam simpelweg andere vormen aan. Met het Zuiden zou Walker altijd een haat-liefde-verhouding hebben. Het was haar thuis, maar ook haar hel. Het was in de heuvels en de velden van Georgia dat haar broer haar tijdens het spelen per ongeluk met een BB-gun in haar rechteroog schoot. Walkers oog werd permanent blind en haar zelfvertrouwen kreeg een flinke deuk. Doordat ze zich vaker terugtrok, kreeg haar talent voor introspectie en reflectie ruimte om te bloeien.

Hier werd het zaadje geplant voor Walkers overtuiging dat pijn een ingrediënt is voor creativiteit. ‘We moeten aanvaarden dat er altijd een zekere vorm van pijn of ongemak is als we willen groeien’, schrijft ze me. Haar eerste poëziebundel Once (1958) schreef ze toen ze na het ondergaan van een illegale abortus in een depressie was beland. ‘Poëzie is mijn manier om met de wereld te vieren dat ik de avond voordien geen zelfmoord had gepleegd.’ Maar schrijven is ook de bevrijding van taboes. Walker doet aan activisme door te schrijven. ‘De aanvaarding van pijn en ongemak geldt al helemaal wanneer je iets wil veranderen dat zo diepgeworteld en zielsverpletterend is [als racisme en seksisme]’, legt ze verder uit.

‘Het grootste verschil tussen de emancipatie­bewegingen van de jaren 1960 en Black Lives Matter is ons zelfrespect’

Samen met June Jordan zette Walker in 1977 een schrijverscollectief op met de veelzeggende naam Sisterhood. Het creëren en bewaren van literair erfgoed voor en door zwarte vrouwen, dat zou Walkers missie worden. In het gezelschap van andere literaire giganten als Toni Morrison en Ntozake Shange verzette ze zich tegen de door de maatschappij opgelegde mythe van de eeuwige onderlinge concurrentiestrijd tussen vrouwen. Sisterhood was een welgemeende fuck you aan de patriarchale verdeel-en-heers-tactiek om zwarte vrouwen klein te houden. Zulke radicale solidariteit moet menige man – wit én zwart – het angstzweet hebben doen uitbreken.

Om die solidariteit een naam te geven introduceerde Walker het begrip ‘womanism’. Ze zocht naar eigen zeggen naar een woord dat de brede strijd van zwarte vrouwen tegenover het witte patriarchaat, tegenover het racisme van witte vrouwen en tegenover het seksisme van zwarte mannen omvatte. ‘Feminisme’ of ‘zwart feminisme’ deed dat niet. Ze schreef voor het eerst over womanism in haar korte verhaal ‘Coming Out’ (1979) en werkte het later uit in haar bekendste essaybundel In Search of Our Mother’s Garden (1983), dat leest alsof het vorig jaar werd geschreven. Het concept groeide uit tot een beweging en een sociale theorie die vandaag binnen feministische studies nog steeds onderzocht wordt.

Een ‘womanist’ definieert Walker als een ‘zwarte feministe of een feministe van kleur’ en ‘een vrouw die van andere vrouwen houdt, seksueel en niet-seksueel’. Met haar bekende citaat ‘womanist betekent voor feminist zoals paars voor lavendel’ – dat vandaag door zwarte activisten vaak gedeeld wordt op sociale media – benadrukt ze dat womanism als theoretisch concept groter is dan (wit) feminisme. Amerikaanse lesbische feministen kozen in de jaren 1970 lavendelpaars als kleur voor hun strijd. Walker maakt de kleur paars – ja, die titel is geen toeval – dieper en intenser door er zwart aan toe te voegen, schrijft biografe Maria Lauret.

Alice Walker, december 2016 © Peter Earl McCollough / The New York Times /ANP

De eerste keer dat ik The Color Purple las, tien jaar geleden, kon ik amper geloven dat een zwarte vrouw dit verhaal had geschreven. Hoe kon je zo over je eigen mensen schrijven? Hoe kon je vrouwen zo passief in een – en hier komt-ie – ‘slachtofferrol’ stoppen en zwarte mannen zo negatief afbeelden? Ik kan me niet eens herinneren of ik het boek daadwerkelijk heb uitgelezen of het halverwege uit ergernis aan de kant heb gelegd.

Ik was niet de enige die verontwaardigd was door Walkers roman, zij het dan om andere redenen. Het expliciete seksuele geweld, de mishandelingen en de lesbische liefde – Celie wordt verliefd op de maîtresse van haar man, de blueszangeres Shug Avery – zorgden ervoor dat The Color Purple ondanks het wereldwijde succes ook op nummer 7 staat op de lijst van gecensureerde boeken van de American Library Association. De beruchte passage waarin Shug Avery Celie met een spiegeltje laat zien waar haar clitoris zit en hoe ze zichzelf kan bevredigen moet voor veel tieners in die tijd een ware ontdekking zijn geweest – tot razernij van hun ouders.

