Human Rights Weekend: ‘Prosecuting Evil’

Pijnlijk opgewekt

Over Benjamin Ferencz, ooit aanklager bij de Neurenberg-processen en pleiter voor een internationaal strafhof, gaat Prosecuting Evil. Aan het eind van zijn honderdjarige leven zijn mensenrechten wereldwijd steeds minder leidend.

Kort na het begin van Prosecuting Evil vertelt Benjamin Ferencz (geboren 1919) over zijn leven, een afschuwelijk verhaal, van maar anderhalve zin lang eigenlijk. Nog als zuigeling emigreerde hij met de rest van de familie naar de Verenigde Staten, vanuit Transsylvanië, dat net van Hongaars Roemeens was geworden, wat voor het plaatselijke antisemitisme weinig uitmaakte. De arme Ferenczen – vader was leerling schoenmaker – reisden derde klas, wat betekende dat ze wekenlang op het open scheepsdek moesten slapen. Baby Benjamin huilde onophoudelijk. Zijn vader kon daar op een gegeven moment niet meer tegen en wilde het kind overboord gooien. ‘Ik heb begrepen dat mijn oom dat toen heeft verhinderd’, zegt de 95-jarige geïnterviewde glimlachend.

Wie zo casual over een dergelijk voorval kan vertellen – je eigen vader heeft je willen ombrengen – moet in zijn leven veel hebben meegemaakt. En dat is ook zo, blijkt in deze biografische documentaire van de Canadese filmmaker Barry Avrich, die verder vooral bekend is van Shakespeare-verfilmingen. De krijsende zuigeling van destijds heeft het ver geschopt in het leven: als 27-jarige was de jonge jurist al openbaar aanklager bij een proces tegen oorlogsmisdadigers in Neurenberg; later was hij onvermoeibaar ijveraar voor de oprichting van een International Criminal Court, als een soort permanent ‘Neurenberg’. Potentiële oorlogsmisdadigers zouden, zo is de hoop, zich nog wel driemaal bedenken omdat ze weten dat ze voor de rechter hun wandaden moeten rechtvaardigen.

Dat icc is er inderdaad gekomen, het is gevestigd in Den Haag. Tijdens het eerste proces, tegen een Congolese warlord die op grote schaal gebruik maakte van kindsoldaten, mocht Ferencz als geestelijk vader van de instelling nog even feestelijk het woord voeren.

De film Prosecuting Evil is erg bewonderend uitgevallen, een hagiografie bijna, ware het niet dat Ben Ferencz dit jaar zijn honderdste verjaardag hoopt te vieren. Dat doet aan de innemende overtuigingskracht van de krasse grijsaard echter geenszins af. Luisteren naar oude mensen die veel hebben meegemaakt is vaak een dankbare bezigheid. Ferencz is daar geen uitzondering op.

Zijn leven, vertelt hij, is helemaal de American Dream: rags-to-riches. Het jongetje uit Hell’s Kitchen, een van New Yorks heftiger achterbuurten, kon goed leren. Zo sprak hij bijvoorbeeld al vroeg Frans, omdat hij als kleuter in de buurtbioscoop Franse films zag met Danielle Darrieux, op wie hij naar eigen zeggen verliefd raakte. Een aardige schooljuffrouw had oog voor zijn talenten en opende hem de weg naar een college en een gemeentelijke universiteit voor arme kinderen. Zo’n uitblinker bleek hij dat hij een beurs verwierf voor Harvard Law School, het nec plus ultra onder de juridische opleidingen in Amerika.

Inmiddels waren de Verenigde Staten, in 1941, in oorlog geraakt met Duitsland en Japan. Voor gevechtsfuncties kwam de wat kort uitgevallen dienstplichtige Ferencz niet in aanmerking, maar na enige tijd kreeg hij een logistieke functie bij een artillerieonderdeel dat hoog vliegende vijandelijke toestellen uit de lucht moest schieten. Dat was tenminste de bedoeling. De meeste vliegtuigen die ze raakten waren de eigen, Britse en Amerikaanse toestellen, denkt Ferencz. Zijn eerste persoonlijke kennismaking met oorlog droeg meteen een ontluisterend karakter.