Maar Walker kreeg uit eigen kringen ook stevige kritiek op de stereotiepe manier waarop ze zwarte mannen had afgebeeld: gewelddadig, seksistisch, onderdrukkend en wreed. Voor haar was dat het bewijs dat de wereld meer bekommerd was om de pijn van mannelijke personages dan om het leed van de zwarte vrouwen in haar werk, die verkracht, mishandeld en vermoord worden. En laat het nu net die reële pijn van zwarte vrouwen zijn waar Walker aandacht voor vraagt. En of die pijn nu veroorzaakt wordt door witte racistische mannen of zwarte seksistische mannen is irrelevant. Sterker nog, dit is net de bevrijdende kracht van fictie waar Walker naar streeft.

‘Weet je wie The Color Purple maar niks vond? Bill Cosby.’ Met deze sarcastische repliek, verwijzend naar het misbruikschandaal van de Amerikaanse komiek, laat ze exact de spanning zien tussen racisme en seksisme als je als zwarte vrouw de problemen binnen en buiten je eigen gemeenschap wil aankaarten. Als je dat doet, loop je immers het risico dat je strijd tegen seksisme wordt gekaapt door racisten, die je met je eigen stok terugslaan. Zie je wel? Zwarte mannen zijn gevaarlijk en gewelddadig!

In 2020 – het jaar waarin Black Lives Matter ook hier voet aan de grond kreeg – besloot ik het boek nog een kans te geven. Ik was verbaasd. Hoe had ik tien jaar geleden de onderlinge solidariteit en de veerkracht van deze vrouwen over het hoofd gezien? In een wereld die zo vijandig is tegenover zwarte vrouwen weten ze toch enigszins geluk en vrijheid te vinden. Ben ik ouder en wijzer geworden of is de wereld waarin we leven veranderd?

Niet alleen de roman, maar ook de iconische verfilming van The Color Purple uit 1985 met Whoopi Goldberg en Oprah Winfrey veroorzaakte controverse. De keuze voor Steven Spielberg als regisseur kon op weerstand rekenen: was een witte, joodse man wel de juiste keuze voor een film over zwarte vrouwen? En de kritiek die de roman eerder kreeg, flakkerde weer op. Feministen vonden de film seksistisch. Afro-Amerikanen vonden dat ze in een negatief daglicht werden gesteld. Maar The Color Purple zou vooral de geschiedenis in gaan als de film met de meeste Oscar-nominaties – maar liefst elf – zonder erin te slagen ook maar één beeldje te winnen.

Walker was naar eigen zeggen opgelucht dat de film geen enkele Oscar won. In haar essaybundel The Same River Twice (1996) schrijft ze: ‘Geen award ontvangen voor The Color Purple voelde voor mij heel zuiver. Ik was me bewust van het type personages die eerder bekroond werden, dienstmeiden en andere hulpen voor witte families.’ Die avond was Out of Africa, een film over een Deense barones op een Keniaanse plantage, de grote winnaar. Walker zag haar standpunt bevestigd: ‘Out of Africa is reactionair en racistisch. Het verheerlijkt de verkrachting van Afrika en probeert kolonialen voor te stellen als redders.’

‘Die rode heuvels van Georgia zijn van mij, en niemand zou me van ze wegduwen totdat ik zelf klaar was om te vertrekken’

‘Academy hits racism accusation’, kopte The Los Angeles Times de volgende dag. Het was de eerste keer dat het structureel racisme in de Hollywood-filmindustrie zo duidelijk zichtbaar werd, en de Academy deed alsof haar neus bloedde. Halle Berry was in 2002 de eerste zwarte vrouw die een Oscar kreeg voor ‘beste actrice’. Sindsdien is dat niet meer gebeurd. In 2015 ging de hashtag #oscarssowhite viraal, maar het jaar daarop was er maar één niet-witte genomineerde in de belangrijkste categorieën. En toch bleef Walker optimistisch toen ik haar sprak. En zie daar: vorige week werden de Oscar-nominaties voor 2021 bekendgemaakt en nog nooit was de lijst zo divers.