Het werd zijn taak om in de neergeschoten wrakken te zoeken naar aanwijzingen voor de identiteit van de omgekomen militairen. In het verlengde van deze gruwzame bezigheid lag zijn opdracht toen de Amerikaanse troepen Duitsland binnentrokken. Duitsland bleek bezaaid met grote en kleine concentratiekampen waar overlevenden in gestreepte pyjama’s sterk vermagerd rondliepen en waar ovens en stapels beenderen getuigden van onzegbare gruwelen. Ferencz moest deze kampen zo veel mogelijk documenteren, met het oog op mogelijke strafvervolging in de toekomst. Vertellend over wat hij in de kampen zag, raakt Ferencz in de film hevig geëmotioneerd. Maar toen was dat anders, zegt hij: ‘I was ice cold and did my job.’

Het lag voor de hand deze jonge jurist in te schakelen toen de geallieerden na het eind van de oorlog in Neurenberg een reeks processen tegen oorlogsmisdadigers organiseerden, als vervolg op het ‘grote’ Neurenberg-proces met de nazi-kopstukken. In een van die vervolgprocessen trad Ferencz op als aanklager. Het proces betrof enkele tientallen Duitse militairen die deel hadden uitgemaakt van Einsatzgruppen,_ onderdelen wier taak het was achter het Oostfront in de door de Duitsers veroverde gebieden joden en andere ongewenste burgers te vermoorden, bij tienduizenden tegelijk.

Op de archiefbeelden van het proces is duidelijk te zien hoe Ferencz zich enthousiast, of zelfs welgemoed van zijn taak kweet. Duidelijk geloofde hij in de zegenrijke werking van het recht. Het was – curieus detail – een proces zonder getuigen: de schuld kon afdoende worden aangetoond door een keurig bijgehouden body count in de Duitse militaire administratie. Het proces eindigde in meer dan twintig doodstraffen en executies. Kort daarna bekoelde echter het enthousiasme van de Amerikaanse autoriteiten voor zulke processen. Hun zorgen betroffen vanaf dat moment meer de stabilisering van de Duitse samenleving en de afweer tegen het communisme.

Eenmaal terug in de Verenigde Staten werd Benjamin Ferencz advocaat, vooral in goede zaken op het gebied van burgerrechten en vrijheid van meningsuiting, zegt hij. Zijn revenuen gaf hij meestal weg aan goede doelen. De gedachte dat het recht kan dienen als preventie van oorlogsgruwelen verliet hem nimmer. In 1975 schreef hij het boek Defining International Aggression: The Search for World Peace, een pleidooi voor de bestrijding van oorlog en oorlogsgruwelen door van een soort ‘Neurenberg’ een permanent instituut onder auspiciën van de Verenigde Naties te maken.

Onvermoeibaar voerde hij lobbycampagnes en kreeg in de jaren tachtig de wind mee: mensenrechten raakten steeds meer en vogue als hoofddoelstelling van buitenlands beleid, vooral na de beëindiging van de Koude Oorlog in 1989, waardoor de grote antithese tussen Oost en West in het internationale verdween als leidend principe. Mensenrechten raakten steeds hoger op de agenda van de Verenigde Naties, en daarmee ook de gedachte aan juridische afdwingbaarheid van zulke waarden.

In 1998 werd op een VN-conferentie in de Italiaanse hoofdstad het Statuut van Rome afgekondigd, een soort stichtingsakte van het Hof in wording waarbij landen verklaarden de jurisdictie ervan te aanvaarden.

De Verenigde Staten aarzelden echter bij de ondertekening: het geloof in American exceptionalism en de gedachte dat de VS krachtens hun wezen toch al het goede en morele nastreven, verdragen zich slecht met de gedachte van een supranationale rechtsgang. Ferencz schreef, samen met de voormalige minister van Defensie Robert McNamara, in 2000 een opiniestuk in The Washington Post waarin erop werd aangedrongen dat de VS het statuut van Rome alsnog zouden ondertekenen. Dat artikel maakte diepe indruk. McNamara, architect van de Amerikaanse Vietnamoorlog, had wroeging, zoals we ook weten uit de film The Fog of War van Errol Morris uit 2003.

Het is niet zijn probleem als de mensheid in de toekomst naar de donder gaat, zegt hij: hij is al oud

Op de laatste dag waarop dat nog kon, 31 december 2000, liet president Bill Clinton een diplomaat namens de VS het Statuut van Rome alsnog ondertekenen. Helaas besloot diens opvolger George W. Bush later aan die ondertekening verder geen gevolg te geven. Het icc bestaat dus, maar belangrijke militaire machten – de VS, Rusland, China, India, Pakistan, Indonesië, de meeste Arabische landen – willen er tot op heden niets mee te maken hebben.

Wie Prosecuting Evil ziet, krijgt bewondering voor een man wiens leven zozeer is verbonden met de bestrijding van het onrecht en de gruwelen in gewapende conflicten. Je zou haast vergeten dat het niet zo goed gaat met de strijd die Ferencz in zijn lange leven heeft geleverd. Mensenrechten en in het verlengde daarvan de gedachte van een afdwingbare internationale rechtsorde lijken op de terugtocht. Wat rond 2000 nog een algemeen geaccepteerd idee leek in het internationale leven raakt in toenemende mate politiek en diplomatiek omstreden – treurig maar waar.

Dat begint al met de herleving van het antisemitisme, waarvoor de familie Ferencz ooit de wijk heeft genomen naar de VS. Een Hongaarse premier met autoritaire neigingen laat in het hele land verkiezingsposters ophangen van een joodse prominent om hem te beschuldigen van het streven naar de ondergang van Hongarije. In de straten van Parijs schreeuwen sommige geelhesjes antisemitische leuzen of maken een verkapt nazi-saluut. In de Verenigde Staten houden extreem-rechtse lieden ongestraft een fakkeloptocht onder het roepen van ‘Jews will not replace us’, waarna de Amerikaanse president zegt dat er onder hen ‘goede mensen’ zijn. Onder de extremistische publicaties die in het Amerika van Donald Trump plotseling politieke relevantie hebben is de Daily Stormer, die niet alleen heet naar de meest agressieve antisemitische publicatie in nazi-Duitsland, maar het ook heeft over ‘yids’ en plaatjes van mannen met opmerkelijk grote neuzen laat zien.

Inmiddels staan mensenrechten als centrale doelstelling van buitenlands beleid zwaar onder druk, en niet alleen omdat opkomende wereldmachten als India en China en het naar herstel van de machtsstatus strevende Rusland er weinig mee hebben. Wat de VS betreft werden de onder president Jimmy Carter rond 1980 op het schild gehesen mensenrechten onder president Barack Obama in termen van doctrine ondergeschikt gemaakt aan terrorismebestrijding. Onder Trump zijn geopolitieke rivaliteiten benoemd tot leidend idee in de Amerikaanse militaire doctrine – dat klinkt bepaald meer naar 1914 dan naar 1945 of later.

Het icc in Den Haag bevindt zich, ondanks een fraai nieuw gebouw, tot op heden eigenlijk in statu nascendi. Nog steeds hebben de drie grootmachten en veel andere landen geen boodschap aan de instelling, waardoor belangrijke militaire conflicten, zoals de oorlog in Syrië waar talloze aanknopingspunten zouden zijn voor strafvervolging, zich volledig aan de jurisdictie van het Hof onttrekken. Zoals de journaliste Tjitske Lingsma in haar boek All Rise pakkend heeft beschreven, functioneert het icc uiterst moeizaam, organisatorisch en juridisch. Nog steeds houdt het Hof zich voornamelijk bezig met relatief kleine zaken, vooral in Afrika.

Human Rights Weekend: Where Do I Stand?

Van 7 t/m 10 februari vindt in De Balie in Amsterdam de zevende editie van het Human Rights Weekend plaats, met film, debat, PechaKucha, fotografie en meer. De editie van dit jaar vraagt om reflectie: wat is jouw mening over belangrijke mensenrechtenkwesties van deze tijd? Hoe ben jij indirect betrokken bij mensenrechtenschendingen elders in de wereld? Wat zou jouw rol kunnen zijn bij het verdedigen van de mensenrechten?

Ontmoet filmregisseurs, Human Rights Watch-onderzoekers, activisten, parlementsleden, journalisten en anderen en bepaal wat jouw positie is in kwesties als de link tussen moderne slavernij en de vis op je bord, de uitdagingen voor democratie en migratie in Europa, de toenemende druk op persvrijheid, vergeten oorlogsmisdaden en de impact van kunstmatige intelligentie op mensenrechten.