‘We zitten duidelijk in een opwaartse spiraal. Het grootste verschil met de emancipatiebewegingen van de jaren 1960 en de huidige bewegingen als Black Lives Matter is ons zelfrespect en onze zelfliefde’, schrijft ze me. ‘Ik ben diep ontroerd voor ons allemaal. Uiteindelijk staat er niets meer tussen ons en ons gevoel van vrijheid.’ Van jezelf houden en jezelf respecteren kan pas als je het geïnternaliseerde racisme en de schaamte ‘ont-leert’, volgens Walker. Ze legt me uit hoe helend het kan zijn om te begrijpen waar je vandaan komt: ‘Wanneer ik de documentairereeks Finding Your Roots van Henry Louis Gates bekijk, zie ik de genezing van de ellendige eeuwen van slavernij, toen we niet wisten wie we waren.’ Harvard-professor Louis Gates herontdekte de eerste Afro-Amerikaanse romans en staat bekend om zijn pleidooi voor erkenning en waardering van Afro-Amerikaanse literatuur in de westerse canon. Walkers interesse voor Louis Gates is verbonden met het eerherstel van een verloren literair erfgoed. Het is een zoektocht die begon met Walkers ontdekking van de Amerikaanse schrijfster en antropologe Zora Neale Hurston.

Voor haar bekendste korte verhaal ‘The Revenge of Hannah Kemmhuff’ deed Walker onderzoek naar voodoopraktijken binnen de zwarte gemeenschappen in het Zuiden van de jaren 1930. Waar kwam haar fascinatie voor het onderwerp vandaan? vraag ik haar. Ze vertelt me dat ze haar eigen cultuur beter wilde begrijpen: ‘Vooral de engere aspecten zoals voodoo, een medicinale traditie van tot slaaf gemaakte mensen die geen toegang hadden tot dokters en psychiaters.’

Ze stootte op het werk van Hurston, de vrouw die de verhalen en liederen uit de zwarte cultuur documenteerde en over zwarte mensen schreef als ‘complete, complex, undiminished human beings’. Walker was in extase. In een tijd dat Afro-Amerikaanse literatuur gemarginaliseerd werd, is Hurston monumentaal geweest voor Walkers verdere ontwikkeling als schrijver. Hurston was de auteur die Walker had willen lezen tijdens haar studies.

In 1975 schreef Walker het essay ‘Looking for Zora’ in een periode dat Hurstons werk amper beschikbaar was. De wedergeboorte van Hurston, die ooit de bravoure van de Harlem Renaissance belichaamde maar stierf in armoede en zonder enige erkenning voor haar werk, is te danken aan Walker. Ze ging zelfs op zoek naar haar ongemarkeerde graf en liet een grafsteen plaatsen met het opschrift ‘Zora Neale Hurston. “A genius of the South”’. Het was een daad van womanism. Maar wel een daad waar een diepgewortelde angst onder schuilde. Als een prominente schrijver als Hurston – letterlijk! – verloren kon gaan, welke garantie had Walker dan dat haar eigen literaire erfenis niet in de vergetelheid zou raken? De schok over de discrepantie tussen wat deze vrouw had betekend en hoe de wereld haar had behandeld, verlamde Walker. Met Hurstons eerherstel probeerde ze zichzelf gerust te stellen dat het literaire werk van zwarte vrouwen wél beschermd en bewaard kan worden.

En Walker zou Walker niet zijn als ze haar pijn en angst om vergeten te worden niet zou omzetten in iets productiefs. Net als andere zwarte schrijfsters en activisten houdt ze al jarenlang een dagboek bij. Het dagboek is de veilige plek waar ze ongecensureerd kan reflecteren en zelf controle kan nemen over haar eigen narratief. De geschiedenis heeft zwarte vrouwen immers geen enkele reden gegeven om erop te vertrouwen dat de rest van de wereld hun verhaal correct vertelt. Integendeel.

Zwarte vrouwen zijn in het literaire genre van het dagboek sterk ondervertegenwoordigd. Niet omdat ze niet schreven, maar omdat uitgeverijen ze niet publiceerden en academici ze niet onderzochten. Het heeft honderd jaar geduurd voor de dagboeken van schrijfsters zoals Charlotte Forten-Grimke, Alice Dunbar Nelson en Ida B. Wells het daglicht zagen. In 2013 werd een kritische uitgave van Walkers dagboeken met de titel Gathering Blossoms Under Fire aangekondigd, maar de publicatie werd door gezondheidsproblemen van de bevriende redacteur Valerie Boyd meermaals uitgesteld. Ze moeten nu ergens dit jaar verschijnen.