Tijdens dit evenement zal een breed scala van landen aan bod komen, van Spanje tot Irak en van Thailand tot Israël/Palestina. Alle programmaonderdelen zijn in het Engels. Voor meer informatie en kaartjes: debalie.nl

In dit sombere licht doet het opgewekte mensbeeld van Benjamin Ferencz in de film soms een beetje pijnlijk aan. Hij zegt een aantal keren, onder andere over de verdachten die hij in Neurenberg heeft aangeklaagd, dat de bedrijvers van zulke gruwelen niet ‘beesten’ zijn, zoals veel mensen denken, maar ‘otherwise decent people’ die door oorlog tot massamoordenaars zijn gemaakt. Ferencz lijkt daarmee de bekende stelling van Hannah Arendt te onderschrijven die in haar Eichmann in Jerusalem van de grote organisator van de jodenvervolging door de nazi’s het beeld had geschapen van een heel gewone man, door een historisch toeval terechtgekomen op een stoel waarop van hem grootscheepse wandaden werden gevergd, die hij netjes uitvoerde.

Op die theorie valt af te dingen. De Nederlandse socioloog Abram de Swaan bijvoorbeeld heeft in zijn Compartimenten van vernietiging laten zien dat maatschappelijke context, naast persoonlijke omstandigheden van de moordenaars, wel degelijk een belangrijke rol speelt. Massamoord op een bepaalde bevolkingsgroep, betoogt De Swaan, wordt bevorderd wanneer voorafgaand aan de wandaden zo’n groep als een afgescheiden ‘compartiment’ van de samenleving wordt afgeschilderd, waarvoor niet de gewone criteria van recht en menselijkheid gelden. Dat is ook de reden dat de herleving van antisemitisme die nu waarneembaar is, verre van alleen een anachronistische herleving van oude waandenkbeelden, ook een omineus voorteken is, net als bijvoorbeeld het ‘compartimentaliseren’ van moslims, Syrische vluchtelingen of latino’s aan de Mexicaans-Amerikaanse grens.

Ook een andere grondgedachte van Ferencz – dat het strafrecht een probaat middel is om oorlogsmisdaden of grootscheepse schending van mensenrechten te voorkomen – is niet onomstreden. Hier kan de Amerikaanse jurist Samuel Moyn worden genoemd, die in The Last Utopia en andere boeken betoogt dat de vernauwing van het begrip ‘mensenrechten’ in het internationale leven tot een voornamelijk formeel, juridisch criterium eigenlijk het opgeven heeft betekend van een breder streven naar een rechtvaardiger en vrediger wereld.

Voordat mensenrechten een centraal uitgangspunt werden in de buitenlandse politiek van westerse staten – in de laatste twee decennia van de twintigste eeuw pas – werd onder mensenrechten iets anders verstaan dan een juridisch criterium, betoogt Moyn: het recht op nationale onafhankelijkheid van ex-koloniën bijvoorbeeld, of het recht op een economisch welvarend bestaan voor velen. De versmalling van het begrip mensenrechten tot een juridisch criterium markeert volgens hem onder andere het opgeven van het streven naar economische rechtvaardigheid – zowel binnen landen als tussen landen onderling – als een middel ter voorkoming van oorlog en oorlogsmisdaden. Om nog maar te zwijgen over oorlogen en militaire interventies die op dubieuze wijze worden gerechtvaardigd als verdediging van de mensenrechten, zoals in Irak of Libië.

Mensenrechten en internationale rechtsorde, die nog maar zo kort geleden onomstreden en feitelijk apolitieke doelstellingen leken, worden aldus in toenemende mate onderwerp van politieke strijd. Maar aan onze bewondering en sympathie voor de hoofdpersoon van Prosecuting Evil hoeft dat natuurlijk niet af te doen. Benjamin Ferencz, blijkt tegen het einde, wordt trouwens zelf ook wel eens overvallen door sombere gevoelens over het bereikte. Het is niet zijn probleem als de mensheid door oorlog in de toekomst naar de donder gaat, zegt hij, want hij is al erg oud. Het nageslacht moet het zelf weten, en zelf handelen. Dat laatste kunnen we met deze aardige man in ieder geval van harte eens zijn.


Prosecuting Evil is donderdag 7 februari om 19.30 uur te zien in De Balie