Dat het werk van zwarte schrijvers onvoldoende gewaardeerd wordt, ervoer Walker zelf. Tijdens haar studies werden uitsluitend witte schrijvers behandeld. Tijdens mijn studententijd tien jaar geleden stond er ook geen enkele zwarte auteur op de lectuurlijst. Net als Walker ging ik zélf op zoek naar schrijvers van kleur. Waar zij Hurston ontdekte, vond ik – o ironie – Walkers werk. In dezelfde periode ontdekte ik Toni Morrison en las ik haar roman Beloved (1987) met dezelfde verontwaardiging als The Color Purple. Nu begrijp ik dat de gruwel verteld moest worden, vanuit het perspectief van degenen die het meest geleden hebben: zwarte vrouwen. ‘Can’t nothing heal without pain’, zegt het hoofdpersonage Sethe in Beloved. Maar het hadden zomaar de woorden van Celie uit The Color Purple kunnen zijn.

Aanvankelijk stond Walker niet stil bij het gebrek aan zwarte schrijvers in haar curriculum. Ze verslond de boeken van William Faulkner en Flannery O’Connor, die eveneens uit het Zuiden kwamen en met wie ze daarom een diepe verbondenheid voelde. Pas toen ze zélf op zoek ging naar zwarte schrijvers drongen de schaamte en pijn tot haar door. Ze ontdekte dat Faulkner een notoire racist was, en tijdens een ‘literaire bedevaart’ naar O’Connors huis, dat slechts op enkele honderden meters van haar eigen ouderlijk huis stond, drong het onrecht van haar geërfde ongelijkheid tot haar door. ‘Wat ik voel (…) is woede dat iemand betaald wordt om haar huis te onderhouden, hoewel niemand er in woont, en dat haar huis nog steeds staat, terwijl het mijne – dat sowieso nooit ons eigendom was – langzaam tot stof aan het vergaan is. Haar huis werd plots een symbool van mijn eigen onterving, en op dat moment haatte ik haar’, schrijft ze in Staying Home.

Witte schrijvers uit het Zuiden zoals Faulkner en O’Connor konden ervoor kiezen om in het Zuiden te blijven. Zwarte schrijvers, zoals Richard Wright, hadden die keuze niet. ‘Zwarte schrijvers hebben het Zuiden doorgaans zo snel mogelijk verlaten’, schrijft Walker. ‘De (…) constante blootstelling aan zielige beledigingen en juridisch aangemoedigde vernederingen bleek te groot. Maar hun vertrek verarmde degenen die ze achterlieten.’

Jaren na Kings speech, waarin hij Afro-Amerikanen oproept om het Zuiden niet op te geven, beseft Walker dat ze pas elders gelukkig kon worden als ze éérst vrij kon leven in het Zuiden. ‘Die rode heuvels van Georgia zijn van mij, en niemand zou me van ze wegduwen totdat ik zelf klaar was om te vertrekken’, schrijft ze. Maar het gesegregeerde Zuiden van de jaren 1960 ontving haar niet met open armen. Walker en haar toenmalige echtgenoot, de advocaat en burgerrechtenactivist Mel Leventhal, waren vanwege Walkers huidskleur en Leventhals joodse achtergrond al een doelwit, maar hun status als een van de eerste legaal getrouwde interraciale koppels in de staat zette nog meer kwaad bloed. In haar memoires Black, White and Jewish (2000) schrijft hun dochter Rebecca, die later als feministische activiste in haar moeders voetstappen zou treden, over de constante bedreigingen: ‘Papa zit soms met zijn geweer en de hond te wachten tot de Klan komt.’

De verhuizing naar elders kwam er uiteindelijk in de jaren 1970. Na haar scheiding van Leventhal vertrok Walker naar San Francisco, destijds dé bakermat van de vrije hippiecultuur waar ze haar alternatieve spiritualiteit verder verdiepte. Als jongvolwassene nam ze definitief afscheid van het christendom van haar ouders, volgens haar een religie die door witte mannen tijdens het koloniale tijdperk werd opgelegd ten koste van de Afrikaanse en Native American-spiritualiteit van haar voorouders. ‘Ik verliet onze kerk al in mijn tienerjaren’, vertelt ze me. ‘Ik kon niet geloven dat volwassenen verwachtten God daar te vinden. De kerk was zo klein. Terwijl de wereld daarbuiten zo groots was.’

Bij elke vraag die ik haar stelde, haalt Walker wel eens planten, dieren, de planeet of de verhouding tussen ‘alles wat leeft en voelt’ aan. In Alice Walker’s Metaphysics: Literature of Spirits schrijft Nagueyalti Warren dat Walkers concept van God – of eerder ‘The Great Spirit’ – dicht aanleunt tegen dat van Native Americans: alles in het spirituele universum is met elkaar verbonden. Wanneer ik haar vraag wat de ontdekking van Zora Neale Hurston haar heeft geleerd over haarzelf, antwoordt ze: ‘Wat ik al lang wist: ik werk voor mijn voorouders, waarvan Hurston een blinkende vertegenwoordiger is. Het is simpelweg mijn plicht om dit werk te doen.’